Tekst om te onthouden: “Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn; maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfde zin, en in een zelfde gevoelen”
1 Korintiërs 1:10
“Broeders moeten elkaar respecteren, elkaar raadgeven, samen bidden, totdat er eenheid is onder hen.” –The Review and Herald, 15 december 1885.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 140-146;; -Testimonies to Ministers, blz. 426-443.
A. Welk idee propageerden bepaalde mannen uit Judea onder de christenen, en waarom veroorzaakte dit onenigheid?
Handelingen 15:1;
Titus 1:10-11.
“In de dagen van Paulus waren er mensen, die voortdurend stil stonden bij de besnijdenis en die een overvloed van bewijzen uit de Bijbel konden aanhalen om aan te tonen, dat dit voor de Joden verplicht was; maar deze leer had geen betekenis voor die tijd, want Christus was aan het kruis op Golgota gestorven en de besnijdenis naar het vlees had geen verdere waarde.
De zinnebeeldige dienst en de ceremoniën daarmee verbonden, hadden bij het kruis afgedaan. Het ware Lam van God was een offer geworden voor de zondige mens en de schaduw ging op in de werkelijkheid. Paulus trachtte de gedachten van de mensen op de grote waarheid voor die tijd te richten, maar zij, die voorgaven volgelingen van Jezus te zijn, gingen volkomen op in het onderwijzen van de tradities der Joden en de verplichting van de besnijdenis.” ¬–Bijbelkommentaar, blz. 446.
“Met grote beslistheid beweerden deze judaïstische leraars dat men, om behouden te worden, besneden moest zijn en de gehele ceremoniële wet diende te houden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 140.
A. Wat was nodig om in te staan voor harmonie met betrekking tot de besnijdenis en de ceremoniële wet, die moest wijzen op Christus’ eerste komst als het Lam van God?
1 Korinthe 1:10;
Handelingen 15:2.
B. Welk nieuws konden de discipelen uit Antiochië brengen?
Handelingen 15:3-4.
B. Welk nieuws konden de discipelen uit Antiochië brengen?
Handelingen 15:3-4.
“Bij de komst te Jeruzalem vertelden de afgevaardigden uit Antiochië voor de vergadering van de gemeenten van het succes, dat hun dienstwerk begeleidde, en de verwarring, dat het feit tot gevolg had, dat zekere Farizeeën verklaarden, dat de bekeerde heidenen besneden moesten worden en de wet van Mozes moesten houden om gered te worden.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 64.
C. Waar drongen sommige gelovige Farizeeën nog steeds op aan, ook na het horen van het bijwerken van de vervulde profetie in de bekeringen van de heidenen, en waarom?
Handelingen 15:5.
“De Joodse bekeerlingen vertoonden in het algemeen niet de neiging om zo snel voortgang te maken als, waartoe de voorzienigheid Gods hun de weg opende. Het resultaat van het werk der apostelen onder de heidenen toonde duidelijk aan, dat de bekeerden onder de heidenen de Joodse bekeerden spoedig in aantal verre zou overtreffen. De Joden vreesden, dat, indien de beperkingen en ceremoniën van hun wet voor de heidenen niet als voorwaarde tot godsdienstige gemeenschap werden gesteld, de nationale kenmerken van de Joden, die hen tot hiertoe van alle andere volken hadden onderscheiden, spoedig geheel zouden verdwijnen bij hen, die de evangelieboodschap aanvaardden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 140-141.
“De Joden waren trots op hun door God opgedragen diensten; en zij besloten, dat, aangezien God ooit de Hebreeuwse manier van aanbidding had gespecificeerd, het onmogelijk was, dat Hij ooit een wijziging in een van de specificaties ervan zou goedkeuren. Zij besloten, dat het christendom zich moest verbinden met de Joodse wetten en ceremonies. Zij waren traag om tot het einde van datgene, wat door de dood van Christus was afgeschaft, te onderscheiden, en om in te zien dat al hun heilige offers slechts een voorbode waren van de dood van de Zoon van God, waarin het beeld zijn tegenbeeld was tegengekomen, dat de door God aangewezen ceremonies en offers van de Joodse godsdienst zonder waarde werden.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 64-65.
A. Wat deed de delegatie van christenen aan hun meningsverschil, en waarom is dit belangrijk voor ons allemaal?
Romeinen 15:5-6;
Handelingen 15:6.
“De Heer heeft ons in Zijn woord onmiskenbare instructies gegeven, waarmee wij, door die te gehoorzamen, de eenheid en de harmonie in de kerk kunnen bewaren. Broeders en zusters, geeft u gehoor aan deze geïnspireerde instructies? Bent u lezers van de Bijbel en daders van het woord? Streeft u ernaar het gebed van Christus, dat Zijn volgelingen één zullen zijn, te vervullen?” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 201.
B. Wat konden Petrus, Barnabas en Paulus allemaal getuigen over het bewijs van de werking van de Heilige Geest onder de heidenen?
Handelingen 15:7-12.
“Iedereen, die in de vorige bedeling werd gered, werd zalig door Christus, evenals wij nu door Hem worden gered.” –Bijbelkommentaar, blz. 446.
C. Noem een factor, die een legitieme uitdaging vormde om volledige harmonie te bereiken tussen Joodse en heidense bekeerlingen.
Romeinen 14:19-21.
“De heidenen waren gewend het vlees te eten van dieren, die waren gewurgd; terwijl de Joden goddelijke instructies hadden gekregen met betrekking tot het voedsel, dat zij moesten gebruiken. Zij waren bijzonder bij het doden van dieren, dat het bloed uit het lichaam moest vloeien, anders werd het niet als gezond vlees beschouwd. God had deze aanwijzingen aan de Joden gegeven met het doel hun gezondheid en kracht te bewaren. De Joden beschouwden het als een zonde om bloed als voedingsmiddel te gebruiken. Zij waren van mening, dat het bloed het leven was; en dat het vergieten van bloed het gevolg was van zonde.
De heidenen daarentegen vingen het bloed op, dat uit het slachtoffer van het offer vloeide en dronken het of gebruikten het bij de bereiding van hun voedsel. De Joden konden de gebruiken niet veranderen, die zij zo lang hadden nageleefd en die zij onder de speciale leiding van God hadden aangenomen. Daarom, zoals de zaken toen stonden, als Jood en heiden aan dezelfde tafel kwamen eten, zouden de eersten geschokt en verontwaardigd zijn over de gewoonten en manieren van de laatsten.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 65-66.
A. Welke andere heidense gewoonten boden, afgezien van het idee van bloed als voedsel, redelijke bezorgdheid bij de Joodse bekeerlingen?
1 Korinthe 8:9-13;
1 Korintiërs 6:18.
“Vele heidense bekeerlingen leefden te midden van onwetende en bijgelovige mensen, die steeds opnieuw aan de afgoden offerden. De priesters van deze heidense eredienst bedreven met de hun gebrachte offerdieren een uitgebreide handel; en de Joden vreesden, dat de heidense bekeerlingen het christendom in discrediet zouden brengen door datgene, wat aan de afgoden was geofferd, te kopen en zo tot op zekere hoogte de afgodische gewoonten te bekrachtigen…
De heidenen, en in het bijzonder de Grieken, waren buitengewoon losbandig, en het gevaar bestond dat sommigen, die nog onbekeerd van hart waren, een geloofsbelijdenis zouden afleggen zonder afstand te doen van hun slechte gewoonten. De Joodse christenen konden de zedeloosheid, die door de heidenen niet als misdaad werd beschouwd, niet dulden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 142-143.
“We leven in een losbandige eeuw. Volwassenen en jongeren zondigen zonder enige remming. Als we onze jeugd niet heilig bewaren, als we ze niet met krachtige beginselen versterken, als we niet meer zorg besteden aan met wie ze omgaan en met welke boeken ze hun gedachten vullen, dan worden ze prijsgegeven aan een maatschappij met een moreel bewustzijn, dat net zo verdorven is als dat van de inwoners van Sodom.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 81.
“Alle hoereerders zullen buiten de Stad van God zijn.” –Testimonies to Ministers and Gospel Workers, blz. 431.
B. Welke evenwichtige beslissing beval Jakobus aan?
Handelingen 15:13,
Handelingen 15:19-20.
“Jakobus lijkt in dit geval gekozen te zijn om te beslissen over de kwestie, die aan de raad was voorgelegd. Het was zijn uitspraak, dat de ceremoniële wet, en in het bijzonder de verordening van de besnijdenis, op geen enkele wijze aan de heidenen werd opgedrongen, of zelfs maar aan hen werd aanbevolen. Jakobus probeerde het feit bij zijn broeders te laten doordringen, dat de heidenen, door zich tot God te keren vanaf de afgoderij, een grote verandering in hun geloof hadden gemaakt; en zoveel voorzichtigheid moet worden betracht om hun geest niet lastig te vallen met verwarrende en twijfelachtige vragen, opdat zij niet ontmoedigd raken om Christus te volgen.
De heidenen moesten echter geen weg volgen, die materieel in strijd zou zijn met de opvattingen van hun Joodse broeders… Zij moesten de geboden onderhouden en een heilig leven leiden.” –Sketches From the Life of Paul, blz.69.
A. Welk besluit werd aangenomen door de delegatie van christelijke gelovigen?
Handelingen 15:22-23,
Handelingen 15:28-31.
B. Wat moeten wij beseffen, aangezien sommigen nog steeds ontevreden waren over de uiteindelijke beslissing over de ceremoniële riten, die al vervuld waren in het offer van Christus?
Galaten 6:12-15;
Galaten 5:6.
“Niet de gehele gemeenschap van christenen was bijeengeroepen om deze kwestie te oordelen. De ‘apostelen en oudsten’, mannen van invloed en oordeel, kwamen tot het besluit, dat daarop door de christelijke gemeente algemeen werd aanvaard. Niet allen echter waren ingenomen met deze beslissing. Er bestond een groep eerzuchtige en zelfvoldane broeders, die het er niet mee eens waren. Deze mannen namen het werk voor eigen verantwoording op zich. Zij gaven zich over aan veel gemopper en gekritiseer, stelden nieuwe plannen voor en probeerden het werk van de mannen, die door God voor de evangelieprediking waren bestemd, af te breken. Van de aanvang af heeft de gemeente met dergelijke moeilijkheden te kampen gehad, en dit zal tot het eind der tijd het geval zijn.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 145-146.
“De ceremoniële wet, gegeven door God door Mozes, met zijn offers en verordeningen, moest aan de Hebreeën worden gebonden, totdat het beeld het tegenbeeld ontmoette in de dood van Christus als het Lam van God om de zonde van de wereld weg te nemen. Toen moesten alle gewijde offeranden en diensten worden afgeschaft.” –The Review and Herald, 27 september 1881.
“Het voortzetten van deze riten (van de ceremoniële wet) zou een belediging voor Jehova betekenen.” –Bijbelkommentaar, blz. 406.
1. Welk onnodig juk probeerden enkele eerste christenen te eisen van allemaal?
2. Op welke manieren zou ik het gevaar kunnen lopen een Farizeïsche houding te koesteren?
3. Waarom was het nuttig, dat de apostelen en ouderlingen bij elkaar kwamen om te praten?
4. Hoererij is tegenwoordig wijdverbreid, maar wat moet de gemeente erover zeggen?
5. Waarom moet ik niet verbaasd zijn, dat er nu ook andersdenkenden zijn?