Tekst om te onthouden: “En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. Want Hij voleindigt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.”
Romeinen 9:27–28
“Hij, die heerst in de hemelen, is Degene, die het eind ziet vanaf het begin, Degene voor wie de geheimen van verleden en toekomst openbaar zijn, en die, over de jammer en de duisternis en ellende heen, veroorzaakt door de zonde, de vervulling ziet van Zijn eigen doelstellingen van liefde en zegen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 18.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 274-280
A. Wat identificeert de kinderen van Abraham?
Johannes 8:37-39;
Genesis 26:5.
“De Joden beweerden van Abraham af te stammen, maar door de werken van Abraham niet te doen bewezen zij, dat zij geen echte kinderen van hem waren. Alleen degenen, die geestelijk in harmonie met hem zijn, worden als ware afstammeling gerekend.” —This Day with God, plz. 183.
“Paulus zegt: ‘Die uit het geloof zijn, zijn de kinderen van Abraham’ (Galaten 3:7). Maar het geloof van Abraham kwam tot uiting in zijn werken… De apostel Jakobus zegt: ‘Geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood’ (Jakobus 2:17). En Johannes, die zo veel over de liefde te zeggen heeft, deelt ons mee: ‘’Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren’ (1 Johannes 5:3).” —Patriarchen en Profeten, blz. 125.
B. Wat houden de ware Israëlieten van vandaag steeds in gedachten?
Romeinen 9:24-29.
A. Waarom was God gedwongen om Israël als natie te verwerpen?
Romeinen 9:31-33; 10:1-3.
“De leiders van de Joodse natie hadden volkomen gefaald in het vervullen van Gods plan voor Zijn uitverkoren volk. Degenen, die de Heere tot bewaarders van Zijn waarheid had gesteld, waren ontrouw gebleken in het hun toevertrouwde ambt, en God koos anderen uit om Zijn werk te verrichten. In hun blindheid gaven deze leiders nu de vrije teugel aan, wat zij noemden, hun rechtvaardige verontwaardiging tegenover degenen, die hun geliefkoosde leerstellingen terzijde schoven. Zij wilden zelfs de mogelijkheid niet onder ogen zien, dat zijzelf het Woord niet recht verstonden, of dat zij de Schriften verkeerd hadden uitgelegd of toegepast. Zij handelden als mensen, die hun verstand hadden verloren.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 57.
B. Waarom konden de heidenen worden geënt als erfgenamen van het koninkrijk van God?
Romeinen 9:30;
Romeinen 10:9-13;
Jesaja 42:6-7.
“De Heiland verlangde ernaar om aan Zijn discipelen de waarheid te ontsluiten betreffende het wegbreken van ‘de tussenmuur, die scheiding maakte’ tussen Israël en de andere naties, de waarheid, dat ‘de heidenen mede-erfgenamen zijn’ met de Joden en ‘medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie’ (Efeze 2:14; 3:6). Deze waarheid werd gedeeltelijk geopenbaard, toen Hij het geloof van de hoofdman over honderd te Kapernaüm beloonde, en ook toen Hij het evangelie aan de inwoners van Sichar predikte. Nog duidelijker kwam dit naar voren tijdens Zijn bezoek aan Phoenicië, toen Hij de dochter van de Kanaänitische vrouw genas. Deze ervaringen droegen ertoe bij, dat de discipelen gingen begrijpen, dat er onder degenen, die door velen als onwaardig om verlost te worden werden beschouwd, vele zielen waren, die hunkerden naar het licht der waarheid.
Aldus trachtte Christus Zijn discipelen van de waarheid te overtuigen, dat er in het Koninkrijk Gods geen grenzen, geen rassen of standen en geen adelstand bestaan, dat zij naar alle volkeren moesten uitgaan om de boodschap van een liefdevolle Heiland te brengen. Maar pas later begrepen zij ten volle, dat God ‘uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt heeft om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen heeft bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons is’ (Handelingen 17:26-27).” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 15-16.
A. Leg het contrast uit tussen Satans leugen en Gods onbevooroordeelde plan voor de mensheid.
Galaten 3:28;
1 Timótheüs 2:3-6;
2 Petrus 3:9.
“Christus wilde allen. Hij kon het niet verdragen, dat er één verloren zou gaan. O, als de menselijke familie slechts de gevolgen van de zonde kon zien in de overtredingen, het geweld en de misdaad, die in de wereld bestaan! Als zij de verandering van mensen van het beeld van God naar de gelijkenis van Satan zou kunnen zien!” –That I May Know Him, blz. 67.
“(Christus) stierf een zeer schandelijke dood, en bracht een volledig en compleet offer, opdat niemand zou omkomen, maar dat allen tot berouw zouden komen. Hij deed verzoening voor iedere berouwvolle, gelovige ziel, opdat allen in Hem een zondendrager zouden vinden.” –That I May Know Him, blz. 100.
“Het is niet de wil van God, dat iemand verloren gaat, maar dat allen eeuwig leven zullen hebben.” –Testimonies to Ministers, blz. 394.
“In Christus zijn allen één. Geboorte, plaats, nationaliteit of kleur kunnen de mens niet omhoog of omlaag halen. Het karakter vormt de mens.” –De Daad bij het Woord, blz. 199.
B. Welke opdracht is aan heel Gods volk gegeven?
Matthéüs 28:18-20;
Romeinen 10:14-15.
“Bij de samenkomst op een berg in Galilea waren alle gelovigen, die bijeengeroepen konden worden, vergaderd.” –De Wens der Eeuwen, blz. 716.
“Bekleed met onbeperkt gezag gaf Hij (Christus) Zijn opdracht aan de discipelen: (Zie Matthéüs 28:19-20).” –De Wens der Eeuwen, blz. 717.
“Het was het doel van de Heiland, dat Zijn volgelingen, nadat Hij ten hemel gevaren was om de Middelaar van de mensen te worden, het werk zouden voortzetten, wat door Hem begonnen was… God eist, dat iedere ziel, die de waarheid kent, zal trachten om anderen tot de liefde voor de waarheid te winnen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 102.
“De Heere Jezus zoekt de medewerking van hen, die onbelemmerde kanalen kunnen worden voor het mededelen van Zijn genade. Het eerste wat allen, die medewerkers van God worden, moeten leren, is de les, dat ze niet op zichzelf mogen vertrouwen; dan zijn ze gereed om het karakter van Christus aan te doen. Dit kan niet bereikt worden door een opleiding in de meest wetenschappelijke scholen. Het is de vrucht der wijsheid, die van de goddelijke Leraar alleen verkregen kan worden.” —De Wens der Eeuwen, blz. 202.
A. Welke oproep tot actie moeten wij allemaal aanvaarden, gezien Gods verbazingwekkende zorg voor een wereld, die doordrenkt is van strijd?
1 Korinthe 12:13;
Romeinen 11:1-4.
“Laat gezelschappen nu snel worden georganiseerd om twee aan twee uit te gaan en te werken in de Geest van Christus, volgens Zijn plannen. Hoewel een Judas zich misschien in de gelederen van de arbeiders kan introduceren, zal de Heer voor het werk zorgen. Zijn engelen zullen voorgaan en de weg bereiden. Voor die tijd moet elke grote stad de boodschap van beproeving gehoord hebben, en duizenden moeten tot kennis van de waarheid worden gebracht. Maak de kerken wakker, haal het licht onder de korenmaat vandaan.
Waar zijn de mannen, die net als Christus zullen werken, studeren en pijn lijden in gebed? Wij moeten onze inspanningen niet beperken tot een paar plaatsen. ‘Als ze u in de ene stad zullen vervolgen, vlucht dan naar een andere’. Laat het plan van Christus gevolgd worden. Hij keek altijd uit naar gelegenheden om persoonlijk werk te verrichten, stond altijd klaar om mensen te interesseren en ertoe te brengen de Schrift te bestuderen. Hij werkte geduldig voor de mensen, die geen intelligente kennis hadden van wat waarheid is. Hoewel wij ons niet bewust zijn van de situatie, en hoewel er veel tijd wordt besteed aan het plannen van hoe wij verloren zielen kunnen bereiken, is Satan bezig met het bedenken en blokkeren van de weg…
Er is te veel werk verzet in het uitbreiden van een paar favoriete plaatsen. Laat niet zo’n grote uitgave van middelen en tijd besteed worden daaraan, maar aan andere plaatsen worden besteed…” —Medical Ministry, blz. 303.
B. Leg uit, wat onze houding en plicht moet zijn jegens het Joodse volk, dat nu leeft.
Romeinen 11:5,
Romeinen 11:11,
Romeinen 11:17-21.
“Het werk voor de Joden, zoals dat in het elfde hoofdstuk van Romeinen wordt omschreven, is een werk, waarvoor bijzondere wijsheid is vereist. Dit werk mag niet over het hoofd worden gezien. Gods wijsheid moet in ons volk wonen. Wij moeten met alle wijsheid en gerechtigheid de heirbaan voor de koning gereed maken. De Joden moeten alle kansen krijgen om tot het licht te komen.” —Bijbelkommentaar, blz. 476.
C. Hoe openbaart Gods bestuur Zijn barmhartigheid?
Romeinen 11:22-25.
A. Beschrijf de laatste boodschap, die eenieder van ons moet delen met degenen, met wie wij in contact komen.
Jesaja 40:10;
Romeinen 11:30-32.
“Zij, die op de komst van de Bruidegom wachten, moeten tot de mensen zeggen: ‘Zie, hier is uw God!’ De laatste stralen van licht der genade, de laatste genadeboodschap, die aan de wereld moet worden gebracht, is een openbaring van Zijn karakter vol liefde. Gods kinderen moeten Zijn heerlijkheid openbaren. In hun eigen leven en karakter moeten zij laten zien, wat Gods genade voor hen heeft gedaan.
Het licht van de Zon der Gerechtigheid moet zichtbaar zijn in goede werken, in woorden van waarheid en daden van heiligheid…
Praktisch werk zal veel meer uitwerking hebben dan alleen maar preken… De gesloten bronnen van oprechte, christelijke liefde zullen ontsloten worden.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 257, 258.
B. Beschrijf de ervaring van het ware Israël van God aan het einde van de geschiedenis, en de reden ervoor.
Openbaring 12:17;
Openbaring 14:12;
Romeinen 11:33.
“De Heer zal in dit laatste werk werken op een manier, die heel erg buiten de gewone gang van zaken is, en op een manier, die tegengesteld is aan elke menselijke planning. Er zullen mensen onder ons zijn, die altijd het werk van God willen beheersen, zelfs willen dicteren, welke bewegingen zullen worden gemaakt, wanneer het werk doorgaat onder leiding van de engel, die zich bij de derde engel voegt in de boodschap, die aan de wereld moet worden gegeven. God zal manieren en middelen gebruiken, waardoor kan worden gezien, dat Hij de teugels in Zijn eigen handen neemt.” –Evangelism, blz. 118.
1. Hoe moet ik de geestelijke kracht van Abraham vollediger ontwikkelen?
2. Wat moet elke christen in gedachten houden in een tijdperk van ongelijkheid?
3. Hoe kan ik het soort geloof ontwikkelen, dat God onder de heidenen aanbeveelt?
4. Welke acties kan ik in Christus’ kracht ondernemen om zielen voor Hem te winnen?
5. Hoe kan het delen van de boodschap van de derde engel praktisch worden gemaakt?