Lessen uit het boek Handelingen (2) — Sabbat, 18 september 2021

Les 12: Vertrouwen te midden van een storm

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Daarom, weest goedsmoeds, mannen, want ik geloof God, dat het alzo zijn zal, gelijk het mij gezegd is”

Handelingen 27:25

“Ik zag, dat Gods bijzondere doel bereikt werd door de reis van Paulus op zee; het was Zijn plan, dat de bemanning van het schip op die wijze door Paulus getuige zou zijn van de kracht Gods.” –Eerste Geschriften, blz. 244-245.

Aanvullende studie :: : -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 321-326.

ZONDAG — 12 september

1. Geketenden aan boord van het schip

A. Wat was de gebeurtenis van de volgende beproeving van Paulus, maar wie was er behalve Lukas nog meer een troost?

Handelingen 27:1-2;

Handelingen 27:1: En als het besloten was, dat wij naar Italie zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met name Julius van de keizerlijke bende. Handelingen 27:2: En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, alzo wij de plaatsen langs Azie bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedonier van Thessalonica, was met ons.

Kolossensen 4:10 (eerste deel).

[Col.4.10.a]

“Romeinse soldaten werden verantwoordelijk gehouden met hun eigen leven voor de veiligheid van hun gevangenen, en dit had geleid tot de gewoonte om gevangenen met de rechterpols aan de linkerpols van soldaten vast te ketenen, die elkaar beurtelings aflosten. Zo kon de apostel niet alleen geen bewegingsvrijheid hebben, maar hij was ook in nauwe en voortdurende verbinding geplaatst met mannen van de meest onaangename en absoluut weerzinwekkende aard; mannen die niet alleen ongeschoold en onbeschaafd waren, maar die, door de demoraliserende invloed van hun omgeving, wreed en verwilderd waren geworden.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 262.

“Zeelieden regelden hun koers grotendeels naar de stand van de zon en sterren; en wanneer deze zich niet vertoonden, en tekenen van naderende storm zich aankondigden, waren de eigenaren van schepen bevreesd zich in open zee te wagen. Gedurende een deel van het jaar was veilige scheepvaart bijna niet mogelijk.

Nu kwam het er voor de apostel Paulus op aan de bittere belevenissen te doorstaan die hem als een gevangene in boeien gedurende de lange en bezwaarlijke reis naar Italië ten deel vielen… Maar het was uit vrije wil, dat Aristarchus de gevangenschap van Paulus deelde, zodat hij hem in zijn lijden kon bijstaan.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 321.

MAANDAG — 13 september

2. Een onbetrouwbare reis

A. Wat toont het welverdiende vertrouwen, dat Paulus spoedig kreeg van Julius, die hem tijdens zijn reis naar Rome in bewaring hield?

Handelingen 27:3.

Handelingen 27:3: En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden.

“Dit gunstbewijs (om naar zijn vrienden te gaan) werd door de apostel, wiens gezondheidstoestand zwak was, op hoge prijs gesteld.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 321.

B. Hoe verliep de reis, en wat waarschuwde Paulus?

Handelingen 27:4-10.

Handelingen 27:4: En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren. Handelingen 27:5: En de zee, die langs Cilicie en Pamfylie is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycie. Handelingen 27:6: En de hoofdman, aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrie, dat naar Italie voer, deed ons in hetzelve overgaan. Handelingen 27:7: En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, overmits het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta heen, tegenover Salmone. Handelingen 27:8: En hetzelve nauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij in een zekere plaats genaamd Schonehavens, waar de stad Lasea nabij was. Handelingen 27:9: En als veel tijd verlopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus, Handelingen 27:10: En zeide tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart zal geschieden met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.

“Maar de wind was nog steeds ongunstig en het schip voer met moeite voort…

Zij waren gedwongen enige tijd in Goede Rede te blijven, om een gunstige windrichting af te wachten. De winter naderde snel. ‘De vaart werd reeds bedenkelijk’. Zij, die met het schip belast waren, moesten de hoop opgeven, hun bestemming nog te bereiken, voordat het zeereisseizoen voor dat jaar beëindigd was. Er bleef nu slechts één vraag ter beslissing over: in Goede Rede te blijven of een geschikter plaats trachten te bereiken, waar zij konden overwinteren.

Deze vraag werd in ernstige overweging genomen, en uiteindelijk door de hoofdman aan Paulus voorgelegd, die zowel de eerbied van de scheepslieden als van de soldaten had gewonnen. De apostel raadde hen zonder aarzelen aan, te blijven waar zij waren.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 322.

C. Wat werd uiteindelijk besloten, maar met welke gevolgen?

Handelingen 27:11-17.

Handelingen 27:11: Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd werd. Handelingen 27:12: En alzo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerder deel geraden ook van daar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten. Handelingen 27:13: En alzo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Kreta henen. Handelingen 27:14: Maar niet lang daarna, sloeg tegen hetzelve een stormwind, genaamd Euroklydon. Handelingen 27:15: En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon tegen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen. Handelingen 27:16: En lopende onder een zeker eilandje, genaamd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden. Handelingen 27:17: Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en alzo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven alzo henen.

“De hoofdman besloot gehoor te geven aan de mening van de meerderheid…

Voortgedreven door de storm naderde het schip het eilandje Clauda, en terwijl zij het schip trachtten te beveiligen, bereidden de matrozen zich op het ergste voor. De reddingsloep, hun enige middel ter ontkoming in geval het schip zou vergaan, was op sleeptouw genomen, en kon ieder ogenblik worden stukgeslagen. Hun eerste werk was deze boot aan boord te hijsen. Daarna werden alle mogelijke voorzorgsmaatregelen getroffen om het schip te versterken, zodat het de storm zou kunnen weerstaan. De geringe beschutting, die het eilandje hun bood, was niet van lange duur, en spoedig waren zij weer in volle hevigheid aan de storm blootgesteld.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 322-324.

DINSDAG — 14 september

3. Hoop voor de wanhopigen

A. Beschrijf de strijd, die op zee plaatsvond.

Handelingen 27:18-20.

Handelingen 27:18: En alzo wij van het onweder geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgende dag een uitworp; Handelingen 27:19: En den derden dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit. Handelingen 27:20: En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zo werd ons voort alle hoop van behouden te worden benomen.

“De hele nacht woedde de storm en het schip lekte. De volgende dag waren allen aan boord, soldaten, matrozen, passagiers en gevangenen, verenigd in het overboord gooien van alles, wat kon worden afgestaan. De nacht kwam weer, maar de wind nam niet af. Het door storm geteisterde schip, met zijn verbrijzelde mast en gescheurde zeilen, werd heen en weer geslingerd door de woede van de storm. Elk moment leek het erop, dat het kreunende hout moest wijken, toen het schip wankelde en trilde onder de schok van de storm. Het lek nam snel toe en passagiers en bemanning werkten constant aan de pompen. Aan boord was er geen moment rust… Een hopeloze onverschilligheid vestigde zich op die driehonderd zielen, want veertien dagen lang dreven zij, hulpeloos en hopeloos, onder een zonloze en sterrenloze hemel. Zij hadden geen middelen om te koken; er kon geen vuur worden aangestoken, het keukengerei was overboord gespoeld en de meeste proviand was doordrenkt met water en bedorven. In feite, terwijl hun goede schip worstelde met de storm en de golven van de dood spraken, verlangde niemand naar voedsel.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 265.

B. Wat deed Paulus op dit moment, en hoe kon hij spoedig hoop brengen aan iedereen aan boord?

Psalm 55:23;

Psalmen 55:23: Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. [ (Psalms 55:24) Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. ]

Psalmen 56:4;

Psalmen 56:4: Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

Handelingen 27:21-26.

Handelingen 27:21: En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben; Handelingen 27:22: Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip. Handelingen 27:23: Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ook ik dien, Handelingen 27:24: Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen. Handelingen 27:25: Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is. Handelingen 27:26: Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen.

“Terwijl alles om hen heen er alleen maar uitzag naar een snelle vernietiging, stortte deze man van God, in de rust van een onberispelijk geweten, zijn oprechte smeekbeden voor hen uit.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 266.

“In geloof hield hij (Paulus) de arm van Oneindige Kracht vast, en zijn hart vond rust in God. Voor zichzelf kende hij geen vrees; hij wist, dat God hem zou bewaren om in Rome van de waarheid van Christus te getuigen. Maar zijn hart was met medelijden vervuld jegens de arme zielen om hem heen, die zondig en verdorven waren, en onvoorbereid voor de dood. Toen hij God vurig smeekte hun leven te sparen, werd hem geopenbaard, dat zijn gebed zou worden verhoord.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 324.

“Fysiek de grootste lijder van allemaal, had hij (Paulus) woorden van hoop voor het donkerste uur, een helpende hand in elke noodsituatie.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 266.

WOENSDAG — 15 september

4. Dreigend gevaar

A. Met welke misleidende list begonnen de zelfzuchtige zeelieden in een poging om alleen hun eigen leven te redden (en niet dat van de anderen)?

Handelingen 27:27-30.

Handelingen 27:27: Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde. Handelingen 27:28: En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; Handelingen 27:29: En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd. Handelingen 27:30: Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,

“Zij (passagiers en bemanning) werden nu bedreigd door een nieuw gevaar, namelijk dat hun schip op een rotsachtige kust zou worden gedreven. Zij wierpen onmiddellijk vier ankers uit, wat het enige was, dat gedaan kon worden.. De rest van die nacht wachtten zij, wetende dat elk moment hun laatste zou kunnen zijn. Het lek werd steeds groter en het schip zou op elk moment kunnen zinken, zelfs als de ankers het hielden.

Ten slotte viel door regen en storm het grijze licht op hun afgetobde en doodsbleke gezichten. De contouren van de stormachtige kust waren vaag te zien, maar geen enkel bekend herkenningspunt was zichtbaar. De zelfzuchtige heidense zeelieden waren vastbesloten het schip en de bemanning achter te laten en zichzelf te redden in de boot, die zij met zoveel moeite aan boord hadden gehesen. Zij deden, alsof zij iets meer konden doen om de veiligheid van het schip te verzekeren, zij maakten de boot los en begonnen hem in zee te laten zakken.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 267-268.

B. Hoe ontwapende Paulus hun complot, dat niet zou zijn geslaagd?

Handelingen 27:31.

Handelingen 27:31: Zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden.

“Als zij (de zelfzuchtige heidense zeelieden) erin waren geslaagd, zouden zij in stukken op de rotsen zijn geslagen, terwijl iedereen aan boord zou zijn omgekomen door hun onvermogen om het zinkende schip te hanteren.

Op dit moment besefte Paulus het minderwaardige plan en wendde het gevaar af. Met zijn gebruikelijke snelle energie en moed zei hij tegen de hoofdman over honderd en de soldaten: ‘Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden’. Het geloof van de apostel in God wankelde niet; hij twijfelde niet aan zijn eigen behoud, maar de belofte van veiligheid aan de bemanning was afhankelijk gesteld van hun taakvervulling.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 268.

C. Leg uit, hoe de apostel zelfs nu nog voor bemoediging zorgde.

Handelingen 27:32-38.

Handelingen 27:32: Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot, en lieten haar vallen. Handelingen 27:33: En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden spijze nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen. Handelingen 27:34: Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. Handelingen 27:35: En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten. Handelingen 27:36: En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze. Handelingen 27:37: Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen. Handelingen 27:38: En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee.

DONDERDAG — 16 september

5. Precies zoals voorzegd

A. Beschrijf de uiteindelijke schipbreuk.

Handelingen 27:39-41.

Handelingen 27:39: En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekeren inham, die een oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten. Handelingen 27:40: En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe. Handelingen 27:41: Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.

B. Hoe bewaarde God op wonderbaarlijke wijze allen aan boord?

Handelingen 27:42-44.

Handelingen 27:42: De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zoude ontvlieden. Handelingen 27:43: Maar de hoofdman, willen Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te land komen; Handelingen 27:44: En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn.

“Paulus en de overige gevangenen stond nu een noodlot te wachten, vreselijker dan schipbreuk. De soldaten begrepen dat, terwijl zij poogden het land te bereiken, het voor hen onmogelijk zou zijn de hun toevertrouwde gevangenen te bewaken. Een ieder zou alles in het werk moeten stellen om zichzelf te redden. Doch wanneer een der gevangen zou worden vermist, zouden degenen, die voor hen verantwoordelijk waren, hiervoor met hun eigen leven moeten boeten. Daarom wilden de soldaten alle gevangenen doden. De Romeinse wet stond deze gruwzame handelswijze toe, en het plan zou onmiddellijk ten uitvoer zijn gebracht, wanneer het niet ging om hem, aan wie allen op gelijke wijze zeer verplicht waren. Julius, de hoofdman, wist dat allen aan boord hun leven aan Paulus hadden te danken. Daar hij bovendien ervan overtuigd was, dat de Here met hem was, vreesde hij ervoor hem leed te doen. Daarom ‘beval de hoofdman, dat wie zwemmen konden, het eerst over boord zouden springen om aan land te komen; en de overigen deels op planken, deels op wrakhout. En zo geschiedde het, dat allen behouden aan land kwamen’.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 326.

“Toen de presentielijst werd gelezen, miste er niemand. Bijna 300 mensen, soldaten, zeelui, passagiers en gevangenen, stonden op die stormachtige ochtend op het strand van het eiland Malta. Sommigen voegden zich bij Paulus en zijn broeders in het dank brengen aan God. die hun leven had gespaard en hen veilig aan land had gebracht door de gevaren van de zee heen.” –Bijbelkommentaar, blz. 456.

VRIJDAG — 17 september

Terugblik

1. Hoe heeft God mijn lasten verlicht, zoals Hij deed voor Paulus in de ketenen?

2. Hoe kan ik in gevaar zijn van een ongemakkelijke waarschuwing af te wijzen?

3. Wat kan ik leren van Paulus’ zorg voor de heidenen aan boord van het schip?

4. Waarom zou het zelfzuchtig complot met de reddingsboot nooit geslaagd zijn?

5. Wat moet ik leren van de manier, waarop Paulus’ profetie exact werd vervuld?