Het Evangelie volgens Paulus: Romeinen — SABBAT, 19 maart 2022

Les 12: IN NEDERIGE ZACHTMOEDIGHEID

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Maar doet aan de Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden”

Romeinen 13:14

“(Zie Romeinen 13:14). Laat iedere ziel acht slaan op deze woorden en weten, dat de Heer Jezus geen compromis zal aanvaarden.” –Testimonies to Ministers, blz. 171.

Aanvullende studie :: -Testimonies for the Church 6, blz. 394-403.

ZONDAG — 13 maart

1. De geïnspireerde balans

A. Leg uit, wat de veelomvattende plichten zijn van christenen uit alle tijdperken met betrekking tot aardse autoriteiten.

Romeinen 13:1-7;

Romeinen 13:1: Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. Romeinen 13:2: Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. Romeinen 13:3: Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben; Romeinen 13:4: Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet. Romeinen 13:5: Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil. Romeinen 13:6: Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. Romeinen 13:7: Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, die gij de eer schuldig zijt.

Handelingen 4:18-20;

Handelingen 4:18: En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus. Handelingen 4:19: Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God. Handelingen 4:20: Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.

Handelingen 5:17-20.

Handelingen 5:17: En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte der Sadduceen), en werden vervuld met nijdigheid. Handelingen 5:18: En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemene gevangenis. Handelingen 5:19: Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide: Handelingen 5:20: Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.

“Toen de discipelen na Zijn opstanding Christus predikten, en dien gekruisigd, bevalen de autoriteiten ‘hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus’…. (Zie Handelingen 4:19-20). Zij gingen door met het verkondigen van het goede nieuws van verlossing door Christus, en de kracht van God ging gepaard aan hun boodschap. De zieken werden genezen, en duizenden werden aan de gemeente toegevoegd…

De God des hemels, de machtige Heerser van het universum, nam het werk echter Zelf ter hand; want mensen voerden oorlog tegen Zijn werk. Hij liet hun duidelijk zien, dat er een Heerser is, die boven de mens staat, Wiens gezag gerespecteerd moet worden…

Zij, die mensen willen dwingen tot het gehoorzamen van pauselijke instellingen en Gods gezag te vertrappen, doen een soortgelijk werk als de Joodse leiders in de tijd van de apostelen. Wanneer de wetten van aardse heersers lijnrecht tegenover de wetten van de Opperheer van het universum komen te staan, zullen Gods getrouwe onderdanen Hem blijven gehoorzamen.” —Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 580-581.

“Ik zag, dat het in elk opzicht onze plicht is de wetten van ons land te gehoorzamen, tenzij deze in conflict komen met de hogere wet, die God met luide stem verkondigd heeft van de Sinaï, en daarna met Zijn eigen vinger op steen gegrift.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 47.

MAANDAG — 14 maart

2. Geschikt respect behouden

A. Welke houding en toetssteen leerde Christus met betrekking tot onze plichten jegens God en de regering?

Markus 12:13-17;

Markus 12:13: En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Markus 12:14: Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? Markus 12:15: En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie. Markus 12:16: En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers. Markus 12:17: En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.

Romeinen 14:16.

Romeinen 14:16: Dat dan uw goed niet gelasterd worde.

“Christus’ antwoord was geen ontwijking, maar een eerlijk antwoord op de vraag. Terwijl Hij een Romeinse munt, waarop de naam en de beeltenis van Caesar waren geslagen, in Zijn hand hield, verklaarde Hij, dat, aangezien zij leefden onder de bescherming van de Romeinse macht, zij die macht de steun, die zij eiste, moesten verlenen, zolang dit niet in strijd kwam met een hogere plicht. Maar terwijl ze op vreedzame wijze onderdanig moesten zijn aan de wetten van het land, moesten ze te allen tijde in de eerste plaats God trouw blijven.” –De Wens der Eeuwen, blz. 523.

B. Beschrijf de houding, die wij altijd moeten tonen ten opzichte van regeerders, zoals blijkt uit getrouwe mannen van God.

Daniël 6:16-22;

Daniël 6:16: Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden. Daniël 6:17: Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u! Daniël 6:18: En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniel niet zou veranderd worden. Daniël 6:19: Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem. Daniël 6:20: Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen. Daniël 6:21: Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen? Daniël 6:22: Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!

Titus 3:1-2;

Titus 3:1: Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn; Titus 3:2: Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.

1 Petrus 2:17.

1 Petrus 2:17: Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

“Wij moeten de menselijke regeringen als een goddelijke instelling erkennen, en gehoorzaamheid aan hen, zolang zij binnen hun wettelijke grenzen blijven, als een heilige plicht de mensen voorhouden. Maar wanneer hun aanspraken in tegenspraak komen met die van God, dan moeten wij Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. Gods Woord moet als verheven boven alle menselijke wetgeving worden beschouwd. Een ‘zo zegt de Heere’ mag niet ten achter worden gesteld bij een “zo zegt de kerk” of een “zo zegt de staat”. De kroon van Christus moet boven de diademen van aardse machthebbers worden verheven.

Van ons wordt niet geëist, dat wij gezagsdragers zullen trotseren. Onze woorden, tenzij gesproken of geschreven, moeten zorgvuldig worden overdacht, opdat van ons niet kan worden gezegd, dat we vijandig staan tegenover wet en orde. Wij moeten niets zeggen of doen, dat ons de weg onnodig zou blokkeren. Wij moeten in de naam van Christus voorwaarts gaan met de verkondiging van de waarheden, die ons zijn toevertrouwd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 50.

“Het is niet verstandig om aanhoudend kritiek uit te oefenen op, hetgeen de regering doet. Het is niet onze taak personen of instellingen aan te vallen… Ons werk is een volk voor te bereiden, dat staan zal in de grote dag van God. Wij moeten ons niet op zijwegen begeven, wat strijd veroorzaakt of tegenstand opwekt bij hen, die niet van ons geloof zijn…

In alle ootmoed, in de geest der genade en in de liefde Gods moeten we de mensen wijzen op het feit, dat de Here God de Schepper is van hemel en aarde, en dat de zevende dag de Sabbat des Heren is.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 42-43, 44.

DINSDAG — 15 maart

3. Verlangen naar de Geest van God

A. Beschrijf de invloed van het hebben van Gods wet in ons hart.

Romeinen 13:8-10.

Romeinen 13:8: Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. Romeinen 13:9: Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Romeinen 13:10: De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet.

“Gods wet wordt alleen vervuld als mensen Hem liefhebben met hart, verstand, ziel en kracht, en hun naaste als zichzelf. Het is de openbaring van deze liefde, die eer brengt aan God in de hoge, en op aarde vrede en goede wil aan de mensen. De Heer wordt verheerlijkt, wanneer het grote doel van Zijn wet is bereikt. Het is het werk van de Heilige Geest van eeuw tot eeuw om liefde te schenken aan de harten van mensen, want liefde is het levende principe van broederschap.

Niet één gaatje of hoekje van de ziel moet een schuilplaats zijn voor egoïsme. God verlangt, dat het plan van de hemel uitgevoerd zal worden en dat de goddelijke orde en harmonie van de hemel zal zegevieren, in elk gezin, in elke gemeente, in elke instelling. Had deze liefde de samenleving doordrongen, dan zouden wij de uitwerking zien van nobele principes van christelijke verfijning en hoffelijkheid, en in christelijke naastenliefde voor de verworvenheid van het bloed van Christus. Geestelijke verandering zou worden gezien in al onze gezinnen, in onze instellingen, in onze gemeenten. Wanneer deze verandering plaatsvindt, zullen deze middelen instrumenten worden, waarmee God hemels licht aan de wereld zal geven en zo, door goddelijke discipline en training, mannen en vrouwen geschikt maken voor de samenleving van de hemel.

Jezus is heengegaan om woningen te bereiden voor degenen, die zichzelf, door Zijn liefde en genade, voorbereiden op de verblijfplaatsen van gelukzaligheid. In het gezin van God in de hemel zal er niemand gevonden worden, die egoïstisch is. De vrede en harmonie van de hemelse hoven zullen niet worden verstoord door de aanwezigheid van iemand, die ruw of onvriendelijk is. Hij, die in deze wereld zichzelf verheft in het werk, dat hem te doen is gegeven, zal het koninkrijk van God nooit zien, tenzij hij van geest is veranderd, tenzij hij zachtmoedig en nederig wordt en de eenvoud toont van een klein kind.” —Testimonies for the Church 8, blz. 139-140.

B. Welke ontnuchterende roep weerklinkt tot ons nu meer dan ooit?

Romeinen 13:11.

Romeinen 13:11: En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben.

“Laten predikanten en leke-leden uitgaan in de rijpende velden om de lauwen en onverschilligen te zeggen, dat ze de Heere moeten zoeken, zolang Hij te vinden is.” —Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 264.

“Nu is de dag des Heeren dichterbij dan toen wij eerst geloofden, en moeten wij oprechter, ijveriger en vuriger zijn dan in die eerste dagen. De gevaren, die ons bedreigen, zijn nu groter dan toen. Zielen zijn meer verhard. Nu moeten wij vervuld worden met de Geest van Christus, en wij moeten niet rusten, voordat wij die hebben ontvangen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 134.

WOENSDAG — 16 maart

4. Zich concentreren en ijverig zijn als nooit tevoren

A. Wat is cruciaal, als wij het einde der tijden naderen?

Romeinen 13:12-14.

Romeinen 13:12: De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts. Romeinen 13:13: Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Romeinen 13:14: Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.

“De Heer heeft de hemel niet gesloten voor Zijn volk; maar hun eigen weg van voortdurend terugvallen, gekibbel, afgunst en strijd, heeft hen van Hem gescheiden. Trots en liefde voor de wereld leven in het hart…

Onzuiverheid is wijdverbreid, zelfs onder degenen, die belijden de volgelingen van Christus te zijn. Velen nemen gretig deel aan werelds, demoraliserend amusement, dat Gods woord verbiedt. Zo verbreken zij steeds hun verbinding met God en rangschikken zij zich bij de liefhebbers van het plezier van de wereld. Als God hun zonden voor hen zou presenteren, zoals zij in Zijn ogen verschijnen, zouden zij vervuld zijn van schaamte en schrik.

En wat heeft deze alarmerende toestand veroorzaakt? Velen hebben de theorie van de godsdienstige waarheid aangenomen, maar zijn niet tot haar principes bekeerd. Er zijn er inderdaad maar weinig, die echt bedroefd zijn over de zonde; die diepe, scherpe overtuigingen hebben van de verdorvenheid van de niet wedergeboren natuur, en proberen te wandelen, zoals Christus gewandeld heeft. Het stenen hart wordt niet ingeruild voor een hart van vlees. Weinigen zijn bereid op de Rots te vallen en gebroken te worden.

Wat een ongeëvenaarde liefde en neerbuigendheid, dat Christus, toen wij geen aanspraak hadden op goddelijke barmhartigheid, bereid was om onze verlossing op Zich te nemen! Maar onze grote Heelmeester eist van elke ziel onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Wij mogen nooit voorschrijven voor ons eigen geval. Christus heeft de volledige controle over onze wil en handelen, anders zal Hij niet voor ons ondernemen.” — The Signs of the Times, 14 juli 1887.

“Wij staan als het ware aan de grens van de eeuwige wereld. Wij kijken uit naar de glorieuze verschijning van onze Heer; de nacht is ver gevorderd; de dag is nabij. Wanneer wij de grootheid van het verlossingsplan beseffen, zullen wij veel moediger, meer bereid tot zelfopoffering en meer toegewijd zijn dan nu.

Er wacht een groot werk om door ons te worden gedaan, voordat succes onze inspanningen zal bekronen. Er moeten besliste hervormingen plaatsvinden in onze gezinnen en in onze gemeenten. Ouders moeten zich inspannen voor de redding van hun kinderen. God zal onze inspanningen ondersteunen, wanneer wij van onze kant alles doen, wat Hij ons heeft opgedragen en waartoe Hij ons heeft bekwaamd. Maar vanwege ons ongeloof, wereldsgezindheid en traagheid, sterven zielen, die met bloed zijn gekocht, in de schaduw van onze eigen gezinnen in hun eigen zonden, zonder te zijn gewaarschuwd. Kan Satan dan altijd maar weer triomferen? O nee! Het licht, dat van het kruis van Golgotha schijnt, geeft aan, dat er een groter werk gedaan moet worden dan onze ogen tot dusver hebben aanschouwd.” –Getuigenissen voor de gemeente 5, blz. 312.

DONDERDAG — 17 maart

5. Broederlijke liefde

A. Hoe moeten wij, gezien het feit dat alle mensen verschillend zijn, met elkaar omgaan?

Romeinen 14:7-13.

Romeinen 14:7: Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven. Romeinen 14:8: Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren. Romeinen 14:9: Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou. Romeinen 14:10: Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. Romeinen 14:11: Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Romeinen 14:12: Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven. Romeinen 14:13: Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.

“Elke samenwerking van het leven vraagt om de uitoefening van zelfbeheersing, verdraagzaamheid en sympathie. Wij verschillen zo sterk in gezindheid, gewoonten, opleiding, dat onze manier van kijken naar dingen verschilt. Wij oordelen anders. Ons begrip van de waarheid, onze ideeën met betrekking tot het gedrag van het leven, zijn niet in alle opzichten hetzelfde. Er zijn er geen twee, wiens leven in elk opzicht hetzelfde is. De beproevingen van de één zijn niet de beproevingen van de ander. De plichten, die de één licht vindt, zijn voor de ander zeer moeilijk en verwarrend.

Zo broos, zo onwetend, zo vatbaar voor misvattingen is de menselijke natuur, dat iedereen voorzichtig moet zijn in de schatting, die hij op een ander plaatst. Wij weten weinig van de invloed van onze daden op het leven van anderen. Wat wij doen of zeggen, lijkt ons misschien van weinig belang, maar als wij onze ogen konden openen, zouden wij inzien, dat de belangrijkste gevolgen ten goede of ten kwade ervan afhingen.” –Gospel Workers, blz. 473.

B. Hoe ziet de Heer degenen, die verdeeldheid veroorzaken in Zijn gemeente, en hoe alleen kunnen wij eenheid bereiken, zowel in het gezin als in de gemeente?

Spreuken 6:16-19;

Spreuken 6:16: Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: Spreuken 6:17: Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; Spreuken 6:18: Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen; Spreuken 6:19: Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.

Kolossensen 1:27-28.

Kolossenzen 1:27: Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid; Kolossenzen 1:28: Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus;

“Gescheiden zijn van Christus is de oorzaak van verdeeldheid en tweedracht in het gezin en in de gemeente. Nader tot Christus komen betekent: Nader tot elkaar komen. Het geheim van ware eenheid in de gemeente en in het gezin is niet diplomatie, niet een kwestie van een goede manager. Het is niet een bovenmenselijke worsteling om moeilijkheden te overwinnen, ook al moet hieraan wel veel gedaan worden, maar het is eenheid met Christus…

Hoe dichter wij bij Christus komen, des te dichter zijn we bij elkaar. Wij verheerlijken God, als Zijn volk harmonieus met elkaar omgaat.” –Het Bijbels Gezin, blz. 145.

VRIJDAG — 18 maart

Terugblik

1. Welk voorbeeld geef ik vrienden en familie met betrekking tot aardse autoriteit?

2. Leg de harmonie uit van het eren van de Majesteit van de hemel boven alles.

3. Hoe zou mijn houding de Geest van God in mijn leven kunnen belemmeren?

4. Welke acties moet ik ondernemen ter voorbereiding op de wederkomst van Christus?

5. Hoe zullen mijn relaties met anderen veranderen, als ik Christus volledig zoek?