Rentmeesters in de laatste dagen (II) — SABBAT, 17 december 2022

Les 12: Bijbelse principes van financiën

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Al deze zegeningen zullen over u komen, en u ten deel vallen, wanneer gij de stem van de Heere, uw God, zult gehoorzaam zijn”

Deuteronomium 28:2

“Niemand kan zichzelf een schat in de hemel wegleggen, zonder te ervaren, dat zijn leven op aarde daardoor wordt verrijkt en veredeld.” –Karaktervorming, blz. 145.

Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-55;; -Karaktervorming, blz. 136-145.

ZONDAG — 11 december

1. Persoonlijke financiën

A. Wat kan nu en eeuwig het gevolg zijn van het verwaarlozen van de zaak van de Heer?

Haggaï 1:5-11.

Haggaï 1:5: Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Haggaï 1:6: Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken wordens toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming; en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel. Haggaï 1:7: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Haggaï 1:8: Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE. Haggaï 1:9: Gij ziet om naar veel, maar zie, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis. Haggaï 1:10: Daarom onthouden zich de hemelen over u van den dauw; en de aarde onthoudt haar inkomen. Haggaï 1:11: Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.

“Die zelfzuchtig hun middelen achterhouden, moeten niet verbaasd zijn,wanneer Gods hand verstrooit. Wat gegeven had moeten worden voor de vooruitgang van Gods werk, maar dat Hem onthouden is, kan toevertrouwd worden aan een onverschillige zoon en die kan het verkwisten. Een mooi paard, de trots van een ijdel hart, kan dood in de stal gevonden worden. Een koe kan sterven. Daar kan misgewas zijn in het fruit of in andere gewassen. God kan de middelen verstrooien, die Hij Zijn rentmeesters heeft geleend, wanneer ze weigeren die tot Zijn heerlijkheid te gebruiken. Sommigen, zo zag ik, hebben niet te kampen met die verliezen, die hen op hun plichtsverzaking moeten wijzen, maar hun gevallen kunnen nog hopelozer zijn.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 80.

“Het nalaten om Christus in uw boekhouding te belijden snijdt u af van het grote voorrecht om uw naam te laten registreren in het boek des levens van het Lam.” –Our High Calling, blz. 192.

B. Wat moet worden overwogen door allen, die gewoonlijk de neiging hebben om hulp te vragen, in plaats van het aan te bieden?

Deuteronomium 28:12-13.

Deuteronomium 28:12: De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen. Deuteronomium 28:13: En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;

“Zij, die delen in Christus’ heerlijkheid, moeten ook in Zijn bediening delen en de zwakken, de ellendigen en de vertwijfelden helpen.” –Counsels for the Church, blz. 60.

MAANDAG — 12 december

2. Voorwaardelijke beloften

A. Wat verlangt God ook nu voor Zijn volk?

Deuteronomium 28:1-6.

Deuteronomium 28:1: En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde. Deuteronomium 28:2: En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn. Deuteronomium 28:3: Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld. Deuteronomium 28:4: Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee. Deuteronomium 28:5: Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog. Deuteronomium 28:6: Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.

“Het woord komt tot iedere gelovige: ‘Bereidt de weg des Heeren, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God’ (Jesaja 40:3). Bezuinig op uw uitgaven van de middelen voor uzelf. De eerste stap van zelfverloochening is over het algemeen de moeilijkste, maar begin zonder vertraging. Uw zelfverloochenende offers zullen gebruikt worden in dit veld om arbeiders te voorzien van de laatste boodschap van barmhartigheid aan een gevallen wereld.” –The General Conference Bulletin, 1 april 1899.

“Het is niet Gods bedoeling, dat christenen, van wie de voorrechten, die van de Joodse natie verre overtreffen, minder overvloedig zullen geven dan de Joden deden. ‘Van een ieder, wie veel gegeven is’, verklaarde de Heiland, ‘zal veel geëist worden’ (Lukas 12:48). De van de Hebreeën vereiste vrijgevigheid zou grotendeels hun eigen natie ten goede komen. Heden ten dage breidt het werk Gods zich uit over de gehele aarde. Christus heeft de schatten van het evangelie in de handen van Zijn volgelingen gelegd, en hen voor de taak gesteld om de blijde boodschap van heil aan de wereld te verkondigen. Onze verplichtingen zijn zonder twijfel veel groter dan die van het oude Israël.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 249-250.

B. Welke beloften zijn verzekerd aan allen, die Gods financiële plan volgen? Maleáchi 3:11-12.

“Iedereen mag ervaren, dat ze hun aandeel kunnen leveren in de voortgang van het kostbare verlossingswerk. Elke man, vrouw en jongere kan schatbewaarder voor de Heer worden, en een instrument om in de financiële noden te kunnen voorzien. De apostel zegt: ‘Laat ieder van u op elke eerste dag van de week bij zichzelf iets opzij leggen om op te sparen, wat in zijn vermogen is’ (1 Korinthe 16:2).

Door dit systeem zijn grote dingen tot stand gebracht. Als iedereen het zou overnemen, dan zouden we allemaal trouwe en waakzame schatbewaarders voor God zijn. En dan zou er geen gebrek aan middelen zijn om die grote opdracht, het in de wereld laten weerklinken van de laatste waarschuwingsboodschap, uit te voeren. De offerkist zou vol zijn, wanneer iedereen aan dit systeem zou meedoen. En de mensen, die bijdragen, worden er niet armer van. Elke keer, als ze geld geven, raken ze meer verbonden met de zaak van de tegenwoordige waarheid.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 287.

DINSDAG — 13 december

3. Lessen uit de dagen van Christus

A. Hoe kan de toewijding van de wijzen aan het Kind van Bethlehem ons bemoedigen?

Matthéüs 2:1-2,

Mattheüs 2:1: Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen. Mattheüs 2:2: Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.

Mattheüs 2:11.

Mattheüs 2:11: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.

“De magiërs behoorden tot de eersten, die de Verlosser verwelkomden. Hun geschenken waren de eerste, die aan Zijn voeten werden gelegd. En welk een voorrecht verkregen zij, Hem door een gift te kunnen dienen! God schept behagen in het offer van een liefhebbend hart en Hij eert dit offer door het, in dienst van Hem, de hoogste doelmatigheid te verlenen. Wanneer wij ons hart aan Jezus gegeven hebben, zullen wij ook onze gaven aan Hem brengen. Ons goud en zilver, onze kostbaarste aardse bezittingen, onze hoogste verstandelijke en geestelijke gaven, zullen vrij worden toegewijd aan Hem, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft gegeven.” –De Wens der Eeuwen, blz. 42-43.

B. Wat moeten wij leren van de zalving van Maria van Jezus?

Markus 14:3.

Markus 14:3: En als Hij te Bethanie was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.

“Wanneer gij het deel bepaalt om aan Gods werk te geven, overtreft dan liever de eisen der plicht dan daarin te kort te schieten. Gaat na voor Wie gij de gave bestemt. Die overdenking zal de zelfzucht doen vlieden. Ziet enkel op de grote liefde, waarmede Christus ons heeft liefgehad, en onze rijkste gaven zullen niet waardig geacht worden, dat Hij die aanneemt. Wanneer Christus het object is van onze affecties, zullen zij, aan wie Christus’ vergevende liefde is ten deel gevallen, niet even wachten om de waarde te berekenen van de albasten fles met kostelijke zalf. De hebzuchtige Judas was daartoe in staat; maar die de gave der zaligheid ontvangen heeft, zal het enkel betreuren, dat de gave nog geen kostelijker geur en grotere waarde heeft.” –Uit de Schatkamer derGetuigenissen 1, blz. 585.

C. Hoe kunnen degenen, die gewoonlijk afhankelijk zijn van liefdadigheid, net als Maria, gevers van liefdadigheid worden?

Handelingen 20:35.

Handelingen 20:35: Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.

“Wanneer zij, die in hun leven niet geslaagd zijn, zich wilden laten onderrichten, dan konden ze zich gewennen aan hun gewoonten van zelfverloochening en een juiste economie, en dan zouden ze de voldoening smaken om de weldadigheid uit te oefenen, in plaats van daarop aangewezen te zijn. Er zijn heel wat trage dienstknechten. Wanneer ze wilden doen, wat in hun macht staat, dan zouden ze zo’n grote zegen ervaren in het helpen van anderen, dat ze inderdaad zouden beseffen, dat ‘het zaliger is te geven dan te ontvangen’.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 393.

WOENSDAG — 14 december

4. In de tijd van de apostelen

A. Welke intensiteit van doel moeten wij bij het verkondigen van het evangelie delen met de eerste christenen?

Handelingen 4:32-37.

Handelingen 4:32: En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen. Handelingen 4:33: En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen. Handelingen 4:34: Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen. Handelingen 4:35: En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had. Handelingen 4:36: En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, Handelingen 4:37: Alzo hij een akker had, verkocht dien, en bracht het geld, en legde het aan de voeten der apostelen.

“(Zie Handelingen 4:34-35). Deze vrijgevigheid van de zijde van de gelovigen was het gevolg van de uitstorting van de Heilige Geest. De tot het evangelie bekeerden waren ‘één van hart en ziel’. Een gemeenschappelijk belang beheerste hen, het welslagen van de hun toevertrouwde opdracht; en er was in hun leven geen plaats voor hebzucht. Hun liefde voor hun broeders en voor de zaak, waaraan zij zich hadden gewijd, was groter dan hun liefde voor geld en bezittingen. Hun werken getuigden ervan, dat zij de zielen der mensen van hogere waarde achtten dan aardse rijkdom.

Zo zal het altijd zijn, wanneer de Geest van God bezit neemt van het leven. Degenen, wier harten met de liefde van Christus vervuld zijn, zullen het voorbeeld volgen van Hem, die om onzentwil arm werd, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Geld, tijd, invloed, alle uit Gods hand ontvangen gaven zullen zij slechts op prijs stellen als middelen ter bevordering van het evangeliewerk. Zo was het in de eerste gemeente. En wanneer in de gemeente van vandaag wordt gezien, dat de leden, door de kracht des Geestes, hun liefde tot de dingen dezer wereld hebben opgegeven, en dat zij bereid zijn zich opofferingen te getroosten om hun medemensen het evangelie te doen horen, zullen de waarheden, die zij verkondigden, een machtige invloed op de toehoorders uitoefenen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-52.

B. Wat kunnen wij leren van Ananias’ en Saffira’s listig bedrog en de verschrikkelijke gevolgen daarvan?

Handelingen 5:1-11.

Handelingen 5:1: En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have; Handelingen 5:2: En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen. Handelingen 5:3: En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands? Handelingen 5:4: Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode. Handelingen 5:5: En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden. Handelingen 5:6: En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. Handelingen 5:7: En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was; Handelingen 5:8: En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel. Handelingen 5:9: En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. Handelingen 5:10: En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man. Handelingen 5:11: En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.

“Verlangend om een reputatie te verwerven voor zelfopoffering, vrijgevigheid en toewijding aan het christelijk geloof, verkochten Ananias en Saffira hun eigendom en legden een deel van de opbrengst aan de voeten van de apostelen, voorgevend alsof zij alles hadden gegeven. Zij waren niet gedwongen om alles te geven, wat zij hadden, voor de zaak. God zou een deel hebben aanvaard. Maar zij wilden, dat men dacht, dat zij alles hadden gegeven. Zo dachten zij de reputatie te krijgen, die zij begeerden, en tegelijkertijd een deel van hun geld achter te houden. Zij dachten, dat zij succesvol waren geweest in hun plan; maar zij bedrogen de Heere, en Hij behandelde dit beknopt, het eerste geval van bedrog en leugen in de nieuw gevormde gemeente. Hij doodde hen allebei, als een waarschuwing voor al het gevaar van het opofferen van de waarheid om gunst te verkrijgen.” –Medical Ministry, blz. 126-127.

DONDERDAG — 15 december

5. Systematische zelfverloochening

A. Wat moeten wij beseffen in de werking en het financiële onderhoud van Gods zaak op deze aarde?

1 Korinthe 14:33.

1 Korinthe 14:33: Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.

“Hij (God) verlangt, dat bij de behandeling van gemeentelijke aangelegenheden heden ten dage evenzo orde en regel in acht worden genomen als in de dagen van ouds. Hij wenst, dat Zijn werk met vastberadenheid en nauwgezetheid zal worden verricht, zodat Hij het met Zijn zegel kan bekrachtigen. Christen moet met christen, gemeente met gemeente verenigd zijn.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 69.

B. Wat moeten wij leren van de manieren, waarop Gods getrouwe volk zelfverloochening verduidelijkte?

Hebreeën 11:8-10,

Hebreeën 11:8: Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Hebreeën 11:9: Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die medeerfgenamen waren derzelfde belofte. Hebreeën 11:10: Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

Hebreeën 11:24-26,

Hebreeën 11:24: Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; Hebreeën 11:25: Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; Hebreeën 11:26: Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.

Hebreeën 11:37-40.

Hebreeën 11:37: Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; Hebreeën 11:38: (Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde. Hebreeën 11:39: En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen; Hebreeën 11:40: Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.

“Er was een tijd, dat er maar weinigen waren, die naar de waarheid luisterden en deze omarmden, en zij hadden niet veel van de goederen van deze wereld. Toen was het voor sommigen noodzakelijk om hun huizen en landerijen te verkopen en goedkoper te verkrijgen, terwijl hun middelen vrijelijk aan de Heer werden uitgeleend om de waarheid te publiceren en anderszins te helpen bij het bevorderen van de zaak van God. Deze zelfopofferende mensen doorstonden ontberingen; maar als zij tot het einde volharden, zal hun beloning groot zijn.

God heeft vele harten bewogen. De waarheid, waarvoor enkelen zoveel hebben opgeofferd, heeft gezegevierd en menigten hebben er beslag opgelegd. In de voorzienigheid van God zijn degenen, die middelen hebben, in de waarheid gebracht, zodat, naarmate het werk toeneemt, aan de wensen van Zijn zaak kan worden voldaan. God vraagt nu niet de huizen, waarin Zijn volk moet wonen; maar als degenen, die een overvloed hebben Zijn stem niet horen, zich losmaken van de wereld en zich offeren voor God, zal Hij hen passeren en zal Hij degenen roepen, die bereid zijn om alles voor Jezus te doen, zelfs om hun huizen te verkopen om aan de wensen van de zaak te voldoen. God wil vrijwillige offers hebben. Zij, die geven, moeten het een voorrecht vinden om dat te doen.” –Counsels on Stewardship, blz. 215.

VRIJDAG — 16 december

Terugblik

1. Hoe kan een ontvanger van liefdadigheid een uitdeler hiervan worden?

2. Hoe moet onze welwillendheid zich verhouden tot die van de vroegere Joden?

3. Welke voorbeelden van vrijgevigheid in Christus’ tijd moeten ons inspireren?

4. Wat kunnen wij leren van de geest van de eerste christelijke gemeente?

5. Hoe kan de zelfverloochening van de pioniers van de tegenwoordige waarheid nu nieuw leven worden ingeblazen?