Tekst om te onthouden: “Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en voor Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen”
Openbaring 4:11
“Jehova, de Eeuwige, in Zichzelf Bestaande, de Ongeschapene, de Bron en Onderhouder van alles, heeft alleen recht op volkomen eerbied en aanbidding.” –Patriarchen en Profeten, blz. 270.
Aanvullende studie :: -Selected Messages, bk. 1, blz. 290-295.
A. Wat moeten wij ons realiseren, als we naar de prachtige grootsheid van de schepping kijken?
Psalm 19:1-4;
Jesaja 40:18,
Jesaja 40:21-22,
Jesaja 40:26.
“(Zie Psalm 19:1-4). Sommigen veronderstellen misschien, dat deze grootse dingen in de wereld der natuur God zijn. Zij zijn God niet. Al deze wonderen in de hemelen doen alleen het werk, dat hen is opgedragen. Zij zijn de vertegenwoordigingen van de Heer. God is zowel de Toezichthouder, als de Schepper, van alle dingen.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 293-294.
B. Welk aspect van Gods almacht raakt ons dagelijks?
Handelingen 17:24-29.
“Het fysieke organisme van de mens staat onder toezicht van God; maar het is niet als een klok, die in werking is gesteld en vanzelf moet gaan. Het hart klopt, klop voor klop, de adem volgt adem, maar het hele wezen staat onder toezicht van God… Elke hartslag, elke ademhaling is de inspiratie van Hem, die in de neusgaten van Adam de levensadem blies, de inspiratie van de altijd aanwezige God, de grote IK BEN.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 294-295.
A. Welke feiten tonen, dat God uniek is in het verdienen van onze voortdurende aanbidding?
Psalm 33:6-9;
Jeremia 10:9-13.
“Gods aanspraak op eerbied en aanbidding, boven de goden van de heidenen, is gebaseerd op het feit ,dat Hij de Schepper is en dat aan Hem alle andere wezens hun bestaan te danken hebben.” –Patriarchen en Profeten, blz. 301.
“Het Goddelijke Wezen houdt zich bezig met het handhaven van de dingen, die Hij heeft geschapen. Dezelfde hand, die de bergen vasthoudt en in positie houdt, leidt de werelden in hun mysterieuze loop om de zon… God voorziet in de materie en de eigenschappen, waarmee Hij Zijn plannen kan uitvoeren. Hij maakt gebruik van Zijn instanties, opdat vegetatie kan bloeien. Hij zendt de dauw, de regen en de zon, opdat het groene loof tevoorschijn kan komen en zijn tapijt over de aarde kan uitspreiden; opdat de struiken en fruitbomen mogen uitlopen en bloeien en voortbrengen.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 294.
B. Welke vragen zullen ons inspireren met eerbied voor God?
Job 11:7;
Job 38:1-7.
Op welke manier kan eerbied voor onze Schepper onze verlossing beïnvloeden?
“De goddelijke inspiratie stelt heel wat vragen, waarop de grootste geleerde geen antwoord kan geven. Deze vragen zijn niet gesteld met de gedachte, dat we er een antwoord op zouden weten, maar om onze aandacht te vestigen op de diepe verborgenheden van God en de mensen te doen beseffen, dat hun wijsheid beperkt is; dat er in de gewone dingen van het dagelijks leven verborgenheden zijn, die het bevattingsvermogen van sterfelijke mensen te boven gaan; dat Gods oordelen en bedoelingen niet zijn na tegaan en dat Zijn wijsheid onnaspeurlijk is. Als Hij Zich aan de mensen openbaart, doet Hij dat door Zich te hullen in een dichte wolk van geheimenissen.
Gods bedoeling is om meer van Zich te verbergen, dan Hij aan de mensen bekend maakt. Als de mensen ten volle Gods wegen en werken konden begrijpen, zouden ze niet geloven, dat Hij de oneindige is. De mens kan Hem niet doorgronden in Zijn wijsheid, redeneringen en doelstellingen. ‘Zijn wegen zijn onnaspeurlijk’ (Romeinen 11:33). Zijn liefde is nooit te verklaren op grond van natuurlijke beginsels. Als dit mogelijk zou zijn, zouden we niet het gevoel hebben, dat we Hem de belangen van ons leven konden toevertrouwen. Twijfelaars weigeren te geloven, omdat ze met hun beperkt verstand niet de oneindige macht, waardoor God Zich aan de mensen openbaart, kunnen begrijpen. Zelfs de werking van het menselijk lichaam is niet ten volle duidelijk; het brengt geheimen naar voren, die de grootste intellecten voor een raadsel plaatsen.” –Bijbelkommentaar, blz. 173.
A. Wat heeft God altijd gewild, dat wij zouden begrijpen met betrekking tot het eigenaar zijn van een bezit?
Psalm 50:7,
Psalmen 50:10-12.
“Door dit systeem van weldadigheid wilde de Here Israël leren, dat Hij in alle dingen de Eerste moest zijn. Op deze manier werden zij eraan herinnerd, dat God de Eigenaar was van hun velden, hun kudden, en hun vee; dat Hij het was, die hun zonneschijn en regen zond, die het gewas tot ontwikkeling deed komen en rijpen. Alle dingen, die zij bezaten, behoorden tot Hem toe.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 249.
“Ons lichaam behoort God toe. Hij betaalde de prijs van verlossing voor zowel het lichaam als de ziel. ‘Gij zijt niet van uzelf, want gij zijt duur gekocht: verheerlijkt dan God in uw lichaam, en in uw geest, die van God zijn’ (1 Korinthe 6:19-20. ‘Het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor de Heere, en de Heere voor het lichaam’ (vers 13). De Schepper waakt over de menselijke machinerie en houdt deze in beweging. Zonder Zijn voortdurende zorg zou het hart niet kloppen, zou de werking van het hart ophouden, zouden de hersenen niet langer hun deel doen.” –Counsels on Health, blz. 586.
B. Hoe uitgebreid is Gods eigendom?
Psalm 24:1-2;
Deuteronomium 10:14.
Wat betekent dit voor ons?
Openbaring 4:11.
“Bedenk, dat er maar één Eigenaar van het universum is, en dat ieder mens, met zijn tijd, zijn intellect, zijn middelen, behoort tot Degene, die de losprijs voor de ziel heeft betaald. God heeft een rechtvaardige aanspraak op voortdurende dienstbaarheid en opperste genegenheid. Gods wil, niet uw welbehagen, moet uw criterium zijn.” –Selected Messages, bk. 2, blz. 137.
“Zij, die een voortdurend besef hebben, dat zij in deze relatie tot God staan, zullen in de maag geen voedsel plaatsen, dat de eetlust streelt, maar de verteringsorganen schaadt. Zij zullen het eigendom van God niet schaden door overmatige gewoonten in eten, drinken en kleden. Zij zullen grote zorg dragen voor de menselijke machinerie in het besef, dat zij dit moeten doen in deelgenootschap met God. Hij wil, dat zij gezond zijn,gelukkig en nuttig. Maar teneinde hier aan te voldoen, moeten zij hun wil plaatsen aan de zijde van Zijn wil.” –Hoe Leid Ik Mijn Kind, blz. 472-473.
A. Aan wie vertrouwde God de heerschappij toe over Zijn aardse goederen?
Genesis 1:26-28.
Waarom is dit een eer voor de mensheid?
Psalm 8:1-10.
“Hij, die de sterrenwerelden plaatste in de hemelen en de bloemen van het veld verfraaide, die hemel en aarde vervulde met de wonderen van Zijn macht, toen Hij Zijn heerlijk werk bekroonde door iemand in het midden van deze schone aarde te plaatsen als haar heerser, schiep een wezen, waardig aan Hem, die hem het leven gaf. De genealogie van ons geslacht, zoals de Inspiratie deze vermeldt, leidt terug tot op de grote Schepper, en niet naar een ontwikkeling uit cellen, weekdieren, en viervoetige dieren. Hoewel hij gevormd werd uit het stof der aarde, was Adam ‘de zoon van God’ (Lukas 3:38).” –Patriarchen en Profeten, blz. 20.
B. Wat vertelde de bedrieger trots aan Christus vanwege Adams val?
Lukas 4:5-6.
C. Wanneer is de heerschappij van Christus over deze planeet volledig hersteld?
Daniël 7:13-14,
Daniël 7:26-27;
Micha 4:8;
Openbaring 11:15.
“Toen Satan aan Christus verklaarde: ‘Het koninkrijk en de heerlijkheid van de wereld zijn Mij overgegeven, en Ik geef ze aan wie Ik wil’, beweerde hij iets, dat slechts gedeeltelijk waar was, en hij zei het om hiermee zijn eigen doel van bedrog te dienen. Satans heerschappij was de heerschappij, die hij aan Adam ontworsteld had, maar Adam was de plaatsvervanger van de Schepper. Hij bezat geen onafhankelijke heerschappij. De aarde behoort God toe, en Hij heeft alle dingen in handen van Zijn Zoon gegeven. Adam moest regeren in onderwerping aan Christus. Toen Adam door verraad zijn heerschappij in Satans handen bracht, bleef Christus nog steeds de rechtmatige Koning. Daarom zei de Heere ook tot koning Nebukadnezar: ‘De Allerhoogste heeft macht over het koningschap der mensen en geeft dat aan wie Hij wil’ (Daniël 4:17). Satan kan zijn onrechtmatig verkregen macht slechts uitoefenen, wanneer God dit toelaat.” –De Wens der Eeuwen, blz. 98.
“De profeet Daniël zegt, dat Christus ‘heerschappij en eer en koninkliijke macht’ van de Oude van Dagen zal ontvangen. Hij zal het Nieuwe Jeruzalem, de hoofdstad van Zijn koninkrijk, ‘getooid als een bruid, die voor haar man versierd is’ (Daniël 7:14; Openbaring 21:2), ontvangen. Als Hij het Koninkrijk heeft aanvaard, zal Hij in heerlijkheid terugkomen, als Koning der koningen en Heere der heren, voor de verlossing van Zijn volk, en ‘zij zullen aanliggen met Abraham, Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen’ (Matthéüs 8:11; Lukas 22:30), om deel te hebben aan het bruiloftsmaal van het Lam.” –De Grote Strijd, blz. 399.
A. Wanneer enige mate van heerschappij, groot of klein, aan ons wordt toevertrouwd, welke waarschuwing moeten wij dan ter harte nemen?
Deuteronomium 8:11-18.
“Wij moeten onszelf beschouwen als rentmeesters van ’s Heren bezit en God als de voornaamste eigenaar, aan Wie we Zijn eigendom teruggeven, wanneer Hij dat zal opeisen.” –Uit De Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 580.
B. Welke boodschap draagt bijzondere kracht in deze laatste dagen, vlak voor de wederkomst van onze Heer?
Lukas 19:11-13.
“God noemt ons dienaren, wat met zich meebrengt, dat wij door Hem in dienst zijn om een bepaald werk te doen en bepaalde verantwoordelijkheden te dragen. Hij heeft ons kapitaal geleend voor investeringen. Het is niet ons eigendom en wij mishagen God, als wij de goederen van onze Heer oppotten of uitgeven, zoals wij willen…
Elk talent, dat terugkeert naar de Meester, zal onder de loep worden genomen. Het doen en laten van Gods dienstknechten zal niet als een onbelangrijke zaak worden beschouwd. Ieder individu zal persoonlijk worden behandeld en zal verplicht zijn om rekenschap af te leggen van de talenten, die hem zijn toevertrouwd, of hij deze nu heeft verbeterd of misbruikt. De toegekende beloning zal in verhouding staan tot de verbetering van de talenten. De toegekende straf zal in overeenstemming zijn met het feit, zoals de talenten zijn misbruikt…
De talenten liggen in onze handen. Zullen wij deze tot Gods eer gebruiken, of zullen wij hen misbruiken? Wij kunnen vandaag met hen handelen, maar morgen kan onze proeftijd eindigen en onze rekening voor altijd worden vastgesteld.” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 668.
1. Welke feiten tonen, dat onze Schepper ook onze Onderhouder is?
2. Waarom is God alleen het waard om aanbeden te worden?
3. Hoe moeten wij antwoorden, als wij bedenken, dat God alles toebehoort en dat Hij de heerschappij over de aarde aan mensen heeft toevertrouwd?
4. Wat moeten wij begrijpen van Satans toegeëigende gezag?
5. Welke verleiding komt er, als ons goederen worden toevertrouwd?
Bolivia is een een niet aan zee grenzende natie in de centraal-westelijke regio van Zuid-Amerika, in het noorden en oosten begrensd door Brazilië, in het zuiden door Paraguay en Argentinië en in het westen door Chili en Peru. Hoewel Bolivia in een tropisch gebied ligt, heeft het een breed tempratuur bereik vanwege de gevarieerde hoogten, die hier te vinden zijn, met tempraturen variërend van die typisch in de equatoriale laaglanden helemaal tot arctische kou.
Er wonen hier meer dan 11,5 miljoen inwoners in een gebied van 5.479 vierkante mijl (1.099 miljoen km2).
De bevolking van Bolivia is multicultureel; de belangrijkste gesproken taal is Spaans (88,4%) als de moedertaal, gevolgd door de tweede talen van sommigen onder de inheemse volkeren: Quechua (25%), Aymara (11%), Guaraní (1%) en andere (4%) waaronder 34 toegevoegde inheemse talen.
Bolivia is momenteel een vrijzinnige staat, die zijn bevolking vrijheid van godsdienst garandeert. De boodschap van de SDARM kwam hier in de jaren 1940. Het werk ontwikkelde zich in de loop der jaren snel, als onderdeel van de Zuid-Amerikaanse Unie samen met Argentinië, Chili, Paraguay en Uruguay.
Tegen 1944 was het werk in Bolivia voldoende gegroeid om een aparte Unie te vormen, de Boliviaanse Unie, die begon met werken in de stad Santa Cruz de la Sierra. Naarmate het werk vorderde, zien we nu de noodzaak om een nieuw hoofdkantoor te bouwen in de stad Cochabamba. Met dit doel voor ogen hebben de broeders en zusters samen met de Boliviaanse Unie Raad een groot stuk land verworven, dat een van onze broeders speciaal voor dit doel genereus heeft geschonken.
Om te bouwen zullen we de vriendelijke hulp van onze broeders en zusters wereldwijd nodig hebben.
Wij danken u bij voorbaat voor uw vriendelijke bijdrage aan de ontwikkeling van de zaak van God hier in Bolivia. Zij behoren tot degenen, van wie geschreven staat: “In de katholieke landen van Europa en Zuid-Amerika, in China, in India, in de eilanden der zee, en in de donkere delen der aarde, heeft God een overblijfsel bewaard, dat dan in het duister zal lichten, om aan een afvallige wereld de veranderende macht van gehoorzaamheid aan Zijn wet te tonen.” –Profeten en Koningen blz. 119.
Strekt nu uw helpende hand uit. Moge de Heer u zegenen!
–Uw broeders en zusters van de Boliviaanse Unie