Tekst om te onthouden: “Weest niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld… De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet”
Romeinen 13:8
“Het doet er niet toe, hoe streng de belijdenis moge luiden: hij wiens hart niet is vervuld van de liefde voor God en voor zijn medemens, is geen ware discipel van Christus.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 236.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 236-237.
A. Hoe werd Christus ondervraagd door een wetgeleerde en waarom?
Matthéüs 22:36.
“De Farizeeën hadden de eerste vier geboden, die wijzen op de plicht van de mens jegens zijn Maker, verheven, alsof deze van veel meer belang zouden zijn dan de andere zes, die de plicht van de mens jegens zijn medemensen beschrijven. Als gevolg daarvan schoten zij veel tekort in praktische godsvrucht. Jezus had de mensen hun grote gebrek laten zien en had de noodzaak van goede werken geleerd door te verklaren, dat de boom aan zijn vruchten wordt gekend. Hierom had men Hem ervan beschuldigd, dat Hij de laatste zes geboden stelde boven de eerste vier.” –De Wens der Eeuwen, blz. 527.
B. Hoe vatte Christus de beginselen van de wet samen?
Matthéüs 22:37-40.
“De eerste vier van de tien geboden worden samengevat in het ene grote voorschrift: ‘Gij zult de Heere, uw God, liefhebben met geheel uw hart’. De laatste zes worden samengevat in het andere: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Deze beide geboden zijn een uitdrukking van het beginsel der liefde. Men kan niet het eerste houden en het tweede breken, noch kan men het tweede houden, terwijl het eerste wordt verbroken. Wanneer God Zijn rechtmatige plaats inneemt op de troon van het hart, zal de juiste plaats aan de naaste worden gegeven. Wij zullen hem liefhebben als onszelf. En alleen, wanneer wij God liefhebben boven alles, is het mogelijk onze naaste onpartijdig lief te hebben.” –De Wens der Eeuwen, blz. 528.
A. Hoe legt Paulus uit, hoe wij de wet vervullen?
Romeinen 13:8-10.
“Gerechtigheid is heiligheid, gelijkheid aan God; en ‘God is liefde’ (1 Johannes 4:16). Het is in overeenstemming met de wet van God; want ‘al Uw geboden zijn gerechtigheid’ (Psalm 119:172), (en ‘liefde is de vervulling der wet’ Romeinen 13:10). Gerechtigheid is liefde, en liefde is het licht en leven van God. De gerechtigheid van God is belichaamd in Christus. Wij ontvangen gerechtigheid door Hem aan te nemen.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 23.
B. Hoe kunnen wij echte liefde bezitten?
1 Johannes 4:19.
“Zij, die nimmer de tedere, winnende liefde van Christus hebben ervaren, kunnen anderen nooit tot de levensfontein voeren. Zijn liefde in het hart is een dringende macht, die mensen ertoe brengt om Hem in hun omgang met anderen te openbaren in de tedere, medelijdende geest, door vreugde te brengen in het leven van hen, met wie ze omgaan. Christelijke arbeiders, die vrucht willen zien op hun arbeid, moeten Christus kennen. En om Hem te kennen, moeten ze Zijn liefde kennen. In de hemel wordt bekwaamheid afgemeten naar hun geschiktheid om lief te hebben, zoals Christus liefhad, en te werken zoals Hij werkte.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 402.
C. Wat is de goddelijke belofte in het nieuwe verbond?
Hebreeën 8:10-12.
Wanneer is Gods wet in ons hart geschreven?
Romeinen 5:1,
Romeinen 5:5.
“Het aannemen van Christus geeft waarde aan de mens. Zijn offer brengt leven en licht voor allen, die Christus aannemen als hun persoonlijke Verlosser. De liefde van God wordt door Jezus Christus uitgestort in het hart van elk lid van Zijn lichaam en draagt de levenskracht van de wet van God de Vader met zich mee. Zo kan God bij de mens wonen en kan de mens bij God wonen.” –Selected Messages 1, blz. 299-300.
“In het nieuwe en betere verbond heeft Christus de wet vervuld voor de overtreders van de wet, als zij Hem door geloof aannemen als een persoonlijke Verlosser…
Barmhartigheid en vergeving zijn de beloning van allen, die tot Christus komen en op Zijn verdiensten vertrouwen om hun zonden weg te nemen. In het betere verbond worden wij gereinigd van zonde door het bloed van Christus.” –That I May Know Him, blz. 299.
A. Hoe verklaart Paulus het allerhoogste belang van goddelijke liefde in ons hart?
1 Korinthe 13:1-3.
“Het doet er niet toe, hoe streng de belijdenis moge luiden: hij wiens hart niet is vervuld van de liefde voor God en voor zijn medemens, is geen ware discipel van Christus. Al zou hij een groot geloof bezitten, en zelfs macht hebben om wonderen te doen, toch is zijn geloof zonder liefde waardeloos. Hij mag grote vrijgevigheid aan de dag leggen; maar al zou hij, gedreven door enig ander motief dan oprechte liefde, al zijn bezittingen geven om de hongerigen te voeden, dan zou deze daad hem niet in de gunst van God aanbevelen. Hij kan in zijn ijver zelfs een martelaarsdood sterven, maar als hij niet door liefde wordt gedreven, zou hij door God als een misleide dweper of als een eerzuchtige huichelaar worden beschouwd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 236-237.
B. Welke kenmerken past Paulus toe op liefde?
1 Korinthe 13:4-7.
“De grootste vreugde spruit voort uit de diepste ootmoed. De sterkste en edelste karakters zijn op het fundament van geduld, liefde en onderworpenheid aan Gods wil opgebouwd…
De liefde, overeenkomstig de geest van Christus, kent aan de motieven en daden van anderen de gunstigste verklaring toe. Zij stelt hun fouten niet nodeloos aan de kaak; zij luistert niet begerig naar onaangename mededelingen, maar probeert veeleer de goede eigenschappen van anderen naar voren te brengen.
De liefde ‘is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid. Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij’. Deze liefde ‘vergaat nimmermeer’. Ze kan nimmer haar waarde verliezen; zij is een goddelijke eigenschap. Zij zal door haar bezitter als een kostbare schat door de poorten van de stad Gods gedragen worden.” –Van Jeruzalem naar Rome, blz. 237.
C. Hoe doeltreffend en duurzaam is goddelijke liefde?
1 Korinthe 13:8.
“Hoogste liefde tot God en belangeloze liefde voor elkaar, dit is de grootste gave, die onze hemelse Vader kan schenken. Deze liefde is geen impuls, maar een goddelijk beginsel, een blijvende macht. Het onbekeerde hart kan deze liefde niet voortbrengen. Ze is alleen te vinden in het hart, waar Jezus heerst.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 402.
A. Welke vraag stelde Christus aan Petrus, voordat Hij hem in de bediening herstelde?
Johannes 21:15-17.
“Christus noemde aan Petrus slechts één voorwaarde van het dienen: ‘Hebt gij Mij lief?’ Dit is de noodzakelijke eigenschap. Al zou Petrus elke andere hoedanigheid bezitten, zonder de liefde van Christus kon hij geen trouwe herder over de kudde Gods zijn. Kennis, goedheid, welsprekendheid, ijver, dit alles is noodzakelijk voor het goede werk. Maar zonder de liefde van Christus in het hart zal het werk van de dienaar van Christus een fiasco zijn.
De liefde van Christus is niet zo maar een gevoel, maar een levend beginsel, dat geopenbaard moet zijn als een aanwezige kracht in het hart. Als het karakter en het gedrag van de herder uiting geeft aan de waarheid, die hij voorstaat, zal de Heere het zegel van Zijn goedkeuring plaatsen op het werk. De herder en zijn kudde zullen één worden, verenigd door hun gemeenschappelijke hoop in Christus.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 377.
B. Waarom herhaalde Christus dezelfde vraag drie keer aan Petrus?
Johannes 13:36-38;
Johannes 18:17,
Johannes 18:25-27.
“Driemaal had Petrus openlijk zijn Heere verloochend, en driemaal dreef Jezus hem ertoe, zijn liefde en trouw te verzekeren, door aan te dringen met die scherpe vraag, die als een met weerhaken voorziene pijl zijn gewonde hart raakte. Voor de discipelen, die daar samen waren, openbaarde Jezus de diepte van Petrus’ berouw, en toonde Hij aan, hoe volkomen vernederd de eens zo zelfverzekerde discipel was.
Petrus was van nature vooruitstrevend en impulsief, en Satan had van deze eigenschappen misbruik gemaakt om hem ten val te brengen. Juist voor de val van Petrus had Jezus tot hem gezegd: ‘De Satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen’ (Lukas 22:31-32). Die tijd was nu gekomen, en de ommekeer in Petrus was duidelijk. De diepgaande, toetsende vragen van de Heiland hadden hem geen enkel vrijpostig, zelfvoldaan antwoord ontlokt; en door zijn vernedering en berouw was Petrus beter dan ooit toegerust om als herder van de kudde op te treden…
Voor zijn val sprak Petrus altijd ondoordacht, zoals zijn gevoel het hem op dat ogenblik ingaf. Hij stond altijd klaar om anderen te verbeteren en zijn mening te uiten, vooraleer hij een helder begrip had van zichzelf of van hetgeen hij wilde zeggen. Maar de bekeerde Petrus was geheel anders. Hij behield zijn vroegere geestdrift, maar de genade van Christus temperde zijn voortvarendheid.” –De Wens der Eeuwen, blz. 712-713.
A. Hoewel onzelfzuchtige liefde eeuwig is zoals God, waarom werd er dan naar verwezen als “nieuw”?
Johannes 13:34.
“In deze laatste bijeenkomst met Zijn discipelen was het grote verlangen, waaraan Christus uitdrukking gaf, dat ze elkander zouden liefhebben, gelijk Hij hen lief had. Steeds weer sprak Hij hierover… Voor de discipelen was dit gebod nieuw; want zij hadden elkander niet liefgehad, zoals Christus hen lief had. Hij zag, dat nieuwe ideeën en gevoelens hen moesten gaan beheersen; dat nieuwe beginselen door hen in praktijk moesten worden gebracht; door Zijn leven en dood zouden zij een nieuwe opvatting omtrent liefde krijgen. Het gebod elkander lief te hebben had een nieuwe betekenis in het licht van Zijn zelfopoffering. Het gehele werk der genade is één voortdurende dienst van liefde en zelfverloochende, zelfopofferende inspanning. Gedurende ieder uur van Christus’ verblijf op aarde stroomde de liefde van God uit Hem voort met onweerstaanbare kracht. Allen, die met Zijn Geest zijn aangedaan, zullen liefhebben, zoals Hij liefhad. Het beginsel, dat Christus bewoog, zal ook hen bewegen bij alles, wat zij voor en met elkaar doen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 594-595.
B. Wat zal het gevolg zijn van deze liefde, die in de gemeente wordt getoond?
Matthéüs 24:14.
“Christus heeft aan de gemeenten een heilige taak gegeven. Elk lid moet een kanaal zijn, waardoor God aan de wereld de schatten van Zijn genade, de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, kan mededelen. De Heiland verlangt niets liever dan vertegenwoordigers te vinden, die aan de wereld Zijn geest en Zijn karakter willen bekend maken. Er is niets, dat de wereld meer nodig heeft dan de openbaring van de liefde van de Heiland door de mens. Heel de hemel wacht op mannen en vrouwen, waardoor God de macht van het christendom kan bekendmaken.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 436.
1. Wat leert de tweede stenen tafel in de Tien Geboden ons?
2. Waarom kan ik mij verheugen in het goede nieuws van het nieuwe verbond?
3. Met welke kenmerken van liefde moet ik vollediger vervuld zijn?
4. Welke belangrijke eigenschap wilde Jezus, dat Petrus in zijn bediening bezat?
5. Wat zal er met mij gebeuren, als ik vervuld ben met de Geest van Christus?