Tekst om te onthouden: “Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende”
Galaten 5:6
“Het geloof, dat door liefde werkt en de ziel zuivert, is de heilige, verheffende, heiligmakende werking, die de schokkende menselijke natuur moet verzachten en onderwerpen. De liefde van Christus moet de gelovigen dwingen, waardoor zij zich in harmonie vermengen bij het kruis van Golgotha.” –Medical Ministry, blz. 316.
Aanvullende studie :: -Patriarchen en Profeten, blz. 118-121
A. Hoe laat Abrahams ervaring de geestelijke slavernij zien van het leven in onze eigen eindige kracht?
Genesis 16:1-4,
Genesis 16:11-12,
Genesis 16:15;
Galaten 4:22-25.
“Zonder vragen had Abraham de belofte van een zoon aanvaard, maar hij wachtte niet tot God op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze deze belofte in vervulling deed gaan. Er was uitstel, om zijn geloof in Gods macht op de proef te stellen; maar hij doorstond de proef niet. Met de gedachte, dat ze op haar hoge leeftijd onmogelijk meer een kind kon krijgen, stelde Sara voor, als een plan waarmee Gods doel in vervulling kon gaan, dat Abraham een van haar dienstmaagden zou nemen als tweede vrouw. Veelwijverij was zo algemeen verspreid, dat het niet meer als zonde werd beschouwd, maar niettemin was het een schending van Gods wet, en nadelig voor de heiligheid en vrede van de gezinsband. Het huwelijk van Abraham met Hagar eindigde met kwade gevolgen, niet alleen voor zijn eigen gezin, maar ook voor latere geslachten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 118.
“Het gebrek aan geloof bij Abraham en Sara had als gevolg, dat Ismaël geboren werd, waardoor het zaad van de rechtvaardigen vermengd werd met dat van de goddelozen…
Ismaël werd ertoe gedreven het woeste leven van een woestijnhoofdmaan te leiden… De machtige natie, die van hem afstamde, was een rusteloos heidens volk.” –Patriarchen en Profeten, blz.146.
A. Toen Abraham en Sara volledig vertrouwden op Gods belofte van een zoon, wat gebeurde er toen en waarom?
Genesis 18:11-14;
Genesis 21:1-2;
Hebreeën 11:11.
B. Beschrijf, net als het wonder van de bejaarde Sara die beviel, het wonderbaarlijke voorrecht, dat de kinderen des geloofs ter beschikking staat.
Galaten 4:26-28.
“Christus is in staat om de meest zondige mensen uit de put van achteruitgang op te heffen en hen te plaatsen, waar zij erkend zullen worden als kinderen van God, erfgenamen met Christus tot een onsterfelijke erfenis.
Velen zijn volkomen ontmoedigd. Omdat zij veracht en verlaten zijn, zijn zij onaangedaan geworden. Zij worden gezien als niet in staat het evangelie van Christus te begrijpen of te ontvangen. Maar door het wonder van goddelijke genade kunnen zij worden veranderd. Onder de bediening van de Heilige Geest zal de domheid, die hun verheffing zo hopeloos doet lijken, voorbijgaan. De doffe, troebele geest zal ontwaken. De slaaf van de zonde zal worden vrijgemaakt. Geestelijk leven zal herleven en versterken. Ondeugd zal verdwijnen en onwetendheid zal worden overwonnen. Door het geloof, dat door liefde werkt, zal het hart worden gezuiverd en de geest verlicht.” –Testimonies for the Church 7, blz. 229.
C. Waarom moesten Hagar en Ismaël volkomen uit Abrahams huisgezin worden geworpen, en wat zijn enkele diepe geestelijke lessen, die wij hiervan kunnen leren?
Genesis 21:9-12;
Galaten 4:29-31;
Romeinen 13:12.
“Als God polygamie had goedgekeurd, dan zou Hij Abraham niet hebben opgedragen Hagar en haar zoon weg te sturen. Hij zou iedereen een les hiermee leren, dat de rechten en het geluk van de huwelijksrelatie altijd gerespecteerd en bewaakt moeten worden, zelfs met een groot offer. Sara was de eerste en enige echte vrouw van Abraham. Als echtgenote en moeder had ze rechten, die geen ander in het gezin kon hebben. Zij had eerbied voor haar man en noemde hem heer, maar zij was jaloers, opdat zijn genegenheid niet gedeeld zou worden met Hagar. God berispte Sara niet voor de koers, die zij volgde. Abraham werd door de engelen terechtgewezen, omdat hij Gods macht wantrouwde, wat hem ertoe had gebracht Hagar tot vrouw te nemen en te denken, dat de belofte door haar zou worden vervuld.” –The Story of Redemption, blz. 80.
A. Hoe nodigt Paulus ons uit om bevrijding door Christus te aanvaarden?
Galaten 5:1.
“Zij, die in Christus geloven en Zijn geboden gehoorzamen, zijn niet onderworpen aan Gods wet; want voor hen, die geloven en gehoorzamen, is Zijn wet geen wet van slavernij, maar van vrijheid. Iedereen, die in Christus gelooft, iedereen die vertrouwt op de bewarende kracht van een verrezen Heiland, die de straf heeft ondergaan, die over de overtreder is uitgesproken, iedereen die verleiding weerstaat en te midden van het kwaad het voorbeeld na volgt, dat in Christus’ leven is gegeven, zal door geloof in het zoenoffer van Christus een deelgenoot van de goddelijke natuur worden, ontsnappen aan het verderf, dat in de wereld is door begeerte. Iedereen, die door geloof Gods geboden gehoorzaamt, zal de toestand van zondeloosheid bereiken, waarin Adam leefde vóór zijn overtreding.” –In Heavenly Places, blz. 146.
B. Welke oproep doet Paulus om ons standpunt vast te houden en om onenigheid te vermijden, die wordt veroorzaakt, door verder te gaan met wat staat geschreven?
Galaten 5:2-4.
“Judaïserende leraars … drongen erop aan, dat bekeerlingen tot het christendom de ceremoniële wet zouden waarnemen wat betreft de kwestie van de besnijdenis. Zij handhaafden nog steeds, dat het oorspronkelijke Israël bestond uit verheven en bevoorrechte kinderen van Abraham en recht hadden op alle beloften, die aan hem waren gedaan. Zij dachten werkelijk, dat zij door het innemen van een tussenvlak tussen Jood en christendom, erin zouden slagen de blaam, die op het christendom rustte, weg te nemen en grote aantallen Joden zouden kunnen binnenhalen.
Zij rechtvaardigden hun positie, die met die van Paulus in strijd was, door te laten zien dat de handelwijze van de apostel, die de heidenen in de gemeente opnam zonder besneden te zijn, meer Joden verhinderde het geloof aan te nemen, dan er bekeerlingen uit de heidenen werden toegevoegd. Op deze wijze verontschuldigden zij hun tegenstand tegen de resultaten van de kalme bedaardheid van Gods erkende dienstknechten. Zij weigerden te erkennen, dat het werk van Christus de gehele wereld omvatte. Zij beweerden, dat Hij alleen de Zaligmaker was van de Joden was; daarom handhaafden zij de gedachte, dat de heidenen besneden moesten worden, alvorens zij konden worden toegelaten tot de voorrechten van de gemeente van Christus.” –Bijbelkommentaar, blz. 529-530.
A. Wat vatte de nederige, getrouwe positie van Paulus samen?
Galaten 5:5.
“Leg uw zaak bij de Heer en geloof in Zijn Woord. Geloof, o, geloof het Woord van de Heer en wandel door geloof, niet door aanschouwen. Wijd u weer aan God. Wees trouw en oprecht aan een ‘Zo zegt de Heer’, en sta vast in de vrijheid, waarmee Christus u vrijmaakt.” –The Upward Look, blz. 337.
B. Hoe werd de apostel vaak verkeerd begrepen door andersdenkenden, zowel in Galatië als elders in de gemeente?
Galaten 5:7-12;
1 Korinthe 1:10-13.
“Bij die gelegenheid had de raad (van discipelen te Jeruzalem) besloten, dat de bekeerlingen uit de Joodse gemeente de instellingen van de Mozaïsche wet konden waarnemen, als ze dat wilden, terwijl deze inzettingen niet verplicht zouden worden voor bekeerlingen uit de heidenen. De groep, die daar tegen was, maakte hiervan gebruik door aan te dringen op een onderscheid tussen hen, die zich aan de ceremoniële wet hielden en hen, die dat niet deden, met de bewering, dat de laatsten verder van God waren dan de eersten.
De verontwaardiging van Paulus was gewekt. Zijn stem werd gehoord met de strenge bestraffing: ‘Indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen’. De partij, die handhaafde, dat het christendom zonder besnijdenis waardeloos was, schaarde zich tegen de apostel, en hij moest hun het hoofd bieden in elke gemeente, die hij had gesticht of bezocht: Jeruzalem, Antiochië, Galatië, Korinthe, Efeze en Rome. God had er bij hem op aangedrongen om het grote werk te doen, Christus en Dien gekruisigd te prediken; besneden te zijn of onbesneden te zijn, was niets. De judaïserende partij zag hem (Paulus) als een afvallige, die erop uit was de scheidsmuur af te breken, die God had opgericht tussen de Israëlieten en de wereld. Zij bezochten elke gemeente, die hij had gesticht, en verwekten verdeeldheid. Met de gedachte, dat het doel de middelen heiligt, verspreidden zij valse aanklachten tegen de apostel en trachtten hem in diskrediet te brengen. Wanneer Paulus bij het bezoeken van de gemeenten achter deze ijverige en gewetenloze tegenstanders aankwam, ontmoette hij velen, die hem wantrouwden en sommigen, die zelfs zijn werk verachtten.
Deze verdeeldheid met betrekking tot de ceremoniële wet en de betrekkelijke verdiensten van de verscheidene evangeliedienaars, die de leer van Christus verkondigden, bezorgden de apostel veel zorg en hard werk. (Zie 1 Korinthe 1:10-13).” –Bijbelkommentaar, blz. 530.
A. Terwijl de ceremoniële wet en besnijdenis door God waren gegeven met een doel binnen het oude Hebreeuwse beheer, wat moeten allen beseffen, die Christus aannemen als de enige Bron van eeuwig leven?
Galaten 5:6.
“Echt geloof werkt altijd door liefde. Als u naar Golgotha kijkt, is het niet om uw ziel tot rust te brengen bij het niet vervullen van uw plicht, niet om uzelf in slaap te brengen, maar om geloof in Jezus te scheppen, geloof dat zal werken, de ziel te zuiveren van het slijm van egoïsme. Als wij beslag leggen op Christus door geloof, is ons werk net begonnen. Ieder mens heeft verdorven en zondige gewoonten, die moeten worden overwonnen door krachtige strijd. Elke ziel is vereist om de strijd van het geloof te strijden. Als iemand een volgeling van Christus is, kan hij niet scherp zijn in zaken, hij kan niet hardvochtig zijn, verstoken van medeleven. Hij kan niet grof zijn in zijn spraak. Hij kan niet vol trots en eigendunk zijn. Hij kan niet aanmatigend zijn, noch kan hij harde woorden gebruiken, afkeuren en veroordelen.” –Selected Messages 2, blz. 20.
“Het werk van de liefde ontstaat uit het werk van het geloof. Bijbelse godsdienst betekent altijd werken. ‘Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’. ‘Bewerkt uw eigen zaligheid met vreze en beven, want het is God, die in u werkt, beide het willen het werken, naar Zijn welbehagen’. Wij moeten ijverig zijn in goede werken; denk eraan goede werken te blijven doen. De waarachtige Getuige zegt: ‘Ik weet uw werken’.
Hoewel het waar is, dat onze vele activiteiten in zichzelf de zaligheid niet verdienen, is het ook een feit, dat het geloof, dat ons met Christus verenigt, de ziel zal wekken tot waakzaamheid.” –Bijbelkommentaar, blz. 531.
1. Hoe vergissen wij ons op dezelfde manier, als toen Hagar een zoon voor Abraham moest dragen?
2. Welke zegen en plicht kwamen, toen Abraham en Sara meer op God vertrouwden?
3. Hoe kan ik in gevaar zijn iets toe te voegen aan of af te trekken van, wat God heeft geschreven om mogelijk een groter aantal bekeerlingen te krijgen, en waarom zou dit verkeerd zijn om te doen?
4. Op welke manieren zou ik onenigheid kunnen veroorzaken over kwesties, die niet heilzaam zijn?
5. Wat moet de echte motivatie zijn achter alles, wat ik doe in het leven?