Tekst om te onthouden: “De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet, al zijn gedachten zijn, dat er geen God is”
Psalm 10:4
“Laat uw geest worden gereinigd van alle aardsheid, alle onheilige, liefdeloze gedachten. Laat uw woorden rein, geheiligd, verlevendigend en verkwikkend zijn voor allen, met wie u omgaat. Laat u niet snel uitdagen.” –Our High Calling, blz. 174.
Aanvullende studie :: -Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 707-709
A. Wat moet onze houding ten opzichte van iedereen kenmerken, en wat kan ons helpen zo’n houding beginselvast vast te houden?
1 Thessalonicensen 5:14-15,
1 Thessalonicensen 5:23;
1 Korinthe 9:25.
B. Hoe wordt vooruitgang gezien in het leven van de christelijke rentmeester, en op welke manier wordt dit bereikt?
Kolossensen 3:8-10,
Kolossensen 3:13;
Jakobus 3:17-18.
“Als u kleine moeilijkheden moet dragen, die lastig lijken, denk dan aan Jezus, de dierbare Verlosser, hoe Hij leed en volhardde om zondige stervelingen te redden.” – Manuscript Releases, vol. 3, blz. 124.
“U wordt verkeerd begrepen. Laat de fouten, waarvan u denkt, dat ze bestaan, bij God. Laat u gemakkelijk smeken en laat u niet gemakkelijk uitdagen. Spreek geen boze woorden vanwege iets, dat u hebt gehoord. Dit schaadt uw invloed. Moge de genade van God u helpen om geduld te hebben.” – Manuscript Releases, vol. 19, blz. 149.
“Wij moeten liefde koesteren, niet dat wat ten onrechte liefdadigheid wordt genoemd, wat ons ertoe zou brengen de zonde lief te hebben en zondaars te koesteren, maar Bijbelse liefdadigheid en Bijbelse wijsheid, die eerst zuiver is, dan vreedzaam, gemakkelijk gesmeekt te worden, vol van barmhartigheid en goede vruchten.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 558.
A. Welke principes moeten worden gecombineerd in de opvoeding van onze kinderen?
Psalm 85:11.
“Ongehoorzaamheid en opstandigheid moeten bestraft worden; maar bedenk, dat de straf gegeven moet worden in de geest van Christus. Eis gehoorzaamheid, nooit met een reeks van boze woorden, maar vastberaden en vriendelijk. En als er een beroep op u wordt gedaan om uw kind tot de orde te roepen, denk dan aan uw eigen verbinding met uw hemelse Vader. Hebt u volmaakt voor Hem gewandeld? Bent u niet eigenzinnig en ongehoorzaam? Bedroeft u Hem niet voortdurend? Maar behandelt Hij u boos? Bedenk ook, dat het van u is, dat uw kinderen hun neiging tot onrecht hebben ontvangen. Bedenk, hoe vaak u zich als volwassen kinderen gedraagt. Ondanks uw jarenlange christelijke ervaring, ondanks uw vele mogelijkheden tot zelfdiscipline, hoe gemakkelijk wordt u tot woede geprikkeld. Ga dus voorzichtig om met uw kinderen en bedenk, dat zij niet de kansen hebben gehad, die u hebt gehad om zelfbeheersing te krijgen.” –The Review and Herald, 8 juli 1902.
B. Welke manier van handelen geeft geloofwaardigheid en leven aan onze zendingsinspanningen in de gemeenschap?
Lukas 6:28-30.
“Wees voorzichtig in al onze omgang met ongelovigen, zodat zij geen aanleiding hebben om uw geloof verkeerd te beoordelen, of om de zaak van de waarheid, die u bepleit, af te keuren. Velen sluiten de weg af door hun eigen manier van handelen. Er is enige misvatting van hun kant. Zij worden gemakkelijk uitgedaagd. Er doen zich kleine moeilijkheden voor in de handel of in een andere tijdelijke aangelegenheid, die hen ertoe brengen te denken, dat zij zichzelf verkeerd beoordelen, of door hun naasten verkeerd worden beoordeeld. Deze dingen mogen kilheid of een slecht gevoel veroorzaken, en zo de toegangsdeur sluiten voor degenen, die door de waarheid bereikt zouden kunnen worden. Wij moeten nooit toestaan, dat zaken van tijdelijk belang onze liefde voor zielen uitblussen. Broeders en zusters, wees bij alle gelegenheden vriendelijk en hoffelijk. Wees nooit scherp, kritisch of veeleisend in uw handelwijze. Als er enig voordeel te behalen valt, geef dat dan aan uw naaste, die u verplicht bent lief te hebben als uzelf. Kijk met het geduld en de liefde van Jezus uit naar gelegenheden om hem goed te doen. Laat hem zien, dat de godsdienst, die wij belijden, de wegen van de ziel niet afsluit of bevriest, waardoor wij onsympathiek en veeleisend worden.” –The Review and Herald, 22 mei 1888.
A. Hoe beïnvloedt bitterheid jegens onze broeders of zusters onze positie voor de wereld?
Hebreeën 12:15.
“’Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander’ (Johannes 13:34-35). Deze woorden zijn niet de woorden van een mens, maar de woorden van onze Verlosser; en hoe belangrijk is het, dat wij de aanwijzingen uitvoeren, die Hij heeft gegeven! Er is niets, dat de invloed van de gemeente zo kan verzwakken als het gebrek aan liefde. Christus zegt: ‘Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; weest dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven’ (Matthéüs 10:16). Als wij tegenstand moeten ondervinden van onze vijanden, die worden voorgesteld als wolven, laten wij dan voorzichtig zijn, dat wij niet dezelfde geest onder onszelf laten zien. De vijand weet heel goed, dat als wij geen liefde voor elkaar hebben, hij zijn doel kan bereiken en de gemeente kan verwonden en verzwakken door verschillen onder broeders en zusters te veroorzaken. Hij kan hen ertoe brengen kwaad te vermoeden, kwaad te spreken, elkaar te beschuldigen, te veroordelen en te haten. Op deze manier wordt de zaak van God te schande gemaakt, wordt de naam van Christus gesmaad en wordt onnoemelijk veel schade aan de zielen van mensen toegebracht.” –The Review and Herald, 5 juni 1888.
B. Wat zal er gebeuren, als wij dagelijks liefdadigheid ontwikkelen?
Matthéüs 12:35 (eerste deel);
Kolossensen 3:12-15.
“Als u liefde in uw hart hebt, zult u proberen uw broeder in het allerheiligste geloof te vestigen en op te bouwen. Als een woord is gevallen, dat schadelijk is voor het karakter van uw vriend of broeder, moedig dit kwaadspreken dan niet aan. Het is het werk van de vijand. Herinner de spreker er vriendelijk aan, dat het woord van God dat soort gesprekken verbiedt. Wij moeten het hart ontledigen van alles, wat de zielentempel verontreinigt, zodat Christus erin kan wonen. Onze Verlosser heeft ons verteld, hoe wij Hem aan de wereld kunnen openbaren. Als wij Zijn Geest koesteren, als wij Zijn liefde aan anderen tonen, als wij elkaars belangen bewaken, als wij vriendelijk, geduldig en verdraagzaam zijn, zal de wereld een bewijs hebben door de vruchten, die wij dragen, dat wij kinderen van God zijn. Het is de eenheid in de gemeente, die haar in staat stelt een bewuste invloed uit te oefenen op ongelovigen en wereldlingen.” –The Review and Herald, 5 juni 1888.
A. Noem een kwaad, dat algemeen in de gemeente wordt aangetroffen.
Leviticus 19:16 (eerste deel);
Jeremia 20:10;
Spreuken 16:17-20.
“Wisselende geruchten zijn vaak de vernietigers van de eenheid onder broeders en zusters. Er zijn sommigen, die met open geest en oren uitkijken om een vliegend schandaal op te vangen. Zij verzamelen kleine voorvallen, die op zichzelf misschien onbeduidend zijn, maar die worden herhaald en overdreven, totdat iemand voor één woord een overtreder wordt genoemd. Hun motto lijkt te zijn: ‘vertel het en wij zullen het verder vertellen’. Deze verhaaldoorgevers doen het werk van de duivel met verrassende trouw, weinig beseffend, hoe beledigend hun handelwijze voor God is. Als zij de helft van de energie en ijver, die aan dit onheilige werk wordt besteed, zouden besteden aan het onderzoeken van hun eigen hart, zouden zij zoveel vinden te doen om hun ziel te reinigen van onreinheid, dat zij geen tijd of neiging zouden hebben om hun broeders en zusters te bekritiseren, en zij zouden niet onder de macht van deze verleiding vallen. De deur van de geest moet gesloten zijn voor ‘ze zeggen’ of ‘ik heb gehoord’. Waarom zullen we niet, in plaats van toe te laten, dat jaloezie of kwade veronderstellingen in ons hart komen, naar onze broeders en zusters gaan, en, nadat wij hen eerlijk maar vriendelijk de dingen voorgehouden hebben, die wij hebben gehoord, die schadelijk zijn voor hun karakter en invloed, met en voor hen bidden?” –The Review and Herald, 3 juni 1884.
B. Hoe kunnen wij ontsnappen aan de gewoonte van roddelen?
Spreuken 14:15;
Spreuken 25:9-10.
C. Als wij ontdekken, dat een broeder of zuster inderdaad iets verkeerds heeft begaan, wat is dan onze persoonlijke plicht?
Galaten 6:1;
Jakobus 5:19-20.
“Als wij fouten in anderen zien, laten wij dan bedenken, dat wij fouten hebben, die misschien groter zijn in de ogen van God dan de fout, die wij in onze broeder veroordelen. Vraag God, in plaats van zijn gebreken te openbaren, om hem te zegenen en hem te helpen zijn fout te overwinnen. Christus zal deze geest en daad goedkeuren, en zal voor u de weg openen om een woord van wijsheid te spreken, dat kracht en hulp zal schenken aan hem, die zwak is in het geloof.” .” –The Review and Herald, 5 juni 1888.
A. Welke veranderingen zien wij, als wij niet gemakkelijk worden uitgedaagd en geen kwaad denken (
1 Korinthe 13:5
)? Efeze 4:23-25; 5:9-12.
“De persoon, die de kostbare plant van de liefde verzorgt, zal een zichzelf verloochenende geest hebben en zal zijn zelfbeheersing niet verliezen, zelfs niet onder provocerende omstandigheden. Hij zal anderen geen verkeerde motieven en bedoelingen toeschrijven, maar zal diep bewogen zijn, wanneer hij, bij wie van de discipelen van Christus dan ook, een zonde ontdekt.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 104.
“Liefde is niet achterdochtig; ze plaatst altijd de motieven en daden van anderen in het gunstigste licht. Liefde zal niet onnodig de fouten van anderen aan het licht brengen. Ze luistert niet gretig naar ongunstige verhalen over iemand, maar herinnert liever aan sommige van de goede eigenschappen van degene, die belasterd wordt.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 140.
B. Hoe kan de wereld in ons leven een dagelijkse groei in Christus zien?
Titus 2:7-8,
Titus 2:11-14.
“Laat ieder zich afvragen: Bezit ik de gave van de liefde? Heb ik geleerd om verdraagzaam en vriendelijk te zijn? Talenten, geleerdheid en welsprekendheid zullen zonder dit hemelse kenmerk even betekenisloos zijn als schallend koper of een rinkelende cimbaal.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 140.
“Hoewel wij degenen, die de bittere vijanden van Christus zijn, niet kunnen liefhebben en met hen kunnen omgaan, moeten wij die geest van zachtmoedigheid en liefde ontwikkelen, die onze Meester kenmerkte, een liefde die geen kwaad denkt en niet gemakkelijk wordt uitgedaagd.” –The Review and Herald, 3 juni, 1884.
1. Beschrijf de reformatie, die in Kolossensen 3:8-10, 13 wordt aangehaald.
2. Hoe kunnen wij Christus in tijdelijke zaken beter vertegenwoordigen?
3. Hoe kunnen wij het algemene probleem, waarmee veel gemeenten te kampen hebben, overwinnen?
4. Wat is er mis met “ze zeggen” en “ik heb gehoord”?
5. Beschrijf enkele manieren, waarop het rentmeesterschap van Gods liefde ten behoeve van anderen kan worden getoond.