Het Evangelie volgens Paulus: Galaten — SABBAT, 13 november 2021

Les 7: Het verbond der genade

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof”

Galaten 3:14

“Voordat de fundamenten van de aarde werden gelegd, was het verbond gemaakt, dat allen die gehoorzaam waren, allen die moeten voorzien worden door de overvloedige genade, worden heilig van karakter en zonder schuld voor God, door die genade toe te eigenen, zullen kinderen van God zijn. Dit verbond, gemaakt van eeuwigheid, werd aan Abraham gegeven, honderden jaren voordat Christus kwam.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 403.

Aanvullende studie :: -Patriarchen en Profeten, blz. 327-337.

ZONDAG — 7 november

1. Christus in patriarchale tijden

A. Hoe introduceerde Paulus in een toespraak tot de Galaten, die beïnvloed waren door Joden, de verbinding tussen Abraham, van wie de Hebreeën allemaal aanspraak maakten als hun vader door afkomst, en Christus?

Galaten 3:6-8.

Galaten 3:6: Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; Galaten 3:7: Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. Galaten 3:8: En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.

“Niet alleen bij de komst van de Heiland, maar in alle eeuwen na de zondeval en in de beloften van verlossing was ‘God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende’ 2 Korinthe 5:19. Christus was de grondslag en het middelpunt van het offerstelsel, zowel in het tijdperk der patriarchen als in het Joodse tijdperk. Sedert de zonde van onze stamouders is er geen rechtstreekse gemeenschap geweest tussen God en de mens. De Vader heeft de wereld gelegd in de handen van Christus, opdat Deze door Zijn middelaarswerk de mens kan verlossen en het gezag en de heiligheid van Gods wet kan rechtvaardigen. Alle gemeenschap tussen de hemel en het gevallen mensdom vond plaats door Christus.” –Patriarchen en Profeten, blz. 330.

B. Wie zijn degenen, die gezegend zijn in tegenstelling tot de vervloekten?

Galaten 3:9-10.

Galaten 3:9: Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham. Galaten 3:10: Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

MAANDAG — 8 november

2. Christus en de twee wetten

A. Leg het verband uit tussen Christus en Zijn eeuwige morele wet der Tien Geboden.

Jesaja 42:21;

Jesaja 42:21: De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.

Galaten 3:11-14.

Galaten 3:11: En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Galaten 3:12: Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Galaten 3:13: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Galaten 3:14: Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof.

“De wet van God bestond, voordat de mens werd geschapen. Deze was aangepast aan de toestand van heilige wezens; zelfs engelen werden erdoor geregeerd. Na de val waren de beginselen van gerechtigheid ongewijzigd. Niets was uit de wet genomen; niet één van de heilige voorschriften kon worden verbeterd. En zoals deze vanaf het begin heeft bestaan, zo zal deze blijven bestaan gedurende de onophoudelijke tijdperken van de eeuwigheid…

Door deze wet, die de engelen regeert, die reinheid vereist in de meest geheime gedachten, verlangens en neigingen, en die ‘bestaat tot in eeuwigheid’ (Psalm 111:9), moet de hele wereld oordelen op de snel naderende dag van God.” –Selected Messages 1, blz. 220.

“Christus en de Vader, die zij aan zij op de berg stonden, verkondigden met plechtige majesteit de Tien Geboden.” –Evangelism, blz. 616.

“Indien de wet van God veranderd of opgeheven zou kunnen worden, dan had Christus om de gevolgen van onze overtredingen niet hoeven te lijden. Hij kwam om de verhouding van de wet tot de mens te verklaren, en om de voorschriften daarvan te illustreren met Zijn eigen leven van gehoorzaamheid.” –De Wens der Eeuwen, blz. 258.

B. Leg het contrast uit in de ceremoniële wet, die vooruit wees op het Offerlam van God.

Hebreeën 9:27-28 (eerste deel);

Hebreeën 9:27: En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;

Hebreeën 10:1, 4-10.

[Heb.10.1,Heb.10.4-Heb.10.10]

“Hij kreeg de belofte van een Verlosser, en offerranden, die heenwezen op de dood van Christus als het grote zondoffer, werden ingesteld. Was Gods wet niet overtreden geworden, dan zou er geen dood geweest zijn en was er geen Verlosser nodig geweest; bijgevolg zouden offerranden niet nodig zijn geweest.” –Patriarchen en Profeten, blz. 327.

“Er zijn velen, die trachten deze beide stelsels te verwarren door teksten te gebruiken, die betrekking hebben op de ceremoniële wet en hiermee aan te tonen, dat de morele wet is afgeschaft; maar dit is een verdraaien van de Schrift. Het verschil tussen de beide stelsels is groot en duidelijk. Het ceremoniële stelsel bestond uit symbolen, die heenwezen naar Christus, naar Zijn offer en priesterschap. Deze rituele wet moest, met haar offers en instellingen, door de Hebreeën beoefend worden, tot schaduw en werkelijkheid elkaar ontmoetten in de dood van Christus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Dan zou er een eind komen aan alle slachtoffers.” –Patriarchen en Profeten, blz. 328-329.

DINSDAG — 9 november

3. Genade

A. Wanneer was het genadeverbond voor het eerst nodig en was er onmiddellijk in voorzien, wijzend op de komst van de Verlosser?

Genesis 3:9-11,

Genesis 3:9: En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? Genesis 3:10: En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. Genesis 3:11: En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

Genesis 3:14-15,

Genesis 3:14: Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens. Genesis 3:15: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

Genesis 3:21.

Genesis 3:21: En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.

“Zodra er zonde ontstond, was er een Heiland.” –De Wens der Eeuwen, blz. 169.

“Het verbond der genade werd voor het eerst met de mens gesloten in het paradijs, toen na de zondeval de belofte werd gegeven, dat het zaad der vrouw de kop van de slang zou verbrijzelen. Dit verbond biedt alle mensen vergiffenis en de hulp van Gods genade voor latere gehoorzaamheid door het geloof in Christus. Tevens beloofde het eeuwig leven op voorwaarde van trouw aan Gods wet. Op deze wijze hebben de aartsvaders de hoop der zaligheid ontvangen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 333-334.

B. Hoe werd dit verbond met Abraham vernieuwd, en wanneer werd het bekrachtigd?

Genesis 22:18;

Genesis 22:18: En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.

Galaten 3:14-18.

Galaten 3:14: Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof. Galaten 3:15: Broeders, ik spreek naar den mens: zelfs eens mensen verbond, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe. Galaten 3:16: Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; hetwelk is Christus. Galaten 3:17: En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. Galaten 3:18: Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.

“Hij (Abraham) vertrouwde op Christus voor het vergeven van zijn zonden. Door dit geloof werd hij gerechtvaardigd. Het verbond met Abraham handhaafde ook het gezag van Gods wet. De Here verscheen aan Abraham en zei: ‘Ik ben God, de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht en wees onberispelijk’ Genesis 17:1. Gods getuigenis aangaande Zijn getrouwe dienstknecht luidde: ‘Abraham heeft naar Mij geluisterd en Mijn dienst in acht genomen: Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten’ Genesis 26 :5. En de Heere zei tot hem: ‘Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn’ Genesis 17:7.

Hoewel dit verbond gemaakt is met Adam, en met Abraham vernieuwd werd, kon het eerst bij de dood van Christus bekrachtigd worden. Het had bestaan op grond van Gods belofte vanaf de tijd, dat voor het eerst over het verlossingsplan gesproken was; door geloof was het aanvaard; toch werd het een nieuw verbond genoemd, toen het door Christus bekrachtigd werd. Gods wet vormde de basis van dit verbond, dat bestond uit een schikking om de mensen opnieuw in harmonie te brengen met Gods wil, door hen daar te brengen waar ze aan Gods wet konden gehoorzamen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 334.

WOENSDAG — 10 november

4. De twee verbonden

A. Wat was het “oude” verbond, wie verbrak het, en waarom kon er niet op vertrouwd worden?

Exodus 24:6-8;

Exodus 24:6: En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar. Exodus 24:7: En hij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren des volks; en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. Exodus 24:8: Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zeide: Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de HEERE met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.

Exodus 32:1,

Exodus 32:1: Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aaron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.

Exodus 32:31.

Exodus 32:31: Zo keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.

“Een andere overeenkomst, in de Schrift het ‘oude verbond’ genoemd, werd gesloten tussen God en Israël bij de Sinaï, dat bekrachtigd werd door het bloed van een offerdier…

Gedurende hun slavernij had het volk in grote mate de kennis van God en de beginselen van het verbond met Abraham verloren…

Toen ze leefden te midden van afgoderij en verderf, hadden ze geen juiste voorstelling van Gods heiligheid, van de zondigheid van hun eigen hart, hun volstrekte onbekwaamheid om uit zichzelf gehoorzaam te zijn aan Gods wet, en hun behoefte aan een Zaligmaker. Dit alles moesten ze nog leren.

God voerde hen naar de Sinaï; Hij openbaarde Zijn heerlijkheid; Hij gaf hun Zijn wet, met de belofte van rijke zegeningen als ze gehoorzaam zouden zijn: ‘Indien gij aandachtig naar Mij luistert en Mijn verbond bewaart, dan … zult gij Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk’ Exodus 19:5-6. Het volk besefte niet de zondigheid van hun eigen hart, omdat ze zonder Christus onmogelijk Gods wet konden houden; ze waren dan ook direct bereid met God een verbond aan te gaan. Met het gevoel, dat ze hun eigen gerechtigheid konden bewerken, zeiden ze: ‘Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen’ Exodus 24:7. Ze hadden gezien, hoe de wet in ontzagwekkende majesteit was verkondigd, en beefden van ontzetting aan de voet van de berg; en toch verstreken er slechts enkele weken, voor ze hun verbond met God verbraken en zich bogen voor een gegoten beeld. Ze konden niet rekenen op de gunst van God op grond van een verbond, dat ze verbroken hadden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 334-335.

B. Hoe vernieuwde de Heer op genadige wijze het oorspronkelijke verbond, dat aan Abraham was gegeven en noemde het het ‘nieuwe’ verbond?

Jeremia 31:33-34;

Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

Psalm 40:9.

Psalmen 40:9: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.

“De wet, die op de stenen tafelen was gegrift, wordt door de Heilige Geest op de tafelen van het hart geschreven. In plaats van te trachten onze eigen gerechtigheid te bewerken, aanvaarden we de gerechtigheid van Christus. Zijn bloed is een verzoening voor onze zonden. Zijn gehoorzaamheid wordt ons toegerekend. Dan zal het hart, dat door de Heilige Geest vernieuwd is, de vruchten van de Geest voortbrengen. Door de genade van Christus zullen we leven in gehoorzaamheid aan Gods wet, die in ons hart geschreven staat. Bezield met de geest van Christus zullen we wandelen, zoals Hij gewandeld heeft.” –Patriarchen en Profeten, blz. 336.

DONDERDAG — 11 november

5. Christus straalt van binnenuit

A. Hoe beschrijft het Nieuwe Testament hetzelfde verbond der genade voor ons in deze tijd?

Hebreeën 8:10-13;

Hebreeën 8:10: Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israels maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8:11: En zij zullen niet leren, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen. Hebreeën 8:12: Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken. Hebreeën 8:13: Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.

Jakobus 2:18-23.

Jakobus 2:18: Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. Jakobus 2:19: Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen. Jakobus 2:20: Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is? Jakobus 2:21: Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Jakobus 2:22: Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? Jakobus 2:23: En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.

“Abraham geloofde God. Hoe weten wij, dat hij geloofde? Zijn werken getuigden van het karakter van zijn geloof, en zijn geloof werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Wij hebben in onze tijd het geloof van Abraham nodig om de duisternis te verlichten, die zich rond ons samenpakt en het aangename zonlicht van Gods liefde buiten sluit, waardoor geestelijke groei belemmerd wordt. Ons geloof moet rijk aan goede werken zijn; want geloof zonder werken is dood. Elke plicht, die u vervult, en elk offer, dat in Jezus’ naam wordt gebracht, levert een oneindig grote beloning op. God spreekt en geeft Zijn zegen juist in het vervullen van onze plicht.” –Christus Weerspiegelen, blz. 78.

“De veranderende kracht van de genade van Christus vormt degene, die zichzelf overgeeft aan Gods dienst. Doortrokken van de Geest van de Verlosser is hij bereid zichzelf te verloochenen, bereid het kruis op te nemen, bereid elk offer voor de Meester te brengen. Niet langer kan hij onverschillig staan tegenover de verloren gaande zielen om hem heen. Hij wordt verheven boven eigenbelang. Hij is een nieuw schepsel in Christus, en eigenbelang heeft geen plaats in zijn leven.” –Testimonies for the Church 7, blz. 9.

“Hebt u zo’n grote waardering voor het op Golgotha gebrachte offer, dat u bereid bent elk ander belang ondergeschikt te maken aan het werk der zielenredding? Datzelfde vurige verlangen om zondaars te redden, dat het leven van de Heiland kenmerkte, kenmerkt het leven van zijn ware navolger. De christen heeft geen verlangen enkel voor zichzelf te leven. Hij vindt er blijdschap in, al wat hij heeft en al wat hij is, te wijden aan de dienst van de Meester. Hij voelt zich gedrongen door een onuitsprekelijk verlangen om zielen voor Christus te winnen. Wie niets van dit verlangen kennen, kunnen beter acht geven op hun eigen zaligheid. Laten ze bidden om een dienende geest.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 354-355.

VRIJDAG — 12 november

Terugblik

1. Waar was Christus in de tijd van het Oude Testament?

2. Wat is het verschil tussen de morele en de ceremoniële wetten?

3. Hoe lang heeft het nieuwe verbond bestaan, en waarom wordt het “nieuw” genoemd?

4. Op welke manier worden wij in staat gesteld om de morele wet van een heilige God te houden?

5. Wat zou u uitleggen aan iemand, die u ervan beschuldigt “onder de wet” te zijn?