Tekst om te onthouden: “Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof”
Galaten 3:14
“Voordat de fundamenten van de aarde werden gelegd, was het verbond gemaakt, dat allen die gehoorzaam waren, allen die moeten voorzien worden door de overvloedige genade, worden heilig van karakter en zonder schuld voor God, door die genade toe te eigenen, zullen kinderen van God zijn. Dit verbond, gemaakt van eeuwigheid, werd aan Abraham gegeven, honderden jaren voordat Christus kwam.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 403.
Aanvullende studie :: -Patriarchen en Profeten, blz. 327-337.
A. Hoe introduceerde Paulus in een toespraak tot de Galaten, die beïnvloed waren door Joden, de verbinding tussen Abraham, van wie de Hebreeën allemaal aanspraak maakten als hun vader door afkomst, en Christus?
Galaten 3:6-8.
“Niet alleen bij de komst van de Heiland, maar in alle eeuwen na de zondeval en in de beloften van verlossing was ‘God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende’ 2 Korinthe 5:19. Christus was de grondslag en het middelpunt van het offerstelsel, zowel in het tijdperk der patriarchen als in het Joodse tijdperk. Sedert de zonde van onze stamouders is er geen rechtstreekse gemeenschap geweest tussen God en de mens. De Vader heeft de wereld gelegd in de handen van Christus, opdat Deze door Zijn middelaarswerk de mens kan verlossen en het gezag en de heiligheid van Gods wet kan rechtvaardigen. Alle gemeenschap tussen de hemel en het gevallen mensdom vond plaats door Christus.” –Patriarchen en Profeten, blz. 330.
B. Wie zijn degenen, die gezegend zijn in tegenstelling tot de vervloekten?
Galaten 3:9-10.
A. Leg het verband uit tussen Christus en Zijn eeuwige morele wet der Tien Geboden.
Jesaja 42:21;
Galaten 3:11-14.
“De wet van God bestond, voordat de mens werd geschapen. Deze was aangepast aan de toestand van heilige wezens; zelfs engelen werden erdoor geregeerd. Na de val waren de beginselen van gerechtigheid ongewijzigd. Niets was uit de wet genomen; niet één van de heilige voorschriften kon worden verbeterd. En zoals deze vanaf het begin heeft bestaan, zo zal deze blijven bestaan gedurende de onophoudelijke tijdperken van de eeuwigheid…
Door deze wet, die de engelen regeert, die reinheid vereist in de meest geheime gedachten, verlangens en neigingen, en die ‘bestaat tot in eeuwigheid’ (Psalm 111:9), moet de hele wereld oordelen op de snel naderende dag van God.” –Selected Messages 1, blz. 220.
“Christus en de Vader, die zij aan zij op de berg stonden, verkondigden met plechtige majesteit de Tien Geboden.” –Evangelism, blz. 616.
“Indien de wet van God veranderd of opgeheven zou kunnen worden, dan had Christus om de gevolgen van onze overtredingen niet hoeven te lijden. Hij kwam om de verhouding van de wet tot de mens te verklaren, en om de voorschriften daarvan te illustreren met Zijn eigen leven van gehoorzaamheid.” –De Wens der Eeuwen, blz. 258.
B. Leg het contrast uit in de ceremoniële wet, die vooruit wees op het Offerlam van God.
Hebreeën 9:27-28 (eerste deel);
Hebreeën 10:1, 4-10.
“Hij kreeg de belofte van een Verlosser, en offerranden, die heenwezen op de dood van Christus als het grote zondoffer, werden ingesteld. Was Gods wet niet overtreden geworden, dan zou er geen dood geweest zijn en was er geen Verlosser nodig geweest; bijgevolg zouden offerranden niet nodig zijn geweest.” –Patriarchen en Profeten, blz. 327.
“Er zijn velen, die trachten deze beide stelsels te verwarren door teksten te gebruiken, die betrekking hebben op de ceremoniële wet en hiermee aan te tonen, dat de morele wet is afgeschaft; maar dit is een verdraaien van de Schrift. Het verschil tussen de beide stelsels is groot en duidelijk. Het ceremoniële stelsel bestond uit symbolen, die heenwezen naar Christus, naar Zijn offer en priesterschap. Deze rituele wet moest, met haar offers en instellingen, door de Hebreeën beoefend worden, tot schaduw en werkelijkheid elkaar ontmoetten in de dood van Christus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Dan zou er een eind komen aan alle slachtoffers.” –Patriarchen en Profeten, blz. 328-329.
A. Wanneer was het genadeverbond voor het eerst nodig en was er onmiddellijk in voorzien, wijzend op de komst van de Verlosser?
Genesis 3:9-11,
Genesis 3:14-15,
Genesis 3:21.
“Zodra er zonde ontstond, was er een Heiland.” –De Wens der Eeuwen, blz. 169.
“Het verbond der genade werd voor het eerst met de mens gesloten in het paradijs, toen na de zondeval de belofte werd gegeven, dat het zaad der vrouw de kop van de slang zou verbrijzelen. Dit verbond biedt alle mensen vergiffenis en de hulp van Gods genade voor latere gehoorzaamheid door het geloof in Christus. Tevens beloofde het eeuwig leven op voorwaarde van trouw aan Gods wet. Op deze wijze hebben de aartsvaders de hoop der zaligheid ontvangen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 333-334.
B. Hoe werd dit verbond met Abraham vernieuwd, en wanneer werd het bekrachtigd?
Genesis 22:18;
Galaten 3:14-18.
“Hij (Abraham) vertrouwde op Christus voor het vergeven van zijn zonden. Door dit geloof werd hij gerechtvaardigd. Het verbond met Abraham handhaafde ook het gezag van Gods wet. De Here verscheen aan Abraham en zei: ‘Ik ben God, de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht en wees onberispelijk’ Genesis 17:1. Gods getuigenis aangaande Zijn getrouwe dienstknecht luidde: ‘Abraham heeft naar Mij geluisterd en Mijn dienst in acht genomen: Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten’ Genesis 26 :5. En de Heere zei tot hem: ‘Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn’ Genesis 17:7.
Hoewel dit verbond gemaakt is met Adam, en met Abraham vernieuwd werd, kon het eerst bij de dood van Christus bekrachtigd worden. Het had bestaan op grond van Gods belofte vanaf de tijd, dat voor het eerst over het verlossingsplan gesproken was; door geloof was het aanvaard; toch werd het een nieuw verbond genoemd, toen het door Christus bekrachtigd werd. Gods wet vormde de basis van dit verbond, dat bestond uit een schikking om de mensen opnieuw in harmonie te brengen met Gods wil, door hen daar te brengen waar ze aan Gods wet konden gehoorzamen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 334.
A. Wat was het “oude” verbond, wie verbrak het, en waarom kon er niet op vertrouwd worden?
Exodus 24:6-8;
Exodus 32:1,
Exodus 32:31.
“Een andere overeenkomst, in de Schrift het ‘oude verbond’ genoemd, werd gesloten tussen God en Israël bij de Sinaï, dat bekrachtigd werd door het bloed van een offerdier…
Gedurende hun slavernij had het volk in grote mate de kennis van God en de beginselen van het verbond met Abraham verloren…
Toen ze leefden te midden van afgoderij en verderf, hadden ze geen juiste voorstelling van Gods heiligheid, van de zondigheid van hun eigen hart, hun volstrekte onbekwaamheid om uit zichzelf gehoorzaam te zijn aan Gods wet, en hun behoefte aan een Zaligmaker. Dit alles moesten ze nog leren.
God voerde hen naar de Sinaï; Hij openbaarde Zijn heerlijkheid; Hij gaf hun Zijn wet, met de belofte van rijke zegeningen als ze gehoorzaam zouden zijn: ‘Indien gij aandachtig naar Mij luistert en Mijn verbond bewaart, dan … zult gij Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk’ Exodus 19:5-6. Het volk besefte niet de zondigheid van hun eigen hart, omdat ze zonder Christus onmogelijk Gods wet konden houden; ze waren dan ook direct bereid met God een verbond aan te gaan. Met het gevoel, dat ze hun eigen gerechtigheid konden bewerken, zeiden ze: ‘Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen’ Exodus 24:7. Ze hadden gezien, hoe de wet in ontzagwekkende majesteit was verkondigd, en beefden van ontzetting aan de voet van de berg; en toch verstreken er slechts enkele weken, voor ze hun verbond met God verbraken en zich bogen voor een gegoten beeld. Ze konden niet rekenen op de gunst van God op grond van een verbond, dat ze verbroken hadden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 334-335.
B. Hoe vernieuwde de Heer op genadige wijze het oorspronkelijke verbond, dat aan Abraham was gegeven en noemde het het ‘nieuwe’ verbond?
Jeremia 31:33-34;
Psalm 40:9.
“De wet, die op de stenen tafelen was gegrift, wordt door de Heilige Geest op de tafelen van het hart geschreven. In plaats van te trachten onze eigen gerechtigheid te bewerken, aanvaarden we de gerechtigheid van Christus. Zijn bloed is een verzoening voor onze zonden. Zijn gehoorzaamheid wordt ons toegerekend. Dan zal het hart, dat door de Heilige Geest vernieuwd is, de vruchten van de Geest voortbrengen. Door de genade van Christus zullen we leven in gehoorzaamheid aan Gods wet, die in ons hart geschreven staat. Bezield met de geest van Christus zullen we wandelen, zoals Hij gewandeld heeft.” –Patriarchen en Profeten, blz. 336.
A. Hoe beschrijft het Nieuwe Testament hetzelfde verbond der genade voor ons in deze tijd?
Hebreeën 8:10-13;
Jakobus 2:18-23.
“Abraham geloofde God. Hoe weten wij, dat hij geloofde? Zijn werken getuigden van het karakter van zijn geloof, en zijn geloof werd hem tot gerechtigheid gerekend.
Wij hebben in onze tijd het geloof van Abraham nodig om de duisternis te verlichten, die zich rond ons samenpakt en het aangename zonlicht van Gods liefde buiten sluit, waardoor geestelijke groei belemmerd wordt. Ons geloof moet rijk aan goede werken zijn; want geloof zonder werken is dood. Elke plicht, die u vervult, en elk offer, dat in Jezus’ naam wordt gebracht, levert een oneindig grote beloning op. God spreekt en geeft Zijn zegen juist in het vervullen van onze plicht.” –Christus Weerspiegelen, blz. 78.
“De veranderende kracht van de genade van Christus vormt degene, die zichzelf overgeeft aan Gods dienst. Doortrokken van de Geest van de Verlosser is hij bereid zichzelf te verloochenen, bereid het kruis op te nemen, bereid elk offer voor de Meester te brengen. Niet langer kan hij onverschillig staan tegenover de verloren gaande zielen om hem heen. Hij wordt verheven boven eigenbelang. Hij is een nieuw schepsel in Christus, en eigenbelang heeft geen plaats in zijn leven.” –Testimonies for the Church 7, blz. 9.
“Hebt u zo’n grote waardering voor het op Golgotha gebrachte offer, dat u bereid bent elk ander belang ondergeschikt te maken aan het werk der zielenredding? Datzelfde vurige verlangen om zondaars te redden, dat het leven van de Heiland kenmerkte, kenmerkt het leven van zijn ware navolger. De christen heeft geen verlangen enkel voor zichzelf te leven. Hij vindt er blijdschap in, al wat hij heeft en al wat hij is, te wijden aan de dienst van de Meester. Hij voelt zich gedrongen door een onuitsprekelijk verlangen om zielen voor Christus te winnen. Wie niets van dit verlangen kennen, kunnen beter acht geven op hun eigen zaligheid. Laten ze bidden om een dienende geest.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 354-355.
1. Waar was Christus in de tijd van het Oude Testament?
2. Wat is het verschil tussen de morele en de ceremoniële wetten?
3. Hoe lang heeft het nieuwe verbond bestaan, en waarom wordt het “nieuw” genoemd?
4. Op welke manier worden wij in staat gesteld om de morele wet van een heilige God te houden?
5. Wat zou u uitleggen aan iemand, die u ervan beschuldigt “onder de wet” te zijn?