Tekst om te onthouden: “Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?”
1 Korintiërs 6:3
“De heiligen zullen de wereld oordelen. Moeten zij dan afhankelijk zijn van de wereld en van de advocaten van de wereld om hun moeilijkheden op te lossen? God wil niet, dat zij hun problemen ter beslissing voorleggen aan de onderdanen van de vijand. Laten wij vertrouwen in elkaar hebben.” –Selected Messages 3, blz. 303.
Aanvullende studie :: -Selected Messages 3, blz. 299-305.
A. Wanneer zal het oordeel over de verlorenen plaatsvinden?
Openbaring 20:2,
Openbaring 20:4;
2 Petrus 2:4.
Wie zal hen oordelen?
1 Korinthe 6:2-3.
“Tijdens ‘de duizend jaren’ tussen de eerste en de tweede opstanding vindt het oordeel over de ongelovigen plaats. Volgens de apostel Paulus zal dit oordeel na de wederkomst van Christus plaatshebben. (Zie 1 Korinthe 4:5)… Daniël zegt dat, toen de Oude van Dagen kwam, ‘recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten’. (Daniël 7:22). In die tijd heersen de verlosten als koningen en priesters van God. In de Openbaring zegt Johannes: (Zie Openbaring 20:4, 6)… Tijdens de ‘duizend jaren’ ‘zullen de heiligen de wereld oordelen’, zoals Paulus voorzegde (1 Korinthe 6:2). Samen met Christus zullen ze over de ongelovigen oordelen, door hun daden met het Wetboek, de Bijbel, te vergelijken. Ze zullen over elk geval afzonderlijk recht spreken op grond van de daden van de betrokkenen. Dan wordt de straf, die de ongelovigen moeten krijgen, vastgesteld ‘naardat hun werken zijn’; en naast hun naam in ‘het boek des doods opgetekend.
Christus en Zijn volgelingen oordelen over Satan en zijn boze engelen… Volgens Judas heeft Hij ‘de engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard gehouden’ (Judas 6).” –De Grote Strijd, blz. 609.
A. Waar moeten gemeentelijke problemen worden opgelost?
1 Korinthe 6:4-5.
“De heiligen zullen de wereld oordelen. Moeten zij dan afhankelijk zijn van de wereld en van de advocaten van de wereld om hun moeilijkheden op te lossen? God wil niet, dat zij hun problemen ter beslissing voorleggen aan de onderdanen van de vijand. Laten wij vertrouwen in elkaar hebben.” –Selected Messages 3, blz. 303.
B. Wat gebeurde er in de gemeente van Korinthe, dat een berisping van Paulus uitlokte?
1 Korinthe 6:1-2,
1 Korintiërs 6:6.
Hoe beschouwt de Heer deze praktijk?
“De wereld en niet-bekeerde gemeenteleden staan welwillend tegenover elkaar. Sommigen, wanneer God hen berispt, omdat zij hun eigen weg willen gaan, maken de wereld tot hun vertrouwen en brengen gemeentezaken ter beslissing aan de wereld. Dan is er botsing en strijd, en Christus wordt opnieuw gekruisigd en openlijk beschaamd. Die gemeenteleden, die een beroep doen op de rechtbanken van de wereld, laten zien, dat zij de wereld als hun rechter hebben gekozen, en dat hun namen in de hemel zijn geregistreerd als één met ongelovigen. Hoe gretig grijpt de wereld de verklaringen aan van degenen, die heilig vertrouwen verraden!...
Te steunen op de arm van de wet is een schande voor christenen; toch is dit kwaad binnengebracht en gekoesterd onder het uitverkoren volk van de Heer. Wereldse principes zijn heimelijk ingevoerd, totdat in de praktijk veel van onze arbeiders op de Laodicenzen gaan lijken, halfslachtig, omdat er zoveel afhankelijkheid is geplaatst op advocaten en wettige documenten en overeenkomsten. Zo’n toestand van zaken is weerzinwekkend voor God.” –Selected Messages 3, blz. 302-303.
C. Waar kunnen wij de oplossing voor problemen tussen gemeenteleden vinden?
1 Korinthe 6:7-11;
1 Johannes 1:7,
1 Johannes 1:9;
Spreuken 28:13.
“De voorwaarden, waarop men de genade van God kan ontvangen, zijn eenvoudig, rechtvaardig en redelijk. De Heer verlangt niet van ons, dat we ons pijnigen, als we vergeving van zonden willen ontvangen. We behoeven geen lange, vermoeiende pelgrimstochten te ondernemen, of pijnlijke boetedoeningen te verrichten, om onszelf bij God aan te bevelen om onze overtredingen te niet te doen. ‘Wie zijn zonde belijdt en nalaat’, ontvangt genade.” –Schreden naar Christus, blz. 45.
A. Wat was het belangrijkste doel van onze schepping?
Jesaja 43:7.
“Zelfs nu nog verkondigt al het geschapene de heerlijkheid van Zijn (Gods) majesteit. Niets, behalve het zelfzuchtige hart van de mens, leeft voor zichzelf. Er is geen vogel, die de lucht doorklieft, geen dier dat zich op de aarde beweegt, of het is een ander leven dienen. Elk blad in het bos, elk nederig grassprietje heeft zijn taak. Elke boom, elke struik, elk blad brengt dat levenselement voort zonder welke mens noch dier zou kunnen bestaan; en op hun beurt dienen mens en dier het leven van boom en struik en blad. De bloemen ademen hun geuren uit en ontvouwen hun schoonheid als een zegen voor de wereld. De zon doet haar licht uitstralen om duizend werelden te verblijden. De oceaan, de bron van al onze bronnen en fonteinen, ontvangt de stromen van elk land, doch neemt om te geven. De dampen, die uit de boezem van de oceaan opstijgen, vallen als regen weer neer om de aarde te bevochtigen, opdat zij kan bloeien en vrucht dragen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 10.
B. Hoe beschouwde Paulus het lichaam van de gelovigen?
Romeinen 6:13,
Romeinen 6:15,
Romeinen 6:19-20.
“Van eeuwigheid af was het Gods bedoeling, dat elk geschapen wezen, vanaf de heerlijke, heilige seraf tot de mens toe, een tempel zou zijn, waarin de Schepper zou wonen. Door de zonde was de mensheid niet langer een tempel voor God. Verduisterd en bezoedeld door het boze, openbaarde het hart van de mens niet langer de heerlijkheid van de Goddelijke. Maar door de vleeswording van de Zoon van God is het doel van de Hemel bereikt. God woont in het mensdom, en door de reddende genade wordt het hart van de mens opnieuw Zijn tempel.” –De Wens der Eeuwen, blz. 125.
C. Aangezien wij Gods eigendom zijn, wat moet ieder van ons dan begrijpen met betrekking tot ons eigen lichaam?
1 Korinthe 3:16-17;
1 Korintiërs 10:31.
“Onder inspiratie van de Geest van God schrijft de apostel Paulus: ‘Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods’. Zelfs zo’n gewone handeling dient niet ter bevrediging van een ontaarde eetlust, maar moet met verantwoordelijkheidsbesef geschieden. Wij dienen voor elk onderdeel van ons menszijn te zorgen. Wij moeten ervoor waken, dat hetgeen in onze maag terecht komt, geen hoge en heilige gedachten uit onze geest zal verdrijven.” –Adviezen over Dieet en Voeding, blz. 52.
A. Aangezien ons lichaam de tempel van de Heilige Geest is, wat is dan onze morele verantwoordelijkheid ervoor?
1 Korinthe 6:15-18.
“Elke christen zal moeten leren om zijn driften te beteugelen en zich door een beginsel te moeten laten leiden. Doet hij dat niet, dan is hij de naam van christen niet waard.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 264.
“Een zedelijk beginsel, waaraan men zich strikt houdt, wordt de enige beveiliging van de ziel. Wanneer er ooit een tijd was, dat het dieet zo eenvoudig mogelijk gehouden moet worden, dan is het nu… Hoe minder prikkelend het dieet is, des te gemakkelijker kunnen de passies bedwongen worden. De bevrediging van de smaak moet niet voorop staan zonder rekening te houden met de fysieke, intellectuele en zedelijke gezondheid…
God heeft u een woonstede gegeven om daarvoor te zorgen en die in de beste conditie te bewaren tot Zijn dienst en heerlijkheid. Uw lichamen behoren u niet toe. ‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn’.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 669, 670.
B. Wat is morele reinheid, en hoe kunnen wij deze succesvol in praktijk brengen?
2 Korinthe 7:1;
1 Thessalonicensen 4:3-5.
“Wij moeten veel waarde hechten aan het goed onder controle houden van onze gedachten. Want een dergelijke controle bereidt geest en ziel voor om harmonieus voor de Meester te werken. Voor onze vrede en ons geluk in dit leven is het noodzakelijk, dat onze gedachten in Christus hun middelpunt hebben. Zoals een mens denkt, zo is hij. Onze vooruitgang in morele zuiverheid is afhankelijk van de juiste manier van denken en de juiste manier van handelen…
Kwade gedachten vernietigen de ziel. De bekerende kracht van God verandert het hart, doordat zij de gedachten verfijnt en zuivert. Tenzij men een vastberaden inspanning doet om de gedachten op Christus te concentreren, kan genade zich niet in het leven openbaren. De geest moet de geestelijke strijd aangaan. Elke gedachte moet gevangen genomen worden om die tot gehoorzaamheid aan Christus te brengen. Alle gewoontes moeten onder de controle van God worden gebracht.
Wij moeten voortdurend bewust zijn van de veredelende kracht van zuivere gedachten en van de schadelijke invloed van kwade gedachten. Laten wij onze gedachten op heilige dingen richten. Laat ze zuiver en waar zijn, want de enige veiligheid voor iedere ziel is de juiste manier van denken. Wij moeten alle middelen, die God binnen ons bereik heeft gesteld, gebruiken voor het besturen en ontwikkelen van onze gedachten.” –Geest, Karakter en Persoonlijkheid, blz. 247-248.
A. Hoe illustreerde Paulus de christelijke wedloop?
1 Korinthe 9:25.
“In de hoop de gelovigen te Corinthe te doordringen van de belangrijkheid van sterke zelfbeheersing, strenge gematigdheid, en onverflauwde ijver in de dienst van Christus, maakte Paulus in zijn schrijven aan hen een treffende vergelijking tussen de christelijke strijd en de beroemde wedlopen, die op bepaalde tijden nabij Corinthe werden gehouden. Van alle Griekse en Romeinse spelen waren de wedlopen de oudste en meest gewaardeerde. Ze werden bijgewoond door koningen, edelen en staatslieden. Rijke jongelieden van stand namen eraan deel en deinsden niet terug voor enige inspanning of zelfdiscipline om de prijs te behalen.
De wedstrijden waren gebonden aan strenge voorschriften, waaraan men zich niet kon onttrekken. Degenen, die zich als mededingers naar de prijs wilden laten inschrijven, moesten zich eerst aan strenge, voorbereidende training onderwerpen. Het toegeven aan begeerten, die nadeel veroorzaakten, of aan iets dat de geestelijke of lichamelijke kracht zou doen verminderen, was streng verboden. Iemand, die bij deze kracht- en snelheidsmeting enige hoop op succes koesterde, moest sterk en lenig zijn, en zijn zenuwen goed kunnen beheersen. Iedere beweging moest zeker, iedere stap snel en doelmatig zijn; de lichamelijke krachten moesten aan het hoogste doel beantwoorden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 228.
B. Wat zegt Paulus over, hoe velen de prijs winnen?
1 Korinthe 9:24.
“Niet één, die aan de voorwaarden voldoet, zal aan het einde van de strijd teleurgesteld worden. Niet één, die ernstig en volhardend is, zal zijn doel missen. De wedloop is niet voor de snelsten, noch de strijd voor de sterken. De zwakste mag evengoed als de sterkste heilige de kroon der onsterfelijke heerlijkheid dragen. Allen, die door de kracht van de goddelijke genade hun leven in overeenstemming brengen met de wil van Christus, kunnen overwinnen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 233.
1. Beschrijf het werk van de verlosten gedurende de duizend jaar.
2. Wat kan ik doen om de manier, waarop gemeenteproblemen worden aangepakt, te verbeteren?
3. Hoe kan ik God beter verheerlijken in mijn lichaam?
4. Wat moeten christenen in deze tijd weten over het zevende gebod?
5. Hoe kan ik zegevieren in de strijd voor reinheid?