Het Evangelie volgens Paulus: Korinthe — SABBAT, 16 april 2022

Les 3: Onzedelijkheid in de gemeente

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigen, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven”

1 Korintiërs 6:10

“Hoe kan iemand, die de kostbare, plechtige boodschap voor deze tijd heeft, zich overgeven aan onreine gedachten en onheilige daden, als zij weten, dat Hij, die nooit sluimert en nooit slaapt, elke daad ziet en elke gedachte van de geest leest? O, het is, omdat er ongerechtigheid wordt gevonden in Gods belijdende volk, dat Hij zo weinig voor hen kan doen.” –Testimonies to Ministers, blz. 430-431.

Aanvullende studie :: -Lift Him Up, blz. 297.

ZONDAG — 10 april

1. De morele toestand van de wereld

A. Welk droevig beeld schetst Paulus over de laatste dagen?

2 Timótheüs 3:1-5.

2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Timotheüs 3:2: Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig. 2 Timotheüs 3:3: Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 2 Timotheüs 3:4: Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; 2 Timotheüs 3:5: Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen.

“De ongerechtigheid, die overvloedig is, is niet alleen beperkt tot de ongelovige en de spotter. Zou dat het geval zijn; maar het is het niet. Veel mannen en vrouwen, die de godsdienst van Christus belijden, zijn schuldig. Zelfs sommigen, die beweren naar Zijn verschijning uit te zien, zijn niet beter voorbereid op de gebeurtenis dan Satan zelf. Zij reinigen zich niet van alle vervuiling. Zij hebben zo lang hun begeerte gediend, dat het normaal is dat hun gedachten onzuiver zijn en hun verbeeldingskracht verdorven.” –Counsels on Health, blz. 615.

B. Wie zal door Zijn wonderbaarlijke genade God kunnen zien?

Matthéüs 5:8.

Mattheüs 5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

“Maar de woorden van Jezus: ‘Zalig zijn de reinen van hart’, hebben een diepere betekenis, niet slechts rein in de zin zoals de wereld reinheid ziet, vrij van alles, wat zinnelijk is, vrij van hartstochten, maar waar in de verborgen bedoelingen en motieven van de ziel, vrij van trots en zelfzucht, nederig, onzelfzuchtig, kinderlijk.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 28.

MAANDAG — 11 april

2. Korinthe

A. Hoe berucht was de stad Korinthe met betrekking tot moraliteit?

“In het begin van zijn werkzaamheden in dit centrum van verkeer zag Paulus aan alle zijden ernstige beletselen voor de voortgang van zijn werk. De stad was nagenoeg geheel aan afgodendienst overgeleverd. Venus was de lievelingsgodin. Aan de verering van Venus waren vele zondige gebruiken en ceremoniën verbonden. Zelfs onder de heidenen stonden de Corinthiërs bekend vanwege hun grote zedeloosheid. Hun gedachten schenen niet verder te reiken dan de genoegens en het vertoon van het ogenblik.” – Van Jeruzalem tot Rome, blz. 180

B. Hoe ernstig was de gemeente van Korinthe aangetast door de heidense omgeving?

1 Korinthe 5:1-2.

1 Korinthe 5:1: Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft. 1 Korinthe 5:2: En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?

“Na het vertrek van Paulus deden zich echter ongunstige omstandigheden gelden. Tussen de tarwe vertoonde zich het door de vijand gezaaide onkruid, dat weldra zijn kwade vruchten begon af te werpen. Voor de gemeente te Corinthe was dit een zware tijd van beproeving. De apostel was niet meer bij hen om hun geloofsijver aan te vuren en hen, bij hun pogingen om in overeenstemming met Gods wil te leven, te ondersteunen. Langzamerhand werden velen zorgeloos en onverschillig, en gaven zij zich over aan natuurlijke lusten en neigingen. Hij, die hen zo dikwijls had gemaand om naar hogere idealen van reinheid en oprechtheid te streven, was niet meer bij hen; en niet weinigen, die ten tijde van hun bekering hun slechte gewoonten hadden prijsgegeven, keerden nu naar de onterende zonden van het heidendom terug.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 221.

C. Wat verklaarde de apostel Paulus met betrekking tot de verdorven mens, en hoe presenteerde hij de reden om de openlijke overtreder uit de gemeenschap van de gemeente te verwijderen?

1 Korinthe 5:3-8.

1 Korinthe 5:3: Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten, 1 Korinthe 5:4: In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus, 1 Korinthe 5:5: Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus. 1 Korinthe 5:6: Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? 1 Korinthe 5:7: Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 1 Korinthe 5:8: Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

“Paulus had onomwonden aan de gemeente geschreven, en hen voorgehouden dat zij ‘niet moesten omgaan’ met leden, die in de zonden volhardden. Maar veel gelovigen verdraaiden deze woorden van vermaning van de apostel en in hun spitsvondigheid verontschuldigden zij zichzelf, dat zij zijn onderricht hadden veronachtzaamd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 221.

DINSDAG — 12 april

3. Scheiding absoluut noodzakelijk

A. Wat is de basisvoorwaarde voor Gods kinderen om vrij te zijn van morele vervuiling?

2 Korinthe 6:14-18.

2 Korinthe 6:14: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 2 Korinthe 6:15: En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige? 2 Korinthe 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. 2 Korinthe 6:17: Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. 2 Korinthe 6:18: En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.

Hoe kunnen wij tegelijkertijd mensen bereiken met het evangelie van Christus?

“Zo heeft Satan ook nu het meeste succes, wanneer hij de volgelingen van Christus kan overhalen samen te gaan met goddelozen en mee te doen aan hun vermaken, zodat ze voor de zonde bezwijken. ‘Daarom gaat weg uit hun midden, en scheid u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine’ (2 Korinthe 6:17). God eist ook nu nog van Zijn volk hetzelfde onderscheid met de wereld in gedrag, gebruiken en beginselen, als Hij dat eiste van het oude Israël. Als ze getrouw de aanwijzingen in Zijn Woord opvolgen, zal dit verschil bestaan; iets anders is onmogelijk. De waarschuwingen, die aan de Hebreeën gegeven zijn om zich niet te vermengen met de heidenen, zijn niet minder van kracht voor de christenen in deze tijd. Christus zegt: ‘Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem’ (1 Johannes 2:15). ‘De vriendschap met de wereld is vijandschap tegen God’ (Jakobus 4:4). De volgelingen van Christus moeten zich afscheiden van de zondaars, en hun tegenwoordigheid alleen dan zoeken, als er gelegenheid is hen goed te doen. We kunnen niet te beslist zijn in het schuwen van het gezelschap van hen, wier invloed ons van God kan aftrekken. Als we bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking’, moeten we de verzoeking mijden voor zover dat mogelijk is.” –Patriarchen en Profeten, blz. 415.

B. Wat is de instructie van Paulus met betrekking tot degenen, die in de gemeente in openlijke zonde leven?

1 Korinthe 5:9-13.

1 Korinthe 5:9: Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 1 Korinthe 5:10: Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan. 1 Korinthe 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten. 1 Korinthe 5:12: Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn? 1 Korinthe 5:13: Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.

“Het voorbeeld van Christus verbiedt mensen uit te sluiten van het Heilig Avondmaal. Het is waar, dat openlijke zonde de schuldige uitsluit. Dit leert de Heilige Geest duidelijk. (1 Korinthe 5:11). Maar daarbuiten mag niemand oordelen. God heeft niet aan de mensen de beslissing overgelaten, wie bij deze gelegenheden aanwezig zullen zijn. Immers, wie kan het hart doorgronden? Wie kan het kaf van het koren onderscheiden? ’Een ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker’. Immers, ’wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren’. ’Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt’. (1 Korinthe 11:28, 27, 29).” –De Wens der Eeuwen, blz. 576.

WOENSDAG — 13 april

4. Gemeente orde

A. Welke duidelijke instructies worden gegeven met betrekking tot het dwalen?

Spreuken 25:8-9;

Spreuken 25:8: Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben. Spreuken 25:9: Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

Matthéüs 18:15.

Mattheüs 18:15: Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.

“Bij het omgaan met dwalende gemeenteleden moet Gods volk zorgvuldig de instructies volgen, die de Heiland in het achttiende hoofdstuk van Matthéüs heeft gegeven… (Zie Matthéüs 18:15-18). Vertel anderen niet van het verkeerde. De ene persoon wordt het verteld, dan nog een, en nog een; en voortdurend groeit het bericht, en het kwaad neemt toe, totdat de hele gemeente erdoor moet lijden. Regel de zaak ‘tussen u en hem alleen’. Dit is Gods plan…

Duld geen zonde op uw broeder; maar stel hem niet bloot en vergroot zo de moeilijkheid, waardoor de berisping een wraak lijkt. Corrigeer hem op de manier, die in het woord van God wordt beschreven.” –Gospel Workers, blz. 498-499.

“(Zie Matthéüs 18:15). Als u de woorden van Christus negeert en in de vonken van uw eigen aanmaakhout wandelt, zult u falen in het werken aan gerechtigheid en zult u onder de betoverende macht van Satan komen.” –The Review and Herald, 16 augustus 1892.

B. Als, en alleen als, de eerste stap mislukt, wat is dan de volgende stap in het proces om het dwalende lid te herstellen?

Matthéüs 18:16.

Mattheüs 18:16: Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.

“Neem degenen met u mee, die geestelijk gezind zijn, en praat met degene, die dwaalt in het verkeerde. Hij kan toegeven aan de verenigde verzoeken van zijn broeders. Als hij ziet, dat zij het hierover eens zijn, kan zijn geest verlicht worden.” –Gospel Workers, blz. 500.

C. Als, en alleen als, de eerste twee stappen mislukken, wat is dan de volgende stap met betrekking tot degene, die dwaalt?

Matthéüs 18:17-18.

Mattheüs 18:17: En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Mattheüs 18:18: Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.

“’En indien hij hun geen gehoor geeft’, wat zal er dan gedaan worden? Zullen een paar personen in een bestuursvergadering de verantwoordelijkheid op zich nemen om de dwalende uit te sluiten? ‘Indien hij hun geen gehoor geeft, zeg het de gemeente’. Laat de gemeente actie ondernemen ten aanzien van haar leden…

Als hij geen gehoor geeft aan de stem van de gemeente, als hij alle pogingen weigert om hem terug te winnen, rust op de gemeente de verantwoordelijkheid om hem te scheiden van de gemeenschap. Zijn naam moet dan uit de boeken worden geschrapt.” –Gospel Workers, blz. 500-501.

DONDERDAG — 14 april

5. Gemeente orde (vervolg)

A. Wat moeten wij leren van, hoe de gemeente van Korinthe openlijk en vastberaden moest omgaan met openlijke overtredingen?

1 Korinthe 5:12-13.

1 Korinthe 5:12: Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn? 1 Korinthe 5:13: Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.

“Geen enkele gemeente functionaris moet adviseren, geen bestuur moet aanbevelen, noch moet enige gemeente stemmen, dat de naam van een kwaaddoener uit de gemeenteboeken zal worden geschrapt, totdat de instructie, die door Christus is gegeven, getrouw is opgevolgd. Wanneer dit is gebeurd, heeft de gemeente zich voor God gezuiverd.” –Gospel Workers, blz. 501.

“Als elke specificatie, die Christus heeft gegeven, is uitgevoerd in de ware, christelijke geest, dan, en alleen dan, bekrachtigt de Hemel de beslissing van de gemeente, omdat haar leden de geest van Christus hebben en doen, wat Hij zou doen, als Hij op de aarde zou zijn.” –Selected Messages 3, blz. 22.

“Met zonde en zondaars in de kerk moet zonder aarzelen worden afgerekend, zodat anderen niet besmet raken…

Wanneer de afzonderlijke leden van de kerk zich zullen gedragen als ware volgelingen van de zachtmoedige en nederige Heiland, zal er minder sprake zijn van het bedekken en verontschuldigen van zonde. Iedereen zal ernaar streven zich zo te gedragen, alsof zij in Gods aanwezigheid waren.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 122.

“Christus heeft duidelijk geleerd dat mensen, die in open zonde volharden, van de gemeente gescheiden moeten worden, maar Hij heeft ons het werk van het beoordelen van karakter en drijfveren niet toevertrouwd. Hij kent onze natuur te goed om ons dit werk te laten doen. Als wij zouden proberen die mensen uit de gemeente te verwijderen, die volgens ons geen echte christenen zijn, zouden wij beslist fouten maken. Vaak beschouwen wij juist diegenen, die Christus tot Zich trekt, als hopeloze gevallen. Als wij deze mensen zouden behandelen op grond van ons onvolmaakt oordeel, zou wellicht hun laatste hoop geblust worden. Velen, die menen, dat zij christenen zijn, zullen ten slotte in gebreke blijven. In de hemel zullen velen zijn, die er volgens hun buren nooit zouden komen. De mens oordeelt naar wat hij ziet, maar God beoordeelt het hart.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 39.

VRIJDAG — 15 april

Terugblik

1. Beschrijf de diepte van reinheid, die de Heer in ieder van ons langzaam aan wil inprenten.

2. Waarom moet een openlijke overtreding van Gods wet serieus worden aangepakt?

3. Wat moet ons doel zijn bij het aanpakken van zondig gedrag?

4. Wat moet mijn houding en daad zijn, als ik zie, dat iemand iets verkeerd doet?

5. Wanneer is gemeente tucht en eventuele uitsluiting nodig?