Tekst om te onthouden: “Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende beiden klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou”
Handelingen 26:22
“De kroon van Christus moet verheven worden boven de diademen van aardse heersers.” –Testimonies for the Church 6, blz. 402.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 310-320.
A. Toen Felix werelds plezier, hebzucht en eerzuchtige politiek boven het door Paulus gebrachte licht stelde, wat volgde er dan in zijn leven?
Handelingen 24:26-27.
“Hij (Felix) hoopte, dat Paulus door de betaling van een grote geldsom zijn vrijheid kon verkrijgen. De apostel bezat echter een te edelmoedig karakter om zichzelf door omkoping te bevrijden. Hij was aan geen enkele overtreding schuldig, en hij wilde zich niet tot het plegen van onrecht verlagen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 310.
“(In een vete in Caesarea tussen Grieken en Joden). Alsof dit nog niet genoeg was, gaf Felix, wiens vijandschap tegen de Joden van jaar tot jaar was toegenomen, zijn soldaten de vrijheid de huizen van de rijken te plunderen.
Deze gewaagde daden van onrecht en wreedheid konden niet onopgemerkt blijven. De Joden klaagden Felix formeel aan en hij werd naar Rome geroepen om antwoord te geven op hun aanklachten. Hij wist maar al te goed, dat zijn houding van afpersing en onderdrukking hen ruimschoots aanleiding had gegeven voor deze klachten, maar toch hoopte hij hen te verzoenen. Daarom, hoewel hij diep respect had voor Paulus, besloot hij aan hun boosheid te voldoen door Paulus gevangen te laten. Maar al zijn pogingen waren vergeefs; hoewel hij aan verbanning en dood ontkwam, werd hij van zijn functie ontheven en beroofd van het grootste deel van zijn onrechtmatig verkregen rijkdom. Drusilla, de deelgenote in zijn schuld, kwam later met hun enige zoon om tijdens de uitbarsting van de Vesuvius. Zijn eigen dagen eindigden in ongenade en vergetelheid.” –Bijbelkommentaar, blz. 455.
A. Verklaar het beleid van Festus, die Felix verving.
Handelingen 25:1-6.
“Festus volhardde bij zijn besluit Paulus een gerechtelijk verhoor te Caesarea te verlenen. God bestuurde in Zijn voorzienigheid de beslissing van Festus, opdat het leven van de apostel zou worden verlengd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 311.
B. Hoe verliep de hoorzitting, en met welk gevolg?
Handelingen 25:7-12.
Waarom was het voor Paulus veiliger om naar Caesar te gaan dan Jeruzalem?
2 Timótheüs 3:12.
“Festus wist niets van de samenzwering om Paulus te vermoorden, en hij stond versteld over zijn beroep op de keizer. Evenwel maakten de woorden van de apostel een einde aan de gerechtelijke procedure…
Zo gebeurde het, dat wederom een dienaar Gods, door blinde ijver en zelfgerechtigheid en haat, gedwongen werd zich om bescherming tot de heidenen te wenden… En deze haat zal ook het deel zijn van het volk van God in deze eeuw. Onder velen, die beweren volgelingen van Christus te zijn, heerst dezelfde hoogmoed, dezelfde vormendienst en zelfzucht, dezelfde geest van onderdrukking, die zulk een grote plaats innamen in de harten der Joden. In de toekomst zullen mannen, die voorgeven, dat zij de vertegenwoordigers van Christus zijn, een gelijksoortige houding aannemen, als de priesters en oversten in hun bejegening van Christus en de apostelen aan de dag legden. In de grote crisis, die de getrouwe dienaren van Christus spoedig zullen moeten doormaken, zullen zij met dezelfde hardheid van hart, dezelfde gruwzame vastberadenheid en dezelfde onverzoenlijke vijandschap te doen hebben.
Allen, die in die boze dag God onbevreesd willen dienen overeenkomstig de voorschriften van hun geweten, zullen moed, vastberadenheid en kennis omtrent God en Zijn Woord behoeven; want degenen, die trouw zijn aan God, zullen worden vervolgd, de juistheid van hun motieven zal in twijfel worden getrokken, hun beste pogingen verkeerd uitgelegd, en hun namen als slecht worden verworpen. Satan zal al zijn bedrieglijke macht aanwenden om het hart te beïnvloeden en het verstand te verduisteren, om het boze goed en het goede boos te doen schijnen. Hoe sterker en reiner het geloof van Gods volk is, en hoe vaster het besluit is om Hem te gehoorzamen, des te feller zal satan ernaar streven om tegen hen de woede te doen ontbranden van hen die, hoewel zij beweren rechtvaardig te zijn, de wet van God met voeten treden. Het zal het sterkste vertrouwen, de meest heldhaftige vastberadenheid kosten om het geloof, eens aan de heiligen geschonken, te behouden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 312-315.
A. Wie zou Paulus nog meer ontmoeten in Gods voorzienigheid?
Handelingen 25:13-22.
“Paulus had zich op de keizer beroepen, en Festus kon niet anders doen dan hem naar Rome zenden. Het duurde enige tijd, voordat het juiste schip was gevonden… Dit schonk Paulus de gelegenheid om de redenen van zijn geloof aan de voornaamste lieden van de stad Caesarea en eveneens aan koning Agrippa II, de laatste Herodes, bekend te maken.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 317.
B. Beschrijf het tafereel en de inleidende ontmoeting tussen Paulus en Agrippa in de rechtbank, en hoe keek de hemel ernaar.
Handelingen 25:23-27.
“Ter ere van zijn bezoekers had Festus getracht deze aangelegenheid tot een indrukwekkende praalvertoning te maken. De kostbare gewaden van de landvoogd en zijn gasten, de zwaarden van de soldaten, en de schitterende wapenuitrusting van hun bevelhebbers verleenden aan dit toneel een stralende pracht.
En thans stond Paulus, nog altijd geboeid, voor het bijeengekomen gezelschap. Welk een tegenstelling werd hier tentoongespreid! Agrippa en Bernice bezaten macht en aanzien, en werden daarom door de wereld gehuldigd. Maar zij misten de karaktertrekken, die God waardeert. Zij waren overtreders van Zijn wet, verdorven in hart en levenswandel. Hun gedragslijn werd door de hemel verafschuwd.
De bejaarde gevangene, door ketenen aan de hem bewakende soldaat verbonden, bezat in zijn verschijning niets, wat de wereld ertoe zou hebben gebracht, hem hulde te bewijzen. En toch had de hele hemel belangstelling voor deze mens, die ogenschijnlijk zonder vrienden, zonder rijkdom en aanzien was, en die wegens zijn geloof in de Zoon van God gevangen werd gehouden. Engelen waren zijn begeleiders. Indien de heerlijkheid van een van die lichtende boden zichtbaar had gestraald, zou de koninklijke pracht en praal zijn verbleekt; koning en hovelingen zouden, evenals de Romeinse soldaten bij het graf van Christus, ter aarde zijn gevallen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz.. 317-318.
“Heel de hemel was geïnteresseerd in deze ene man, nu een gevangene voor zijn geloof in de Zoon van God. Johannes zegt: ‘De wereld kent ons niet, omdat zij hem niet kennen’. De wereld kent Christus niet, noch willen zij hen kennen, die Christus laten zien. Zij zijn zonen van God, kinderen van de koninklijke familie; toch worden hun prinselijke eisen niet door de wereld bemerkt. Zij mogen hun nieuwsgierigheid opwekken, maar zij worden niet op prijs gesteld of begrepen. Zij zijn voor hen niet interessant en niet te benijden.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 254.
A. Wat kunnen wij leren van de manier, waarop Paulus zijn getuigenis opende?
Handelingen 26:1-8.
“Het christendom zal van een man een heer maken. Christus was hoffelijk, ook tegen Zijn vervolgers; en Zijn ware volgelingen zullen dezelfde geest aan de dag leggen. Kijk naar Paulus, toen hij voor heersers werd gebracht. Zijn toespraak voor Agrippa illustreert zowel oprechte hoffelijkheid als overtuigende welsprekendheid. Het evangelie moedigt niet de formele beleefdheid aan, die tegenwoordig in de wereld heerst, maar de hoffelijkheid die voortkomt uit oprechte vriendelijkheid van hart.” –Gospel Workers, blz. 123.
B. Hoe straalde nederigheid van hart van de apostel?
Handelingen 26:9-11.
“De voorbeelden in Gods woord van ware bekering en verootmoediging openbaren echter een geest van schuldbelijdenis, waarin geen excuus voor de zonde of een poging tot zelfrechtvaardiging voorkomt.
Paulus probeerde zich niet de hand boven het hoofd te houden; hij schildert zijn zonde in al zijn grimmigheid af, en probeerde zijn schuld niet af te zwakken. (Zie Handelingen 26:10-11)… Hij aarzelt niet te zeggen, dat ‘Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars te behouden, onder welke ik de eerste plaats inneem’.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 520.
C. Hoe verhaalde Paulus zijn ervaring, en welke plicht, die hem was toevertrouwd, wordt ons nu ook gegeven, vlak voor Jezus’ wederkomst?
Handelingen 26:12-18.
“Zijn koninkrijk (van Christus) zal niet komen, voordat de blijde boodschap van Zijn genade aan de gehele aarde gebracht is. Daarom kunnen wij, wanneer we onszelf aan Christus geven en andere zielen voor Hem winnen, de komst van Zijn koninkrijk verhaasten. Alleen zij, die zich wijden aan Zijn dienst, zeggende: ‘Hier ben ik, zend mij’ (Jesaja 6:8), om blinden de ogen te openen, om mensen te doen ‘uit de duisternis tot het licht, en van de macht van Satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen’ (Handelingen 26:18), alleen zij bidden in oprechtheid: ‘Uw koninkrijk kome’.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 96-97.
A. Wat legde Paulus uit als de last van zijn hart?
Handelingen 26:19-23.
B. Hoe toonde Festus een gebrek aan geestelijk onderscheidingsvermogen?
Handelingen 26:24-26.
C. Leg uit, hoe de Heilige Geest Agrippa krachtig trok en, tragisch genoeg, wat er uiteindelijk voor zorgde, dat hij zich ertegen verzette.
Handelingen 26:27-32.
“Dwaalden de gedachten van Agrippa bij deze woorden terug naar het verleden van zijn geslacht en naar hun vruchteloze pogingen tegen Hem, van wie Paulus predikte? Dacht hij aan zijn overgrootvader Herodes en de kindermoord van Bethlehem? Aan zijn oudoom Antipas en de moord op Johannes de Doper? Aan zijn eigen vader, Agrippa I en het martelaarschap van Jacobus? Zag hij in de onheilen, waardoor deze koningen opeens werden getroffen, een bewijs van Gods ongenoegen over hun misdaden jegens Zijn dienstknechten? Herinnerden de pracht en praal van die dagen Agrippa aan de tijd, dat zijn eigen vader, een vorst die machtiger was dan hij, in diezelfde stad had gestaan, gekleed in schitterende gewaden, terwijl het volk uitriep, dat hij een god was? Had hij vergeten, hoe hij, nog voor de toejuichingen zwegen, was getroffen door een snelle en verschrikkelijke wraak? Iets van dit alles flitste door de herinnering van Agrippa; maar zijn ijdelheid werd gestreeld door het prachtige schouwspel voor hem en trots en verwaandheid banden alle edeler gedachten uit.” –Bijbelkommentaar, blz. 455-456.
1. Hoe herinnert het einde van Felix’ leven ons eraan, dat elke glorie vervaagt?
2. Welke eigenschappen moeten wij bezitten, als wij verraad het hoofd moeten bieden?
3. Waarom stelt de Heer, net als in het geval van Paulus, een reis soms uit?
4. Wat moet ik beseffen, als ik bid: ‘Uw koninkrijk kome’ (Matthéüs 6:10)?
5. Hoe kan ik het gevaar lopen afgeleid te worden door de glitter van de wereld?