Tekst om te onthouden: “Wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid”
Romeinen 4:3
“De gerechtigheid, die ons rechtvaardigt, wordt ons toegerekend. De gerechtigheid, die ons heiligt, wordt ons toebedeeld. De eerste geeft ons toegang tot de hemel, de tweede maakt ons geschikt voor de hemel.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 32-33.
Aanvullende studie :: -Selected Messages 1, blz. 389-398
A. Hoe werd Abraham voor God gerechtvaardigd en wat staat er over zijn geloof geschreven?
Romeinen 4:1-3;
Hebreeën 11:8-10.
“Dit verbond (genadeverbond) werd vernieuwd met Abraham in de belofte: ‘Met uw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden’ (Genesis 22:18). Deze belofte wees heen op Christus. Op deze wijze begreep Abraham het (zie Galaten 3:8, 16), en hij vertrouwde op Christus voor het vergeven van zijn zonden. Door dit geloof werd hij gerechtvaardigd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 334.
“Abrahams onwankelbare gehoorzaamheid is een van de meest opmerkelijke bewijzen van geloof, die in de hele Bijbel gevonden worden. Voor hem was geloof ‘de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet’ (Hebreeën 11:1). Vertrouwend op Gods belofte verliet hij zijn familie en vaderland en ging uit zonder te weten waarheen, om te volgen waar God zou leiden.” – Patriarchen en Profeten, blz. 96.
B. Beschrijf Abrahams zwaarste geloofsbeproeving.
Hebreeën 11:17-19.
“De beproeving was veel zwaarder dan die, waaraan Adam werd onderworpen… Heel de hemel zag vol verbazing en bewondering toe, hoe Abraham onvoorwaardelijk gehoorzaamheid toonde. Heel de hemel juichte bij zijn trouw.”
—Patriarchen en Profeten, blz. 126.
A. Welke gebeden bad David tot de Heer na zijn misdaden tegen Bathseba en Uria?
Psalm 51:1-6;
Psalmen 32:1-5.
B. Hoe reageerde David, toen de profeet Nathan aan David de enorme grootte van zijn zonde voorlegde?
2 Samuël 12:13 (eerste deel).
Wat antwoordde de Heer toen door de profeet?
2 Samuël 12:13 (tweede deel).
C. Wat toont de apostel Paulus over Davids ervaring na zijn berouw?
Romeinen 4:5-7.
“Davids berouw was oprecht en diepgaand. Hij trachtte zijn misdaad niet te vergoelijken. Zijn gebed werd niet geïnspireerd door de wens aan Gods oordelen te ontkomen. Maar hij zag de grootte van zijn overtreding tegen God; hij zag de onreinheid van zijn hart; hij verafschuwde zijn zonde. Hij bad niet alleen om vergiffenis, maar ook om een nieuw hart. David gaf zich niet wanhopig over. In Gods beloften aan berouwvolle zondaars zag hij de zekerheid van zijn vergiffenis en aanneming…
Hoewel David gevallen was, hief de Heere hem op. Nu was hij nauwer verbonden met God en genoot meer de sympathie van zijn medemensen dan voor zijn zonde…
Dit voorval uit Davids leven heeft veel betekenis voor de berouwvolle zondaar. Het is een van de welsprekendste voorbeelden, die ons gegeven zijn betreffende de strijd en verzoekingen van de mens, en van het oprecht berouw jegens God en het geloof in onze Heere Jezus Christus. Door de eeuwen heen is het een bron van bemoediging geweest voor mensen, die in zonde zijn gevallen, en die gebukt gingen onder de last van hun schuld. Duizenden kinderen Gods, die in zonde gevallen zijn, en op het punt stonden de moed te verliezen, hebben gedacht aan Davids oprecht berouw en zijn schuldbekentenis, die door God zijn aanvaard, hoewel hij de straf voor zijn zonde moest ondergaan. Ze hebben moed geschept, zich bekeerd en zich ingespannen te gaan op de weg van Gods geboden…
De Heere zal nooit een oprecht berouwvol mens wegzenden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 664-665.
A. Werd Abraham gerechtvaardigd door geloof voor de besnijdenis of na de besnijdenis?
Romeinen 4:8-10.
B. Wat was het doel van de besnijdenis?
Romeinen 4:11.
Wat is het doel van de doop?
1 Petrus 3:18,
1 Petrus 3:21.
“In deze tijd werd de vorm der besnijdenis aan Abraham gegeven als ‘het zegel van de gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat niet bezat’ (Romeinen 4:11). Door de patriarch en zijn nakomelingen moest deze besnijdenis worden waargenomen als een teken, dat ze gewijd waren aan de dienst van God, en afgesneden waren van afgodendienaars; dat God hen had aangenomen als Zijn bijzonder eigendom. Door deze vorm moesten zij van hun kant de voorwaarden vervullen van het verbond, dat met Abraham gemaakt was. Ze mochten geen huwelijken aangaan met de heidenen; want door dit te doen zouden ze de eerbied voor God en Diens heilige wet uit het oog verliezen; ze zouden in verleiding komen deel te nemen aan de zondige gebruiken van andere volken en verleid worden tot afgoderij.” –Patriarchen en Profeten, blz. 110-111.
“De opstanding van Christus wordt herdacht, wanneer wij ons met Hem laten begraven in de doop, en opstaan uit het watergraf, in de gelijkheid aan Zijn opstanding, om in nieuwigheid des levens te leven.” –Eerste Geschriften, blz. 257.
“Christus heeft de doop gesteld als het teken van het binnengaan in Zijn geestelijk Koninkrijk. Hij heeft die gesteld als een positieve voorwaarde, waaraan allen moeten voldoen, die erkend willen worden als te staan onder de autoriteit van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Alvorens de mens een thuis kan vinden in de Gemeente, alvorens hij de drempel van Gods geestelijk Koninkrijk overschrijdt, moet op hem de Goddelijke Naam geschreven worden: ‘De Heere, onze Gerechtigheid’ (Jeremia 23:6).
De doop is de plechtigste verzaking van de wereld. Die gedoopt zijn in de drievoudige Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, precies aan het begin van hun christelijk leven, getuigen in het openbaar, dat ze de dienst van Satan hebben opgegeven en leden van het Koninklijke gezin zijn geworden, kinderen van de hemelse Koning. Zij hebben het bevel gehoorzaamd: ‘Gaat uit het midden van hen en scheidt u af… en raak niet aan, hetgeen onrein is’. En aan hen is de belofte vervuld: ‘Ik zal ulieden aannemen en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige’ (2 Korinthe 6:17-18).” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 409.
A. Op welke basis vervulde God Zijn beloften aan Abraham?
Romeinen 4:13.
“De Bijbel leert duidelijk, dat de beloften aan Abraham door Christus in vervulling zullen gaan. Allen, die van Christus zijn, zijn ‘zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen’, erfgenamen van ‘een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis’, als de aarde bevrijd is van de vloek der zonde. (Galaten 3:29; 1 Petrus 1:4). Want ‘het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten’ en ‘de zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten en zich verlustigen over grote vrede’ (Daniël 7:27; Psalm 37:11).” –Patriarchen en Profeten, blz. 142.
B. Wat is er nog meer geschreven over Abrahams geloof?
Romeinen 4:18-22.
“De geboorte van een zoon aan Zacharias moest, evenals de geboorte van het kind van Abraham, en van het kind van Maria, een grote geestelijke waarheid aan de mensen leren, een waarheid die we heel moeilijk en traag leren en spoedig vergeten. Van onszelf zijn wij niet in staat iets goeds te doen, maar datgene, wat we niet kunnen doen, zal door de kracht van God in iedere nederige en gelovige ziel tot stand worden gebracht. Door het geloof werd het kind der belofte gegeven. Door het geloof wordt het geestelijk leven verkregen en worden we in staat gesteld de werken der gerechtigheid te werken.” –De Wens der Eeuwen, blz. 70.
C. Wat is de ultieme les, die wij uit deze feiten trekken?
Romeinen 4:23-25.
“Het is God, die het hart besnijdt. Het hele werk is van het begin tot het einde van de Heer. De verloren gaande zondaar kan zeggen: ”Ik ben een verloren zondaar; maar Christus kwam om te zoeken en te redden, wat verloren was. Hij zegt: ‘Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering’ (Markus 2:17). Ik ben een zondaar en Hij stierf aan het kruis van Golgotha om mij te redden. Ik hoef niet langer ongered te blijven. Hij stierf en stond weer op voor mijn rechtvaardiging, en Hij zal mij nu redden. Ik aanvaard de vergeving, die Hij heeft beloofd”.” –Selected Messages 1, blz. 392.
A. Wat is de Bijbelse definitie van geloof?
Hebreeën 11:1.
“Geloof is de voorwaarde, waarop God het nodig heeft geacht om vergeving aan zondaren te beloven; niet dat er enige deugd in het geloof is, waardoor verlossing wordt verdiend, maar omdat geloof beslag kan leggen op de verdiensten van Christus, het middel dat voor de zonde voorzien was. Geloof kan de volmaakte gehoorzaamheid van Christus naar voren brengen in plaats van de overtreding en afvalligheid van de zondaar. Wanneer de zondaar gelooft, dat Christus zijn persoonlijke Verlosser is, dan vergeeft God volgens Zijn onfeilbare beloften zijn zonde en rechtvaardigt hem vrijelijk. De berouwvolle ziel beseft, dat zijn rechtvaardiging komt, omdat Christus, als zijn Plaatsvervanger en Borg, voor hem is gestorven, zijn verzoening en gerechtigheid is.” –Faith and Works, blz. 100-101.
B. Wat is het grote verschil tussen geloof en aanmatiging? Efeze 2:8;
Galaten 5:6;
Jakobus 2:17.
“Wij verdienen de zaligheid niet door onze gehoorzaamheid. De zaligheid is een geschenk van God, dat door het geloof ontvangen wordt. Maar gehoorzaamheid is de vrucht van geloof. (Zie 1 Johannes 3:5-6). Dit is de eigenlijke proef. Als we in Christus blijven, als de liefde van God in ons woont, zijn onze gevoelens, onze gedachten en onze daden in overeenstemming met de wil van God, zoals we die vinden in de voorschriften van Zijn heilige wet. (Zie 1 Johannes 3:7). De norm van Gods heilige wet, zoals die vorm gekregen heeft in de tien Voorschriften van de Sinaï, bepaalt wat rechtvaardigheid is.
Dat zogenaamde geloof in Christus, dat voorgeeft de mens te verlossen van plicht tot gehoorzaamheid aan God, is geen geloof, maar een blijk van arrogantie. (Zie Efeze 2:8; Jakobus 2:17).” –Schreden naar Christus, blz. 72.
1. Hoe kan mijn geloof meer gaan lijken op dat van Abraham?
2. Hoe kan mijn berouw meer op dat van David lijken?
3. Wat moet de ervaring zijn van iemand, die de gelofte van de doop aflegt?
4. Waarom moeten wij niet uitstellen om ons zondige leven tot de Heiland te brengen?
5. Hoe kan ik het gevaar lopen in een of andere vorm van aanmatiging te vervallen?