Tekst om te onthouden: “Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigen, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven”
1 Korintiërs 6:10
“Hoe kan iemand, die de kostbare, plechtige boodschap voor deze tijd heeft, zich overgeven aan onreine gedachten en onheilige daden, als zij weten, dat Hij, die nooit sluimert en nooit slaapt, elke daad ziet en elke gedachte van de geest leest? O, het is, omdat er ongerechtigheid wordt gevonden in Gods belijdende volk, dat Hij zo weinig voor hen kan doen.” –Testimonies to Ministers, blz. 430-431.
Aanvullende studie :: -Lift Him Up, blz. 297.
A. Welk droevig beeld schetst Paulus over de laatste dagen?
2 Timótheüs 3:1-5.
“De ongerechtigheid, die overvloedig is, is niet alleen beperkt tot de ongelovige en de spotter. Zou dat het geval zijn; maar het is het niet. Veel mannen en vrouwen, die de godsdienst van Christus belijden, zijn schuldig. Zelfs sommigen, die beweren naar Zijn verschijning uit te zien, zijn niet beter voorbereid op de gebeurtenis dan Satan zelf. Zij reinigen zich niet van alle vervuiling. Zij hebben zo lang hun begeerte gediend, dat het normaal is dat hun gedachten onzuiver zijn en hun verbeeldingskracht verdorven.” –Counsels on Health, blz. 615.
B. Wie zal door Zijn wonderbaarlijke genade God kunnen zien?
Matthéüs 5:8.
“Maar de woorden van Jezus: ‘Zalig zijn de reinen van hart’, hebben een diepere betekenis, niet slechts rein in de zin zoals de wereld reinheid ziet, vrij van alles, wat zinnelijk is, vrij van hartstochten, maar waar in de verborgen bedoelingen en motieven van de ziel, vrij van trots en zelfzucht, nederig, onzelfzuchtig, kinderlijk.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 28.
A. Hoe berucht was de stad Korinthe met betrekking tot moraliteit?
“In het begin van zijn werkzaamheden in dit centrum van verkeer zag Paulus aan alle zijden ernstige beletselen voor de voortgang van zijn werk. De stad was nagenoeg geheel aan afgodendienst overgeleverd. Venus was de lievelingsgodin. Aan de verering van Venus waren vele zondige gebruiken en ceremoniën verbonden. Zelfs onder de heidenen stonden de Corinthiërs bekend vanwege hun grote zedeloosheid. Hun gedachten schenen niet verder te reiken dan de genoegens en het vertoon van het ogenblik.” – Van Jeruzalem tot Rome, blz. 180
B. Hoe ernstig was de gemeente van Korinthe aangetast door de heidense omgeving?
1 Korinthe 5:1-2.
“Na het vertrek van Paulus deden zich echter ongunstige omstandigheden gelden. Tussen de tarwe vertoonde zich het door de vijand gezaaide onkruid, dat weldra zijn kwade vruchten begon af te werpen. Voor de gemeente te Corinthe was dit een zware tijd van beproeving. De apostel was niet meer bij hen om hun geloofsijver aan te vuren en hen, bij hun pogingen om in overeenstemming met Gods wil te leven, te ondersteunen. Langzamerhand werden velen zorgeloos en onverschillig, en gaven zij zich over aan natuurlijke lusten en neigingen. Hij, die hen zo dikwijls had gemaand om naar hogere idealen van reinheid en oprechtheid te streven, was niet meer bij hen; en niet weinigen, die ten tijde van hun bekering hun slechte gewoonten hadden prijsgegeven, keerden nu naar de onterende zonden van het heidendom terug.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 221.
C. Wat verklaarde de apostel Paulus met betrekking tot de verdorven mens, en hoe presenteerde hij de reden om de openlijke overtreder uit de gemeenschap van de gemeente te verwijderen?
1 Korinthe 5:3-8.
“Paulus had onomwonden aan de gemeente geschreven, en hen voorgehouden dat zij ‘niet moesten omgaan’ met leden, die in de zonden volhardden. Maar veel gelovigen verdraaiden deze woorden van vermaning van de apostel en in hun spitsvondigheid verontschuldigden zij zichzelf, dat zij zijn onderricht hadden veronachtzaamd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 221.
A. Wat is de basisvoorwaarde voor Gods kinderen om vrij te zijn van morele vervuiling?
2 Korinthe 6:14-18.
Hoe kunnen wij tegelijkertijd mensen bereiken met het evangelie van Christus?
“Zo heeft Satan ook nu het meeste succes, wanneer hij de volgelingen van Christus kan overhalen samen te gaan met goddelozen en mee te doen aan hun vermaken, zodat ze voor de zonde bezwijken. ‘Daarom gaat weg uit hun midden, en scheid u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine’ (2 Korinthe 6:17). God eist ook nu nog van Zijn volk hetzelfde onderscheid met de wereld in gedrag, gebruiken en beginselen, als Hij dat eiste van het oude Israël. Als ze getrouw de aanwijzingen in Zijn Woord opvolgen, zal dit verschil bestaan; iets anders is onmogelijk. De waarschuwingen, die aan de Hebreeën gegeven zijn om zich niet te vermengen met de heidenen, zijn niet minder van kracht voor de christenen in deze tijd. Christus zegt: ‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem’ (1 Johannes 2:15). ‘De vriendschap met de wereld is vijandschap tegen God’ (Jakobus 4:4). De volgelingen van Christus moeten zich afscheiden van de zondaars, en hun tegenwoordigheid alleen dan zoeken, als er gelegenheid is hen goed te doen. We kunnen niet te beslist zijn in het schuwen van het gezelschap van hen, wier invloed ons van God kan aftrekken. Als we bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking’, moeten we de verzoeking mijden voor zover dat mogelijk is.” –Patriarchen en Profeten, blz. 415.
B. Wat is de instructie van Paulus met betrekking tot degenen, die in de gemeente in openlijke zonde leven?
1 Korinthe 5:9-13.
“Het voorbeeld van Christus verbiedt mensen uit te sluiten van het Heilig Avondmaal. Het is waar, dat openlijke zonde de schuldige uitsluit. Dit leert de Heilige Geest duidelijk. (1 Korinthe 5:11). Maar daarbuiten mag niemand oordelen. God heeft niet aan de mensen de beslissing overgelaten, wie bij deze gelegenheden aanwezig zullen zijn. Immers, wie kan het hart doorgronden? Wie kan het kaf van het koren onderscheiden? ’Een ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker’. Immers, ’wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren’. ’Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt’. (1 Korinthe 11:28, 27, 29).” –De Wens der Eeuwen, blz. 576.
A. Welke duidelijke instructies worden gegeven met betrekking tot het dwalen?
Spreuken 25:8-9;
Matthéüs 18:15.
“Bij het omgaan met dwalende gemeenteleden moet Gods volk zorgvuldig de instructies volgen, die de Heiland in het achttiende hoofdstuk van Matthéüs heeft gegeven… (Zie Matthéüs 18:15-18). Vertel anderen niet van het verkeerde. De ene persoon wordt het verteld, dan nog een, en nog een; en voortdurend groeit het bericht, en het kwaad neemt toe, totdat de hele gemeente erdoor moet lijden. Regel de zaak ‘tussen u en hem alleen’. Dit is Gods plan…
Duld geen zonde op uw broeder; maar stel hem niet bloot en vergroot zo de moeilijkheid, waardoor de berisping een wraak lijkt. Corrigeer hem op de manier, die in het woord van God wordt beschreven.” –Gospel Workers, blz. 498-499.
“(Zie Matthéüs 18:15). Als u de woorden van Christus negeert en in de vonken van uw eigen aanmaakhout wandelt, zult u falen in het werken aan gerechtigheid en zult u onder de betoverende macht van Satan komen.” –The Review and Herald, 16 augustus 1892.
B. Als, en alleen als, de eerste stap mislukt, wat is dan de volgende stap in het proces om het dwalende lid te herstellen?
Matthéüs 18:16.
“Neem degenen met u mee, die geestelijk gezind zijn, en praat met degene, die dwaalt in het verkeerde. Hij kan toegeven aan de verenigde verzoeken van zijn broeders. Als hij ziet, dat zij het hierover eens zijn, kan zijn geest verlicht worden.” –Gospel Workers, blz. 500.
C. Als, en alleen als, de eerste twee stappen mislukken, wat is dan de volgende stap met betrekking tot degene, die dwaalt?
Matthéüs 18:17-18.
“’En indien hij hun geen gehoor geeft’, wat zal er dan gedaan worden? Zullen een paar personen in een bestuursvergadering de verantwoordelijkheid op zich nemen om de dwalende uit te sluiten? ‘Indien hij hun geen gehoor geeft, zeg het de gemeente’. Laat de gemeente actie ondernemen ten aanzien van haar leden…
Als hij geen gehoor geeft aan de stem van de gemeente, als hij alle pogingen weigert om hem terug te winnen, rust op de gemeente de verantwoordelijkheid om hem te scheiden van de gemeenschap. Zijn naam moet dan uit de boeken worden geschrapt.” –Gospel Workers, blz. 500-501.
A. Wat moeten wij leren van, hoe de gemeente van Korinthe openlijk en vastberaden moest omgaan met openlijke overtredingen?
1 Korinthe 5:12-13.
“Geen enkele gemeente functionaris moet adviseren, geen bestuur moet aanbevelen, noch moet enige gemeente stemmen, dat de naam van een kwaaddoener uit de gemeenteboeken zal worden geschrapt, totdat de instructie, die door Christus is gegeven, getrouw is opgevolgd. Wanneer dit is gebeurd, heeft de gemeente zich voor God gezuiverd.” –Gospel Workers, blz. 501.
“Als elke specificatie, die Christus heeft gegeven, is uitgevoerd in de ware, christelijke geest, dan, en alleen dan, bekrachtigt de Hemel de beslissing van de gemeente, omdat haar leden de geest van Christus hebben en doen, wat Hij zou doen, als Hij op de aarde zou zijn.” –Selected Messages 3, blz. 22.
“Met zonde en zondaars in de kerk moet zonder aarzelen worden afgerekend, zodat anderen niet besmet raken…
Wanneer de afzonderlijke leden van de kerk zich zullen gedragen als ware volgelingen van de zachtmoedige en nederige Heiland, zal er minder sprake zijn van het bedekken en verontschuldigen van zonde. Iedereen zal ernaar streven zich zo te gedragen, alsof zij in Gods aanwezigheid waren.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 122.
“Christus heeft duidelijk geleerd dat mensen, die in open zonde volharden, van de gemeente gescheiden moeten worden, maar Hij heeft ons het werk van het beoordelen van karakter en drijfveren niet toevertrouwd. Hij kent onze natuur te goed om ons dit werk te laten doen. Als wij zouden proberen die mensen uit de gemeente te verwijderen, die volgens ons geen echte christenen zijn, zouden wij beslist fouten maken. Vaak beschouwen wij juist diegenen, die Christus tot Zich trekt, als hopeloze gevallen. Als wij deze mensen zouden behandelen op grond van ons onvolmaakt oordeel, zou wellicht hun laatste hoop geblust worden. Velen, die menen, dat zij christenen zijn, zullen ten slotte in gebreke blijven. In de hemel zullen velen zijn, die er volgens hun buren nooit zouden komen. De mens oordeelt naar wat hij ziet, maar God beoordeelt het hart.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 39.
1. Beschrijf de diepte van reinheid, die de Heer in ieder van ons langzaam aan wil inprenten.
2. Waarom moet een openlijke overtreding van Gods wet serieus worden aangepakt?
3. Wat moet ons doel zijn bij het aanpakken van zondig gedrag?
4. Wat moet mijn houding en daad zijn, als ik zie, dat iemand iets verkeerd doet?
5. Wanneer is gemeente tucht en eventuele uitsluiting nodig?