Lessen uit het boek Handelingen (2) — Sabbat, 28 augustus 2021

Les 9: De apostel onder belegering

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “En Hij (de Heere) zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden”

Handelingen 22:21

“Zij moeten, die geroepen worden om zich met Christus te verenigen, alles verlaten om Hem na te volgen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz.. 17.

Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 297-304.

ZONDAG — 22 augustus

1. Christus openbaren

A. Aan wat herinnert de behandeling van Paulus ons?

Handelingen 21:33-36;

Handelingen 21:33: Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had. Handelingen 21:34: En onder de schare riep de ene dit, de andere wat anders. Doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen. Handelingen 21:35: En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd vanwege het geweld der schare. Handelingen 21:36: Want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem!

Lukas 23:18.

Lukas 23:18: Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.

“Toen de Zoon van God terecht stond, riepen de Joden: ‘Weg met Hem, kruisig Hem!’ omdat Zijn zuivere leven en heilige leer hen overtuigden van zonde en hen veroordeelden; en om dezelfde reden roepen velen in hun hart het uit tegen het woord van God.” –Counsels to Parents, Teachers, and Students, blz. 425.

B. Waarom opende de goddelijke Voorzienigheid de weg in de verdediging van Paulus?

Handelingen 21:37-39.

Handelingen 21:37: En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieks? Handelingen 21:38: Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? Handelingen 21:39: Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van gene onvermaarde stad in Cilicie, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.

“Te midden van het tumult bleef de apostel kalm en beheerst. Zijn geest was op God gericht en hij wist, dat hemelse engelen om hem heen waren. Hij kon de tempel niet verlaten zonder een poging te doen om zijn landgenoten de waarheid voor te houden. Daarom wendde hij zich tot de bevelvoerende officier en sprak hem op een respectvolle wijze aan in het Grieks en zei: “Mag ik tot u spreken?” … en smeekt om toestemming om tot de mensen te spreken. De Heer had Zijn dienstknecht een invloed gegeven op de Romeinse officier, en het verzoek werd ingewilligd.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 218.

MAANDAG — 23 augustus

2. Een edele verdediging

A. Noem enkele hoogtepunten van Paulus’ verdediging.

Handelingen 21:40; 22:1-11.

Handelingen 21:40: En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende: Handelingen 22:1: Mannen broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal. Handelingen 22:2: (Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:) Handelingen 22:3: Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicie geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliel onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt; Handelingen 22:4: Die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen. Handelingen 22:5: Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad der ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. Handelingen 22:6: Maar het geschiedde mij, als ik reisde, en Damaskus genaakte, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen. Handelingen 22:7: En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Handelingen 22:8: En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Welken gij vervolgt. Handelingen 22:9: En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem Desgenen, Die tot mij sprak, hoorden zij niet. Handelingen 22:10: En ik zeide: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op, en ga heen naar Damaskus; en aldaar zal met u gesproken worden, van al hetgeen u geordineerd is te doen. Handelingen 22:11: En als ik vanwege de heerlijkheid deszelven lichts niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam te Damaskus.

“De apostel kon nooit zijn bekering vergeten, van vervolger van allen, die in Christus geloofden, tot Zijn volgeling! Hoeveel invloed had dit op zijn latere even! Welk een bemoediging was het te werken voor Hem, die hij vroeger veracht en bespottelijk gemaakt had. Nooit kon hij de verzekering vergeten, die hij in het eerste deel van zijn werk kreeg. Hij kon bewust spreken, omdat hij een ervaring, een persoonlijke kennis bezat van de Here Jezus.. Hij had een levend blijvend geloof, want hij kweekte een gevoel aan van de tegenwoordigheid van Christus in al zijn werken. Hij kreeg kracht door het gebed en als een getrouw strijder van Christus zag hij altijd op naar zijn Bevelvoerder voor opdrachten.” –Bijbelkommentaar, blz. 453.

B. Waarom was Paulus er helemaal zeker van, dat hij door God geroepen was om de heidenwereld te dienen?

Handelingen 22:12-21.

Handelingen 22:12: En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden, Handelingen 22:13: Kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende! En ter zelfder ure werd ik ziende op hem. Handelingen 22:14: En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen. Handelingen 22:15: Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. Handelingen 22:16: En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren. Handelingen 22:17: En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was, en in den tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was; Handelingen 22:18: En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u, en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen. Handelingen 22:19: En ik zeide: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden; Handelingen 22:20: En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Handelingen 22:21: En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.

“Zo had de Here Paulus de opdracht gegeven om het grote zendingsveld der heidenen te betreden. Om hem op dit uitgebreide en moeilijke werk voor te bereiden, had God hem in nauwe verbinding met Zichzelf gebracht voor zijn in vervoering gebrachte blikken tonelen van hemelse schoonheid en heerlijkheid onthuld.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 120.

C. Hoe reageerde de menigte op Paulus, en wat was het gevolg?

Handelingen 22:22-24.

Handelingen 22:22: Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve. Handelingen 22:23: En als zij riepen, en de klederen van zich smeten, en stof in de lucht wierpen, Handelingen 22:24: Zo beval de overste, dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zeide, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij alzo over hem riepen.

“Hij (de Romeinse hoofdman) had de Hebreeuwse toespraak van Paulus niet begrepen, en kwam tot de conclusie door de algemene opwinding, dat zijn gevangene schuldig moest zijn aan een of andere grote misdaad…

Het lichaam van de apostel werd uitgestrekt, als dat van een gewone boosdoener, om de zweepslagen te ontvangen. Er was geen vriend om hem bij te staan. Hij was in een Romeins kamp, slechts omringd door meedogenloze soldaten..” –Sketches From the Life of Paul, blz. 220.

D. Waarom werd Paulus gespaard voor een nog ergere beproeving?

Handelingen 22:25-29.

Handelingen 22:25: En alzo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeinsen mens, en dien onveroordeeld, te geselen? Handelingen 22:26: Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en boodschapte het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein. Handelingen 22:27: En de overste kwam toe, en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja. Handelingen 22:28: En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som gelds verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren. Handelingen 22:29: Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.

DINSDAG — 24 augustus

3. Voor de raad

A. Hoe begon Paulus’ verhoor voor de raad, en wat profeteerde hij?

Handelingen 22:30; 23:1-5.

Handelingen 22:30: En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen. Handelingen 23:1: En Paulus, de ogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag. Handelingen 23:2: Maar de hogepriester Ananias beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. Handelingen 23:3: Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan? Handelingen 23:4: En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods? Handelingen 23:5: En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.

“Onder invloed van de Heilige Geest uitte Paulus een profetische aankondiging, gelijk aan die welke Christus had uitgesproken bij het bestraffen van de huichelarij van de Joden. Het oordeel, uitgesproken door de apostel, ging op een verschrikkelijke wijze in vervulling, toen de onrechtvaardige en huichelachtige hogepriester door moordenaars werd omgebracht tijdens de Joodse oorlog.” –Bijbelkommentaar, blz. 453.

B. Hoe richtte Paulus weer de aandacht van de toehoorders wijselijk?

Handelingen 23:6-9.

Handelingen 23:6: En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceen, en het andere van de Farizeen, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeer, eens Farizeers zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld. Handelingen 23:7: En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de Farizeen en de Sadduceen, en de menigte werd verdeeld. Handelingen 23:8: Want de Sadduceen zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeen belijden het beide. Handelingen 23:9: En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeen stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.

“De Farizeeën waren heel strikt wat betreft de uiterlijke waarneming van vormen en gebruiken en waren vervuld van hooghartige, wereldse, huichelachtige eigengerechtigheid. De Sadduceeën loochenden de opstanding der doden, het bestaan van engelen en stonden sceptisch tegenover God. Deze sekte bestond voornamelijk uit onwaardige personen en velen van hen waren losbandig in hun gewoonten.” –Bijbelkommentaar, blz. 301.

“De beide partijen begonnen onderling te redetwisten en zo werd de kracht van de oppositie tegen Paulus gebroken…

In de verwarring, die ontstond, streefden de Sadduceeën er vurig naar Paulus in hun macht te krijgen, opdat zij hem mochten doden; en de Farizeeën streefden er even vurig naar om hem te beschermen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 300.

C. Hoe was Paulus beschermd en wat brengt dit ons in herinnering?

Handelingen 23:10.

Handelingen 23:10: En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.

“Wat wij in Gods ogen zijn, hangt niet af van de hoeveelheid licht, die wij ontvangen hebben, maar van de wijze waarop we datgene, wat wij hebben, gebruiken. Op deze wijze bevinden zelfs de heidenen, die het goede kiezen, voor zover zij dat kunnen onderscheiden, zich in een gunstiger positie dan zij, die het grote licht ontvangen hebben, en belijden God te dienen, maar die geen acht slaan op het licht, en hun belijdenis tegenspreken door hun dagelijks leven.” –De Wens der Eeuwen, blz. 194.

WOENSDAG — 25 augustus

4. Wanneer alleen in de duisternis

A. Wat waren de gedachten van Paulus, toen hij ‘s nachts alleen in de gevangenistoren was, en wat bracht hem troost?

Handelingen 23:11.

Handelingen 23:11: En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.

“Later, toen Paulus de smartelijke belevenis van die dag overdacht, bekroop hem de vrees, dat zijn handelwijze Gode niet welgevallig was geweest. Was het misschien mogelijk, dat hij, welbeschouwd, er verkeerd aan had gedaan Jeruzalem te bezoeken? Had zijn grote verlangen om met zijn broeders verenigd te zijn, tot dit noodlottige gevolg geleid?

De plaats die de Joden als Gods speciale volk ten aanzien van de ongelovige wereld innamen, veroorzaakte de apostel hevige zielensmart. Hoe zouden de heidense krijgslieden tegen hen kunnen opzien, tegen hen die de aanbidders van Jehova moesten zijn, die heilige ambten bekleedden, en die zich thans aan de heerschappij van blinde, redeloze toorn overgaven, en zelfs hun broeders naar het leven stonden, die het waagden in geloofszaken met hen van mening te verschillen; tegen hen die het ernstigste overleg in de Raad deden verkeren in een scene van strijd en onbeschrijfelijke verwarring? Paulus gevoelde, dat de naam van zijn God in de ogen van de heidenen werd onteerd.

En nu zat hij in de gevangenis, en hij wist, dat zijn vijanden, in hun nietsontziende haat, alles in het werk zouden stellen om hem ter dood te brengen. Kon het zijn, dat zijn werk voor de gemeente afgelopen was, en dat grimmige wolven nu waren binnengekomen? De zaak van Christus lag Paulus na aan het hart, en met grote bezorgdheid dacht hij aan de gevaren voor de verstrooide gemeenten, die waren blootgesteld aan de vervolging van juist zulke lieden als, waarmee hij te doen had in de Hoge Raad. In droefheid en moedeloosheid weende hij en bad hij.

In deze donkere ure vergat de Here Zijn dienaar niet. Hij had hem beschermd tegen de bloeddorstige menigte in de voorhoven van de tempel; Hij was met hem geweest, toen hij voor de Hoge Raad stond; Hij was met hem in de kazerne; en, in antwoord op de ernstige gebeden van de apostel om leiding, openbaarde Hij Zich aan Zijn trouwe getuige. (Zie Handelingen 23:11).” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 300-301.

B. Wat toont Gods bereidheid om ons in de duisternis te troosten, net zoals Hij deed voor Paulus, en voor David alleen in de woestijn?

Psalm 63:6-7.

Psalmen 63:6: Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen. Psalmen 63:7: Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.

“Op alle tijden en in alle plaatsen, in alle smarten en beproevingen, wanneer het vooruitzicht duister schijnt en de toekomst verward en we ons hulpeloos en alleen voelen, zal de Trooster worden gezonden in antwoord op het gebed.” –De Daad bij het Woord, blz. 230.

DONDERDAG — 26 augustus

5. Vanuit zijn eigen natie

A. Welk plan bedacht de vijand van zielen de volgende dag?

Handelingen 23:12-15.

Handelingen 23:12: En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben. Handelingen 23:13: En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden; Handelingen 23:14: Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben. Handelingen 23:15: Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.

“Terwijl de Here Zijn dienaar bemoedigde, beraamden Paulus’ vijanden plannen voor zijn ondergang.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 301.

B. Wie gebruikte de Heer om het kwaadaardige plan aan de kaak te stellen?

Handelingen 23:16-21.

Handelingen 23:16: En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. Handelingen 23:17: En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. Handelingen 23:18: Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen. Handelingen 23:19: De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen? Handelingen 23:20: En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. Handelingen 23:21: Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.

C. Hoe alleen kon de overste het plan terzijde schuiven, en wat moet de vervolging tegen Paulus ons doen beseffen?

Handelingen 23:22-33.

Handelingen 23:22: De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. Handelingen 23:23: En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts; Handelingen 23:24: En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix. Handelingen 23:25: En hij schreef een brief, hebbende dezen inhoud: Handelingen 23:26: Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis. Handelingen 23:27: Alzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is. Handelingen 23:28: En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad; Handelingen 23:29: Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of banden waardig is. Handelingen 23:30: En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel. Handelingen 23:31: De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem des nachts tot Antipatris. Handelingen 23:32: En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats. Handelingen 23:33: Dewelken als zij te Cesarea gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.

“Het geval van Paulus was niet het eerste, waarbij een dienaar van God een toevluchtsoord bij de heidenen had gevonden tegen de boosaardigheid van degenen, die zich erop beroemden het volk van Jehova te zijn…

Terwijl de Joodse leiders voorgaven grote ijver voor de eer van God en voor het welzijn van Israël te bezitten, waren zij de vijanden van beide. Door voorschrift en voorbeeld voerden zij het volk verder en verder van de gehoorzaamheid jegens God af, daarheen waar Hij hen, zodra zich de problemen zouden voordoen, niet zou kunnen helpen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz..303.

“Satan werkt onophoudelijk door zijn handlangers om degenen, die door God zijn uitgekozen om een groot en goed werk tot stand te brengen, te ontmoedigen en teniet te doen. Zij zijn wellicht bereid zelfs hun leven voor de vooruitgang van de zaak van Christus te offeren, maar de aartsbedrieger zal hun broeders aangaande hen tot twijfel suggereren, en wanneer deze twijfel gekoesterd wordt, zal daardoor het vertrouwen in de rechtschapenheid van hun karakter ondermijnd worden en hun bruikbaarheid beperkt.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 303-304.

VRIJDAG — 27 augustus

Terugblik

1. Hoe was Paulus’ gedrag in tegenstelling met dat van zijn landgenoten?

2. Wat maakte het voor Paulus mogelijk om het lijden te verduren, dat hem overlaadde?

3. Wie behandelden Paulus het slechts, de heidenen, Farizeeën of Sadduceeën?

4. Waarom kunnen wij getroost worden door Gods zorg voor Paulus in de gevangenistoren?

5. Verklaar de tegengestelde houding tussen de Romeinse hoofdman en de Joden.