Tekst om te onthouden: “En al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zijn geschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der wereld gekomen zijn”
1 Korintiërs 10:11
“Nu gebruikt Satan dezelfde vindingrijkheid om hetzelfde kwaad te introduceren, en zijn inspanningen worden gevolgd door dezelfde gevolgen, die in de dagen van Israël zo velen in hun graf legden.” –The Review and Herald, 4 februari 1909.
Aanvullende studie :: -1 Korinthe 10:1-11;; -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 234-236.
A. Naar welke kwade dingen (
1 Korinthe 10:6
) verlangden de Israëlieten?
“Toen God de kinderen van Israël uit Egypte leidde, was het Zijn doel om hen in het land Kanaän te vormen tot een zuiver, gelukkig en gezond volk… Hij ontnam hun grotendeels vlees als voedsel. Hij had hun vlees toegestaan in antwoord op hun geroep, vlak voordat zij de Sinaï bereikten, maar er werd slechts voor één dag in voorzien. God had net zo gemakkelijk vlees kunnen geven als manna, maar het volk kreeg hierin hun ten goede een beperking opgelegd. Het was Zijn bedoeling om hun voedsel te verschaffen, dat beter voor hun behoeften geschikt was dan het koortsverwekkende dieet, waaraan velen van hen in Egypte gewend waren geweest. Hun ontaarde eetlust moest in een gezondere staat worden gebracht, zodat zij het oorspronkelijk aan de mens gegeven dieet, de vruchten van de aarde, die God in Eden aan Adam en Eva had gegeven, zouden gaan genieten.” –Adviezen over Dieet en Voeding, blz. 326-327.
B. Wat was het snelle gevolg van onmatigheid?
Numeri 11:4,
Numeri 11:20,
Numeri 11:31-34.
“Hun opstandige wensen werden bevredigd, maar ze moesten lijden onder de gevolgen. Ze aten zonder zich te beperken, en al spoedig kwam de straf op hun vraatzucht. Velen lagen neer met hoge koortsen, en de voornaamste schuldigen werden gedood, terwijl ze het voedsel dat ze geëist hadden, nog aten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 345.
A. Aan welke vernederende afvalligheid nam Israël bij de Sinaï deel?
Exodus 32:1-6.
“Onder het voorwendsel van het houden van ‘een feest voor de Here’ gaven ze zich over aan vraatzucht en losbandigheid…
Er waren nog maar weinige dagen verlopen sedert de Hebreeën met God een plechtige overeenkomst hadden gesloten om te luisteren naar Zijn stem. Bevend hadden ze gestaan voor de berg Sinaï, terwijl ze luisterden naar de woorden des Heren: ,’Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben’. De heerlijkheid van God hing nog boven de berg ten aanschouwen van heel het volk; maar ze wendden zich af en vroegen naar andere goden. ‘Zij maakten een kalf bij Horeb en bogen zich neer voor een gegoten beeld; ze verruilden hun Eer tegen het beeld van een rund’ (Psalm 106:19-20). Het was niet mogelijk groter ondankbaarheid te tonen of zwaarder beledeging te uiten jegens Hem, die Zich jegens hen een liefderijk Vader en almachtig Koning had betoond.” –Patriarchen en Profeten, blz. 282.
B. Hoe kunnen wij in deze tijd het gevaar lopen bij afgoderij betrokken te raken, ook zonder gesneden beelden?
Exodus 20:3-6;
1 Johannes 5:21.
“Jehova, de Eeuwige, in Zichzelf Bestaande, de Ongeschapene, de Bron en Onderhouder van alles, heeft alleen recht op volkomen eerbied en aanbidding. De mens mag geen enkel ander voorwerp de eerste plaats geven in zijn genegenheid of in zijn dienen. Alles wat door ons gekoesterd wordt en de neiging heeft onze liefde tot God te verminderen of wat hindert, dat we Hem de dienst bewijzen, waarop Hij recht heeft, van dat alles maken we een god.” –Patriarchen en Profeten, blz. 270.
“Mensen hebben zo lang menselijke meningen en instellingen vereerd, dat bijna de hele wereld de afgoden volgt.” –Profeten en Koningen, blz. 116.
“Telkens als u weigert te luisteren naar de genadeboodschap, sterkt u uw ongeloof. Telkens als u weigert uw hart voor Christus open te stellen, wordt u minder bereidwillig om te luisteren naar de stem van Hem, die spreekt. U vermindert uw kans om gehoor te geven aan de laatste oproep van genade. Laat van u niet worden gezegd, zoals dat het geval was met het oude Israël: ‘Verknocht aan beelden is Efraïm. Laat hem geworden’ (Hoséa 4:17). Laat Christus niet over u wenen, zoals Hij geweend heeft over Jeruzalem, toen Hij zei: ‘Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels, en gij hebt niet gewild! Zie, uw huis wordt aan u overgelaten’ (Lukas 13:34-35).” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 141.
A. Welke morele ramp verstrikte Israël in Baäl-Peor?
Numeri 25:1-9.
“Op advies van Bileam werd een groot feest ter ere van hun goden voorbereid door de koning van Moab, en stilletjes werd overlegd, dat Bileam de Israëlieten zou overhalen hieraan deel te nemen. Ze beschouwden hem als een profeet van God, en daarom was het voor hem niet moeilijk zijn plannen ten uitvoer te brengen. Velen uit het volk schaarden zich bij hem in het gadeslaan van de feestelijkheden. Ze waagden zich op verboden terrein, en raakten in Satans strikken. Bekoord door de muziek en de dansen, door de schoonheid der heidense meisjes, lieten ze hun trouw aan Jehova los. Terwijl ze deelnamen aan feestvieren en aan vermaak, benevelde de wijn hun zinnen en verloren ze tenslotte hun zelfbeheersing. Ze vierden hun hartstochten bot; en toen hun geweten bedorven was door hun gedrag, werden ze ertoe gebracht zich te buigen voor de afgoden. Ze brachten offeranden op de heidense altaren en namen deel aan de verlagende plechtigheden.” –Patriachen en Profeten, blz. 411.
B. Hoe werkt Satan, terwijl wij het hemelse Kanaän naderen, op soortgelijke manieren om Gods volk te vernietigen?
1 Korinthe 10:11-13.
“Satan kent het menselijk hart. Hij kent de punten, die gemakkelijk overwonnen kunnen worden, omdat hij deze gedurende duizenden jaren met duivelse sluwheid bestudeerd heeft, en in opeenvolgende geslachten heeft hij zijn best gedaan om de krachtigste mannen, vorsten in Israël, te verleiden door dezelfde verleidingen, waarmee hij te Baäl-Peor succes heeft gehad. Door de eeuwen heen liggen de wrakstukken van hen, die gestrand zijn op de rotsen van zinnelijke lusten. Naarmate we het einde naderen, en Gods volk zich aan de grens van het hemelse Kanaän bevindt, zal Satan evenals vroeger zijn inspanningen verdubbelen om te verhinderen, dat ze dat goede land zullen binnengaan. Hij zet zijn strikken voor iedere ziel. Niet alleen de onwetenden en ongeleerden moeten op hun hoede zijn; hij zal ook hen verzoeken, die een vooraanstaande plaats bekleden en het heiligste ambt vervullen; als hij hen ertoe kan brengen hun ziel te verontreinigen, kan hij tal van anderen door hen verderven. En hij gebruikt dezelfde middelen als drieduizend jaar geleden. Door wereldse vriendschap, door bekoorlijkheid der schoonheid, door het najagen van genot, feestvieren, vrolijkheid en de beker, tracht hij hen ertoe te brengen het zevende gebod te overtreden.” –Patriarchen en Profeten, blz.414.
A. Welke zonde kwam veelvuldig voor tijdens de reis van Israël, en hoe werd die bestraft?
1 Korinthe 10:10;
Exodus 16:8;
Numeri 14:27,
Numeri 14:36;
Numeri 11:1.
“Morren en opstanden hadden menigmaal plaatsgevonden tijdens de reis van de Rode Zee naar de Sinaï, maar uit medelijden met hun onwetendheid en blindheid had God hen toen niet bezocht met Zijn oordelen. Maar sinds die tijd had Hij Zich op Horeb aan hen geopenbaard. Ze hadden groot licht ontvangen, toen ze de majesteit, de macht en de barmhartigheid van God hadden aanschouwd; en hun ongeloof en ontevredenheid maakte hun schuld des te groter. Meer nog, ze hadden beloofd Jehova als hun Koning te aanvaarden en zich te onderwerpen aan Zijn gezag. Hun morren was nu opstand, en als zodanig moest het direct en duidelijk bestraft worden, zodat Israël gespaard zou blijven voor anarchie en ondergang. ‘Het vuur des Heren ontbrandde onder hen en woedde aan de rand van de legerplaats’. De grootste schuldigen onder de klagers werden door de bliksem vanuit de wolk gedood.” –Patriarchen en Profeten, blz. 342-343.
B. Waarom waren de meeste Israëlieten, die Egypte verlieten, niet in staat om het beloofde land binnen te gaan, en waarom reist Gods volk tegenwoordig zo lang in deze goddeloze wereld?
Hebreeën 3:16-19; 4:1-2.
“Veertig jaar sloten ongeloof, gemopper en opstand het oude Israël uit het land Kanaän. Dezelfde zonden hebben de intrede van het moderne Israël in het hemelse Kanaän vertraagd. In geen van beide gevallen waren de beloften van God fout. Het is het ongeloof, de wereldsgezindheid, het niet toegewijd zijn en de strijd onder de belijdende mensen van de Heer, die ons zoveel jaren in deze wereld van zonde en verdriet hebben gehouden.” –Evangelism, blz. 696.
C. Wat is de wortel van morren, en hoe kunnen wij dit overwinnen?
Romeinen 11:20.
“Gelijk wierook moest de aangename geur van het evangelie over de gehele wereld worden verspreid. Voor hen, die Christus zouden aannemen, zou de boodschap een levensgeur ten leven zijn; maar voor hen, die in ongeloof zouden volharden, een doodsgeur ten dode.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 242.
A. Beschrijf de sleutel tot de overwinning, ondanks de uitdagingen waarmee wij worden geconfronteerd.
Openbaring 12:17;
1 Korinthe 15:57.
“Het evangelie, dat gepredikt zal worden aan alle naties, geslachten, talen en volken, brengt de waarheid op duidelijke wijze en laat zien, dat gehoorzaamheid de voorwaarde is om eeuwig leven te verkrijgen. Christus rekent Zijn gerechtigheid hen toe, die ermee instemmen, dat Hij hun zonden wegneemt. Wij zijn schuldenaars van Christus voor de genade, die ons in Hem volkomen maakt.” —Bijbelkommentaar, blz. 662-663.
“Ondanks de gebreken van Gods volk wendt Christus zich niet af van de voorwerpen van Zijn zorg. Hij heeft de macht hun kleren te veranderen. Hij neemt de vuile kleren weg en bekleedt de berouwvolle gelovigen met Zijn eigen kleed van gerechtigheid, terwijl Hij vergeving schrijft achter hun namen in het boek des hemels. Hij belijdt hen als de Zijnen ten aanschouwe van het hemels universum. Hun aanklager, Satan, wordt geopenbaard als aanklager en bedrieger. God zal Zijn uitverkorenen recht verschaffen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 100.
B. Welke hoofdkenmerken identificeren Gods volk?
Openbaring 14:12;
Openbaring 15:2.
“In de kwestie van de strijd zal de hele christenheid worden verdeeld in twee grote klassen, zij die de geboden van God en het geloof van Jezus bewaren, en zij die het beest en zijn beeld aanbidden en zijn merkteken ontvangen. Hoewel kerk en staat hun macht zullen verenigen om allen, ‘kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten’, te dwingen het merkteken van het beest te ontvangen, toch zal het volk van God het niet ontvangen. Openbaring 13:16.” –Counsels for the Church, blz. 39-40.
1. Verklaar een groot probleem, dat de Israëlieten in de woestijn hadden.
2. Noem enkele manieren, waarop afgoderij tegenwoordig wordt beoefend.
3. Hoe zou Satan ons proberen te verstrikken zoals in Baäl-Peor?
4. Wat moet ik doen om de neiging tot morren te overwinnen?
5. Hoe kan ik zegevieren in de laatste strijd?
“Het einde van alle dingen is nabij, … De Kaptein van onze redding zegt: ‘Vooruit, de nacht komt, waarin niemand kan werken’.” –My Life Today, blz. 109.
De taak om het eeuwigdurende evangelie met een hele wereld te delen, geplaagd door de Babylonische verwarring, is de roep van dit uur. Het is de heilige plicht van elke persoon, die de drie engelboodschappen aanneemt. Wat een voorrecht is het, maar er moet nog veel worden gedaan.
Op het moment van dit schrijven noemt de Universal Postal Unie 191 landen en de gebieden in hun systeem, en de Verenigde Naties erkennen wereldwijd 195 landen. Hoe veel onder de krioelende menigten van deze aarde hebben nog niet de huidige waarheid ontvangen, die hun ziel kan redden. De apostel herinnert ons eraan: ‘Sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte’. ‘Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Wie zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?’ (1 Korinthe 15:34, Romeinen 10:14). Niemand is toegerust om de waarheid naar heel de wereld te brengen. Maar in de kracht van de Heilige Geest kunnen we allemaal iets doen.
“Aan een ieder, die het evangelie heeft aanvaard, is een heilige waarheid toevertrouwd om deze aan de wereld mee te delen. Gods getrouwe volk bestond steeds uit ondernemende zendelingen, die hun rijkdommen offerden tot eer van Zijn naam, en die hun talenten wijselijk in Zijn dienst besteedden…
Ieder, die Christus heeft aangenomen, is geroepen om voor het heil van zijn medemensen te arbeiden… De opdracht om deze uitnodiging door te geven geldt voor de hele gemeente…
Reeds lang heeft God gewacht, of de geest van het dienen van de gehele gemeente bezit zal nemen, zodat iedereen overeenkomstig zijn bekwaamheden voor Hem zal werken. Wanneer de leden van Gods gemeenten het hun toegemeten werk doen, in vervulling van de evangelieopdracht, in de noodlijdende velden thuis en in den vreemde, zal de gehele wereld spoedig gewaarschuwd zijn en zal de Heere Jezus met grote kracht en heerlijkheid naar deze aarde weerkeren.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 80-83.
Met deze Eerste Sabbatgaven voor Wereld Zendingen van vandaag moge de Heer ons hart bewegen en ons helpen de manier te koesteren om samen te werken in dit prachtige verlossingswerk, door royale gaven.
De Zendingsafdeling van de Generale Conferentie