Tekst om te onthouden: “En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de bekommernis van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar”
Mattheüs 13:22
“Alle liefhebbers van geld… zullen op een dag in bittere angst uitroepen: ‘O, de bedrieglijkheid van rijkdom! Ik heb mijn ziel voor geld verkocht’.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 544-545.
Aanvullende studie :: -Counsels on Stewardship, blz 133-140.
A. Hoe verdraait Satan vaak het hart en de mond van mensen, die oneerlijk voordeel willen halen uit zakelijke transacties?
Jeremia 6:13;
Handelingen 5:3-4.
B. Hoe vurig streefden David en Salomo beiden naar vrij zijn van bedrieglijke lippen?
Psalm 101:7;
Spreuken 30:8 (eerste deel).
C. Aangezien christelijke rentmeesters vaak in contact moeten zijn met bedrieglijke mensen, welk gebed moet dan opstijgen naar de hemel?
Psalm 43:1 (laatste deel).
D. Hoe laat God vaak toe, dat een bedrieglijk persoon het slachtoffer wordt van zijn of haar eigen trucs?
Psalm 7:15-17.
A. Beschrijf de diepte van het kwaad, dat optreedt, wanneer wij de reputatie van anderen schaden, en hoe God het ziet.
Spreuken 6:12-19.
“We denken met afschuw aan kannibalen, die een feestmaal aanrichten van het nog warme en sidderende vlees van hun slachtoffers. Maar zijn de gevolgen van deze praktijken verschrikkelijker dan de pijn en de verwoesting, die wordt aangericht door valse motieven, het zwart maken van iemands reputatie, en het ontleden van iemands karakter? …
Roddelen en kwaad spreken zijn specialiteiten van de Satan om tweedracht en onenigheid te zaaien, om vrienden van elkaar te scheiden, en om het vertrouwen van veel mensen in de waarheid van ons geloof te ondermijnen.
Mensen spreken van nature scherpe woorden. Mensen, die aan deze neiging toegeven, openen de deur voor de Satan, zodat hij hun hart kan binnendringen. Dat soort mensen wijzen snel op fouten en vergissingen van anderen. Ze staan stil bij hun tekortkomingen. Ze maken een lijst van hun gebreken. En ze spreken zó, dat het vertrouwen ondermijnd wordt in iemand, die zijn best doet om als medewerker van God zijn opdracht te vervullen. Vaak zaait men wantrouwen uit jaloezie. Iemand vindt, dat hij begunstigd had moeten worden. En dat is niet gebeurd.” –Het Bijbels Gezin, blz. 367-368.
B. Hoe beschouwt de Heer degenen, die oneerlijk zijn in hun financiële transacties?
Deuteronomium 27:17-19;
Spreuken 11:1;
Spreuken 20:23.
“De verslagen van elke zaak, de bijzonderheden van elke handelsovereenkomst, worden nauwkeurig nagegaan door onzichtbare controleurs, werktuigen van Hem, Die Zich nooit inlaat met ongerechtigheid, nooit het kwade door de vingers ziet, en nooit het verkeerde verbloemt…
Elke boosdoener staat onder het oordeel van Gods wet. Hij kan op die stem geen acht slaan, hij mag proberen zich aan die waarschuwing te onttrekken, maar dat alles is tevergeefs; zij volgt hem, zij laat zich horen; zij neemt zijn vrede weg. Zij vervolgt hem tot het graf, al wordt op haar geen acht geslagen. In het oordeel getuigt zij tegen hem. Als met een niet te blussen vuur verteert ze ten slotte lichaam en ziel.” –Karaktervorming, blz. 144, 145.
C. Wat zal gebeuren met iets, dat oneerlijk is verworven?
Spreuken 13:11;
Spreuken 15:27;
Spreuken 21:6.
“Geen zakelijk plan en ook geen levensplan kan gezond of volmaakt zijn, dat enkel de korte jaren van dit leven omvat en voor de eindeloze toekomst geen voorzieningen treft.” –Karaktervorming, blz. 145.
A. Hoe worden wij gewaarschuwd om partijdigheid te vermijden in onze omgang met anderen?
Leviticus 19:15.
“Betoon geen partijdigheid jegens een of meer, en verwaarloos niet anderen van uw broeders en zusters, omdat zij niet sympathiek voor u zijn. Pas op, dat u niet hard omgaat met degenen, van wie u denkt, dat zij fouten hebben gemaakt, terwijl anderen, die schuldiger zijn en meer een terechtwijzing verdienen, die streng moeten worden berispt voor hun onchristelijk gedrag, worden gesteund en als vrienden behandeld.” –The Review and Herald, 12 maart 1895.
“Iedereen moet zijn lot dragen en op zijn plaats staan en zijn werk doen. Iedereen van u moet voor God een werk doen voor deze laatste dagen, dat groot, heilig en groots is. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid dragen… Niemand van u hoeft bang te zijn voor de ander, anders zal de ander de hoogste plaats innemen. Zonder partijdigheid en zonder huichelarij moet iedereen worden behandeld.” –Christian Leadership , blz. 39.
B. Wat doet de christelijke rentmeester bij het omgaan met kansarme groepen?
Psalm 82:2-4.
“God verlangt, dat Zijn volk niet toestaat, dat de armen en ellendigen worden onderdrukt. Als zij elk juk breken en de onderdrukten bevrijden, en onzelfzuchtig zijn en vriendelijk rekening houden met de behoeftigen, dan zullen de beloofde zegeningen hun toekomen. Als er mensen in de gemeente zijn, die blinden zouden doen struikelen, moeten zij voor het gerecht worden gebracht; want God heeft ons gemaakt tot bewakers van blinden, ellendigen, weduwen en wezen. Het struikelblok, waarnaar in het woord van God wordt verwezen, betekent niet een blok hout, dat voor de voeten van een blinde wordt geplaatst om hem te laten struikelen, maar het betekent veel meer dan dit. Het betekent elke koers, die kan worden gevolgd om de invloed van hun blinde broeder te schaden, tegen zijn belangen in te werken of zijn welvaart te belemmeren.
Een broeder, die blind, arm en ziek is, en die alles in het werk stelt om zichzelf te helpen om niet afhankelijk te zijn, moet door zijn broeders op alle mogelijke manieren worden aangemoedigd. Maar degenen, die beweren zijn broeders te zijn, die gebruik maken van al hun vermogens, die niet afhankelijk zijn, maar die hun plicht jegens de blinden zo ver vergeten, dat ze hem verbaasd en bang maken en zijn weg versperren, doen een werk, dat berouw en herstel vraagt, voordat God hun gebeden zal aannemen. En de gemeente van God, die heeft toegestaan, dat hun ongelukkige broeder onrecht wordt aangedaan, zal zich schuldig maken aan zonde, totdat zij alles in het werk stelt om het onrecht recht te zetten.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 519-520.
A. Terwijl de Heer onze grote Raadgever is, wie kunnen wij dan op deze aarde om raad vragen?
Spreuken 13:20.
“De enige veilige weg voor de jeugd is om zich te mengen met het zuivere, het heilige, en zo zullen natuurlijke neigingen tot kwaad in toom worden gehouden. Door voor hun metgezellen te kiezen, zoals de Heer vrezen, zullen zij zelden Gods Woord ongelovig vinden, twijfels en ontrouw koesteren. De kracht van een werkelijk beginselvast voorbeeld is erg groot ten goede.” –In Heavenly Places, blz. 172.
B. Waar moeten wij op letten met betrekking tot personen, die niet in overeenstemming zijn met de beginselen van het christelijk rentmeesterschap?
Spreuken 14:7;
2 Thessalonicensen 3:6.
“Laten de jongeren de invloed kiezen van en zich verbinden met mannen en vrouwen met slechte beginselen en praktijken, … en zij zijn verdorven. Stille en onbewuste invloeden verweven hun gevoelens in hun leven, worden een deel van hun bestaan, en zij lopen op de rand van een afgrond en voelen geen gevaar. Zij leren de woorden van de gladde tong lief te hebben, de honingzoete woorden van de bedrieger, en zijn rusteloos, ongemakkelijk en ongelukkig, tenzij zij tot het toppunt van iemands vleierij worden gebracht… In de raad van de goddelozen wandelen is de eerste stap om in de plaats van de zondaars te staan en te zitten op de zetel van de minachting.” –In Heavenly Places, blz. 172.
“Het is verkeerd voor christenen om om te gaan met mensen met een losse moraal. Een intieme, dagelijkse omgang, die tijd in beslag neemt zonder in enige mate bij te dragen aan de kracht van het verstand of de moraal, is gevaarlijk. Als de morele atmosfeer, die de mensen omringt, niet zuiver en geheiligd is, maar besmet met verdorvenheid, zullen degenen, die deze atmosfeer inademen, ontdekken, dat deze bijna onmerkbaar op het verstand en het hart inwerkt om te vergiftigen en te verderven. Het is gevaarlijk om vertrouwd te zijn met degenen, wier geest van nature een laag niveau heeft. Geleidelijk en onmerkbaar zullen degenen, die van nature gewetensvol zijn en van zuiverheid houden, op hetzelfde niveau komen en deel hebben aan en sympathiseren met de domheid en morele onvruchtbaarheid, waarmee zij zo constant in contact worden gebracht.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 125.
A. Hoeveel van onze aardse rijkdommen behouden wij, als wij sterven?
Psalm 49:17-18;
Prediker 5:13-15;
1 Timótheüs 6:7.
B. Wat kunnen wij meenemen naar het grote oordeel van de mensheid?
Matthéüs 16:26;
Spreuken 11:4;
Jesaja 31:7.
“Dan zullen de verlosten welkom worden geheten in het huis, dat Jezus voor hen heeft klaargemaakt. Daar zullen zij niet meer in het gezelschap hoeven te verkeren van de boeven van deze aarde, van leugenaars, afgodendienaars, van hen, die het niet zo nauw nemen en van de ongelovigen. Ze zullen dan samen zijn met hen, die de overwinning hebben behaald op de Satan, en die door Gods genade een volmaakt karakter hebben ontwikkeld. Elke zondige neiging, elke onvolmaaktheid, waar ze hier mee te kampen hebben, is weggenomen door het bloed van Christus, en zij ontvangen de schitterende uitnemendheid van Zijn heerlijkheid, die de zon in helderheid overtreft. En de schoonheid en de volmaaktheid van Christus’ karakter, die deze uitwendige schittering te boven gaat, schijnt door hen heen. Zij staan voor de grote, witte troon, zonder enige fout, en delen in de waardigheid en in de voorrechten van de engelen.
‘Wat zal een man geven in ruil voor zijn ziel’ (Matthéüs 16:26), als men kijkt naar deze heerlijke erfenis? Men mag arm zijn, maar toch kan men een rijkdom en een waardigheid bezitten, die de wereld nooit geven kan. Niets heeft groter waarde dan een mens, die verlost is van zonde, is gereinigd, en die al zijn krachten gewijd heeft aan de dienst van God. Er is vreugde in de hemel, bij God en bij heilige engelen over elke verloste, een vreugde die uitdrukking vindt in liederen van heilige overwinning.” –Schreden naar Christus, blz. 155-156.
1. Wat zijn de gevolgen van misleidende communicatie?
2. Welke uitwerking heeft oneerlijkheid op degene, die bedriegt?
3. Hoe behandelen christelijke rentmeesters anderen in hun financiële transacties?
4. Wie is de financiële raadgever van de christelijke rentmeester?
5. Wat moet ons herinneren aan de tijdelijke aard van materiële rijkdom?