Tekst om te onthouden: “Al deze zegeningen zullen over u komen, en u ten deel vallen, wanneer gij de stem van de Heere, uw God, zult gehoorzaam zijn”
Deuteronomium 28:2
“Niemand kan zichzelf een schat in de hemel wegleggen, zonder te ervaren, dat zijn leven op aarde daardoor wordt verrijkt en veredeld.” –Karaktervorming, blz. 145.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-55;; -Karaktervorming, blz. 136-145.
A. Wat kan nu en eeuwig het gevolg zijn van het verwaarlozen van de zaak van de Heer?
Haggaï 1:5-11.
“Die zelfzuchtig hun middelen achterhouden, moeten niet verbaasd zijn,wanneer Gods hand verstrooit. Wat gegeven had moeten worden voor de vooruitgang van Gods werk, maar dat Hem onthouden is, kan toevertrouwd worden aan een onverschillige zoon en die kan het verkwisten. Een mooi paard, de trots van een ijdel hart, kan dood in de stal gevonden worden. Een koe kan sterven. Daar kan misgewas zijn in het fruit of in andere gewassen. God kan de middelen verstrooien, die Hij Zijn rentmeesters heeft geleend, wanneer ze weigeren die tot Zijn heerlijkheid te gebruiken. Sommigen, zo zag ik, hebben niet te kampen met die verliezen, die hen op hun plichtsverzaking moeten wijzen, maar hun gevallen kunnen nog hopelozer zijn.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 80.
“Het nalaten om Christus in uw boekhouding te belijden snijdt u af van het grote voorrecht om uw naam te laten registreren in het boek des levens van het Lam.” –Our High Calling, blz. 192.
B. Wat moet worden overwogen door allen, die gewoonlijk de neiging hebben om hulp te vragen, in plaats van het aan te bieden?
Deuteronomium 28:12-13.
“Zij, die delen in Christus’ heerlijkheid, moeten ook in Zijn bediening delen en de zwakken, de ellendigen en de vertwijfelden helpen.” –Counsels for the Church, blz. 60.
A. Wat verlangt God ook nu voor Zijn volk?
Deuteronomium 28:1-6.
“Het woord komt tot iedere gelovige: ‘Bereidt de weg des Heeren, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God’ (Jesaja 40:3). Bezuinig op uw uitgaven van de middelen voor uzelf. De eerste stap van zelfverloochening is over het algemeen de moeilijkste, maar begin zonder vertraging. Uw zelfverloochenende offers zullen gebruikt worden in dit veld om arbeiders te voorzien van de laatste boodschap van barmhartigheid aan een gevallen wereld.” –The General Conference Bulletin, 1 april 1899.
“Het is niet Gods bedoeling, dat christenen, van wie de voorrechten, die van de Joodse natie verre overtreffen, minder overvloedig zullen geven dan de Joden deden. ‘Van een ieder, wie veel gegeven is’, verklaarde de Heiland, ‘zal veel geëist worden’ (Lukas 12:48). De van de Hebreeën vereiste vrijgevigheid zou grotendeels hun eigen natie ten goede komen. Heden ten dage breidt het werk Gods zich uit over de gehele aarde. Christus heeft de schatten van het evangelie in de handen van Zijn volgelingen gelegd, en hen voor de taak gesteld om de blijde boodschap van heil aan de wereld te verkondigen. Onze verplichtingen zijn zonder twijfel veel groter dan die van het oude Israël.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 249-250.
B. Welke beloften zijn verzekerd aan allen, die Gods financiële plan volgen? Maleáchi 3:11-12.
“Iedereen mag ervaren, dat ze hun aandeel kunnen leveren in de voortgang van het kostbare verlossingswerk. Elke man, vrouw en jongere kan schatbewaarder voor de Heer worden, en een instrument om in de financiële noden te kunnen voorzien. De apostel zegt: ‘Laat ieder van u op elke eerste dag van de week bij zichzelf iets opzij leggen om op te sparen, wat in zijn vermogen is’ (1 Korinthe 16:2).
Door dit systeem zijn grote dingen tot stand gebracht. Als iedereen het zou overnemen, dan zouden we allemaal trouwe en waakzame schatbewaarders voor God zijn. En dan zou er geen gebrek aan middelen zijn om die grote opdracht, het in de wereld laten weerklinken van de laatste waarschuwingsboodschap, uit te voeren. De offerkist zou vol zijn, wanneer iedereen aan dit systeem zou meedoen. En de mensen, die bijdragen, worden er niet armer van. Elke keer, als ze geld geven, raken ze meer verbonden met de zaak van de tegenwoordige waarheid.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 287.
A. Hoe kan de toewijding van de wijzen aan het Kind van Bethlehem ons bemoedigen?
Matthéüs 2:1-2,
Mattheüs 2:11.
“De magiërs behoorden tot de eersten, die de Verlosser verwelkomden. Hun geschenken waren de eerste, die aan Zijn voeten werden gelegd. En welk een voorrecht verkregen zij, Hem door een gift te kunnen dienen! God schept behagen in het offer van een liefhebbend hart en Hij eert dit offer door het, in dienst van Hem, de hoogste doelmatigheid te verlenen. Wanneer wij ons hart aan Jezus gegeven hebben, zullen wij ook onze gaven aan Hem brengen. Ons goud en zilver, onze kostbaarste aardse bezittingen, onze hoogste verstandelijke en geestelijke gaven, zullen vrij worden toegewijd aan Hem, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft gegeven.” –De Wens der Eeuwen, blz. 42-43.
B. Wat moeten wij leren van de zalving van Maria van Jezus?
Markus 14:3.
“Wanneer gij het deel bepaalt om aan Gods werk te geven, overtreft dan liever de eisen der plicht dan daarin te kort te schieten. Gaat na voor Wie gij de gave bestemt. Die overdenking zal de zelfzucht doen vlieden. Ziet enkel op de grote liefde, waarmede Christus ons heeft liefgehad, en onze rijkste gaven zullen niet waardig geacht worden, dat Hij die aanneemt. Wanneer Christus het object is van onze affecties, zullen zij, aan wie Christus’ vergevende liefde is ten deel gevallen, niet even wachten om de waarde te berekenen van de albasten fles met kostelijke zalf. De hebzuchtige Judas was daartoe in staat; maar die de gave der zaligheid ontvangen heeft, zal het enkel betreuren, dat de gave nog geen kostelijker geur en grotere waarde heeft.” –Uit de Schatkamer derGetuigenissen 1, blz. 585.
C. Hoe kunnen degenen, die gewoonlijk afhankelijk zijn van liefdadigheid, net als Maria, gevers van liefdadigheid worden?
Handelingen 20:35.
“Wanneer zij, die in hun leven niet geslaagd zijn, zich wilden laten onderrichten, dan konden ze zich gewennen aan hun gewoonten van zelfverloochening en een juiste economie, en dan zouden ze de voldoening smaken om de weldadigheid uit te oefenen, in plaats van daarop aangewezen te zijn. Er zijn heel wat trage dienstknechten. Wanneer ze wilden doen, wat in hun macht staat, dan zouden ze zo’n grote zegen ervaren in het helpen van anderen, dat ze inderdaad zouden beseffen, dat ‘het zaliger is te geven dan te ontvangen’.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 393.
A. Welke intensiteit van doel moeten wij bij het verkondigen van het evangelie delen met de eerste christenen?
Handelingen 4:32-37.
“(Zie Handelingen 4:34-35). Deze vrijgevigheid van de zijde van de gelovigen was het gevolg van de uitstorting van de Heilige Geest. De tot het evangelie bekeerden waren ‘één van hart en ziel’. Een gemeenschappelijk belang beheerste hen, het welslagen van de hun toevertrouwde opdracht; en er was in hun leven geen plaats voor hebzucht. Hun liefde voor hun broeders en voor de zaak, waaraan zij zich hadden gewijd, was groter dan hun liefde voor geld en bezittingen. Hun werken getuigden ervan, dat zij de zielen der mensen van hogere waarde achtten dan aardse rijkdom.
Zo zal het altijd zijn, wanneer de Geest van God bezit neemt van het leven. Degenen, wier harten met de liefde van Christus vervuld zijn, zullen het voorbeeld volgen van Hem, die om onzentwil arm werd, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Geld, tijd, invloed, alle uit Gods hand ontvangen gaven zullen zij slechts op prijs stellen als middelen ter bevordering van het evangeliewerk. Zo was het in de eerste gemeente. En wanneer in de gemeente van vandaag wordt gezien, dat de leden, door de kracht des Geestes, hun liefde tot de dingen dezer wereld hebben opgegeven, en dat zij bereid zijn zich opofferingen te getroosten om hun medemensen het evangelie te doen horen, zullen de waarheden, die zij verkondigden, een machtige invloed op de toehoorders uitoefenen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-52.
B. Wat kunnen wij leren van Ananias’ en Saffira’s listig bedrog en de verschrikkelijke gevolgen daarvan?
Handelingen 5:1-11.
“Verlangend om een reputatie te verwerven voor zelfopoffering, vrijgevigheid en toewijding aan het christelijk geloof, verkochten Ananias en Saffira hun eigendom en legden een deel van de opbrengst aan de voeten van de apostelen, voorgevend alsof zij alles hadden gegeven. Zij waren niet gedwongen om alles te geven, wat zij hadden, voor de zaak. God zou een deel hebben aanvaard. Maar zij wilden, dat men dacht, dat zij alles hadden gegeven. Zo dachten zij de reputatie te krijgen, die zij begeerden, en tegelijkertijd een deel van hun geld achter te houden. Zij dachten, dat zij succesvol waren geweest in hun plan; maar zij bedrogen de Heere, en Hij behandelde dit beknopt, het eerste geval van bedrog en leugen in de nieuw gevormde gemeente. Hij doodde hen allebei, als een waarschuwing voor al het gevaar van het opofferen van de waarheid om gunst te verkrijgen.” –Medical Ministry, blz. 126-127.
A. Wat moeten wij beseffen in de werking en het financiële onderhoud van Gods zaak op deze aarde?
1 Korinthe 14:33.
“Hij (God) verlangt, dat bij de behandeling van gemeentelijke aangelegenheden heden ten dage evenzo orde en regel in acht worden genomen als in de dagen van ouds. Hij wenst, dat Zijn werk met vastberadenheid en nauwgezetheid zal worden verricht, zodat Hij het met Zijn zegel kan bekrachtigen. Christen moet met christen, gemeente met gemeente verenigd zijn.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 69.
B. Wat moeten wij leren van de manieren, waarop Gods getrouwe volk zelfverloochening verduidelijkte?
Hebreeën 11:8-10,
Hebreeën 11:24-26,
Hebreeën 11:37-40.
“Er was een tijd, dat er maar weinigen waren, die naar de waarheid luisterden en deze omarmden, en zij hadden niet veel van de goederen van deze wereld. Toen was het voor sommigen noodzakelijk om hun huizen en landerijen te verkopen en goedkoper te verkrijgen, terwijl hun middelen vrijelijk aan de Heer werden uitgeleend om de waarheid te publiceren en anderszins te helpen bij het bevorderen van de zaak van God. Deze zelfopofferende mensen doorstonden ontberingen; maar als zij tot het einde volharden, zal hun beloning groot zijn.
God heeft vele harten bewogen. De waarheid, waarvoor enkelen zoveel hebben opgeofferd, heeft gezegevierd en menigten hebben er beslag opgelegd. In de voorzienigheid van God zijn degenen, die middelen hebben, in de waarheid gebracht, zodat, naarmate het werk toeneemt, aan de wensen van Zijn zaak kan worden voldaan. God vraagt nu niet de huizen, waarin Zijn volk moet wonen; maar als degenen, die een overvloed hebben Zijn stem niet horen, zich losmaken van de wereld en zich offeren voor God, zal Hij hen passeren en zal Hij degenen roepen, die bereid zijn om alles voor Jezus te doen, zelfs om hun huizen te verkopen om aan de wensen van de zaak te voldoen. God wil vrijwillige offers hebben. Zij, die geven, moeten het een voorrecht vinden om dat te doen.” –Counsels on Stewardship, blz. 215.
1. Hoe kan een ontvanger van liefdadigheid een uitdeler hiervan worden?
2. Hoe moet onze welwillendheid zich verhouden tot die van de vroegere Joden?
3. Welke voorbeelden van vrijgevigheid in Christus’ tijd moeten ons inspireren?
4. Wat kunnen wij leren van de geest van de eerste christelijke gemeente?
5. Hoe kan de zelfverloochening van de pioniers van de tegenwoordige waarheid nu nieuw leven worden ingeblazen?