Lessen uit het boek Handelingen (2) — Sabbat, 11 september 2021

Les 11: Getuigenis geven aan een koning

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende beiden klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou”

Handelingen 26:22

“De kroon van Christus moet verheven worden boven de diademen van aardse heersers.” –Testimonies for the Church 6, blz. 402.

Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 310-320.

ZONDAG — 5 september

1. Het gevolg van het afwijzen van licht

A. Toen Felix werelds plezier, hebzucht en eerzuchtige politiek boven het door Paulus gebrachte licht stelde, wat volgde er dan in zijn leven?

Handelingen 24:26-27.

Handelingen 24:26: En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. Handelingen 24:27: Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.

“Hij (Felix) hoopte, dat Paulus door de betaling van een grote geldsom zijn vrijheid kon verkrijgen. De apostel bezat echter een te edelmoedig karakter om zichzelf door omkoping te bevrijden. Hij was aan geen enkele overtreding schuldig, en hij wilde zich niet tot het plegen van onrecht verlagen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 310.

“(In een vete in Caesarea tussen Grieken en Joden). Alsof dit nog niet genoeg was, gaf Felix, wiens vijandschap tegen de Joden van jaar tot jaar was toegenomen, zijn soldaten de vrijheid de huizen van de rijken te plunderen.

Deze gewaagde daden van onrecht en wreedheid konden niet onopgemerkt blijven. De Joden klaagden Felix formeel aan en hij werd naar Rome geroepen om antwoord te geven op hun aanklachten. Hij wist maar al te goed, dat zijn houding van afpersing en onderdrukking hen ruimschoots aanleiding had gegeven voor deze klachten, maar toch hoopte hij hen te verzoenen. Daarom, hoewel hij diep respect had voor Paulus, besloot hij aan hun boosheid te voldoen door Paulus gevangen te laten. Maar al zijn pogingen waren vergeefs; hoewel hij aan verbanning en dood ontkwam, werd hij van zijn functie ontheven en beroofd van het grootste deel van zijn onrechtmatig verkregen rijkdom. Drusilla, de deelgenote in zijn schuld, kwam later met hun enige zoon om tijdens de uitbarsting van de Vesuvius. Zijn eigen dagen eindigden in ongenade en vergetelheid.” –Bijbelkommentaar, blz. 455.

MAANDAG — 6 september

2. Veiligheid op onverwachte manieren

A. Verklaar het beleid van Festus, die Felix verving.

Handelingen 25:1-6.

Handelingen 25:1: Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem. Handelingen 25:2: En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, Handelingen 25:3: Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen. Handelingen 25:4: Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen. Handelingen 25:5: Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen. Handelingen 25:6: En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.

“Festus volhardde bij zijn besluit Paulus een gerechtelijk verhoor te Caesarea te verlenen. God bestuurde in Zijn voorzienigheid de beslissing van Festus, opdat het leven van de apostel zou worden verlengd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 311.

B. Hoe verliep de hoorzitting, en met welk gevolg?

Handelingen 25:7-12.

Handelingen 25:7: En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen; Handelingen 25:8: Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd. Handelingen 25:9: Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? Handelingen 25:10: En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet. Handelingen 25:11: Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer. Handelingen 25:12: Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.

Waarom was het voor Paulus veiliger om naar Caesar te gaan dan Jeruzalem?

2 Timótheüs 3:12.

2 Timotheüs 3:12: En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.

“Festus wist niets van de samenzwering om Paulus te vermoorden, en hij stond versteld over zijn beroep op de keizer. Evenwel maakten de woorden van de apostel een einde aan de gerechtelijke procedure…

Zo gebeurde het, dat wederom een dienaar Gods, door blinde ijver en zelfgerechtigheid en haat, gedwongen werd zich om bescherming tot de heidenen te wenden… En deze haat zal ook het deel zijn van het volk van God in deze eeuw. Onder velen, die beweren volgelingen van Christus te zijn, heerst dezelfde hoogmoed, dezelfde vormendienst en zelfzucht, dezelfde geest van onderdrukking, die zulk een grote plaats innamen in de harten der Joden. In de toekomst zullen mannen, die voorgeven, dat zij de vertegenwoordigers van Christus zijn, een gelijksoortige houding aannemen, als de priesters en oversten in hun bejegening van Christus en de apostelen aan de dag legden. In de grote crisis, die de getrouwe dienaren van Christus spoedig zullen moeten doormaken, zullen zij met dezelfde hardheid van hart, dezelfde gruwzame vastberadenheid en dezelfde onverzoenlijke vijandschap te doen hebben.

Allen, die in die boze dag God onbevreesd willen dienen overeenkomstig de voorschriften van hun geweten, zullen moed, vastberadenheid en kennis omtrent God en Zijn Woord behoeven; want degenen, die trouw zijn aan God, zullen worden vervolgd, de juistheid van hun motieven zal in twijfel worden getrokken, hun beste pogingen verkeerd uitgelegd, en hun namen als slecht worden verworpen. Satan zal al zijn bedrieglijke macht aanwenden om het hart te beïnvloeden en het verstand te verduisteren, om het boze goed en het goede boos te doen schijnen. Hoe sterker en reiner het geloof van Gods volk is, en hoe vaster het besluit is om Hem te gehoorzamen, des te feller zal satan ernaar streven om tegen hen de woede te doen ontbranden van hen die, hoewel zij beweren rechtvaardig te zijn, de wet van God met voeten treden. Het zal het sterkste vertrouwen, de meest heldhaftige vastberadenheid kosten om het geloof, eens aan de heiligen geschonken, te behouden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 312-315.

DINSDAG — 7 september

3. Een goddelijke afspraak

A. Wie zou Paulus nog meer ontmoeten in Gods voorzienigheid?

Handelingen 25:13-22.

Handelingen 25:13: En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten. Handelingen 25:14: En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten; Handelingen 25:15: Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem; Handelingen 25:16: Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging. Handelingen 25:17: Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden; Handelingen 25:18: Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde; Handelingen 25:19: Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven. Handelingen 25:20: En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden. Handelingen 25:21: En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou. Handelingen 25:22: En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.

“Paulus had zich op de keizer beroepen, en Festus kon niet anders doen dan hem naar Rome zenden. Het duurde enige tijd, voordat het juiste schip was gevonden… Dit schonk Paulus de gelegenheid om de redenen van zijn geloof aan de voornaamste lieden van de stad Caesarea en eveneens aan koning Agrippa II, de laatste Herodes, bekend te maken.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 317.

B. Beschrijf het tafereel en de inleidende ontmoeting tussen Paulus en Agrippa in de rechtbank, en hoe keek de hemel ernaar.

Handelingen 25:23-27.

Handelingen 25:23: Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht. Handelingen 25:24: En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven. Handelingen 25:25: Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. Handelingen 25:26: Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven. Handelingen 25:27: Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.

“Ter ere van zijn bezoekers had Festus getracht deze aangelegenheid tot een indrukwekkende praalvertoning te maken. De kostbare gewaden van de landvoogd en zijn gasten, de zwaarden van de soldaten, en de schitterende wapenuitrusting van hun bevelhebbers verleenden aan dit toneel een stralende pracht.

En thans stond Paulus, nog altijd geboeid, voor het bijeengekomen gezelschap. Welk een tegenstelling werd hier tentoongespreid! Agrippa en Bernice bezaten macht en aanzien, en werden daarom door de wereld gehuldigd. Maar zij misten de karaktertrekken, die God waardeert. Zij waren overtreders van Zijn wet, verdorven in hart en levenswandel. Hun gedragslijn werd door de hemel verafschuwd.

De bejaarde gevangene, door ketenen aan de hem bewakende soldaat verbonden, bezat in zijn verschijning niets, wat de wereld ertoe zou hebben gebracht, hem hulde te bewijzen. En toch had de hele hemel belangstelling voor deze mens, die ogenschijnlijk zonder vrienden, zonder rijkdom en aanzien was, en die wegens zijn geloof in de Zoon van God gevangen werd gehouden. Engelen waren zijn begeleiders. Indien de heerlijkheid van een van die lichtende boden zichtbaar had gestraald, zou de koninklijke pracht en praal zijn verbleekt; koning en hovelingen zouden, evenals de Romeinse soldaten bij het graf van Christus, ter aarde zijn gevallen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz.. 317-318.

“Heel de hemel was geïnteresseerd in deze ene man, nu een gevangene voor zijn geloof in de Zoon van God. Johannes zegt: ‘De wereld kent ons niet, omdat zij hem niet kennen’. De wereld kent Christus niet, noch willen zij hen kennen, die Christus laten zien. Zij zijn zonen van God, kinderen van de koninklijke familie; toch worden hun prinselijke eisen niet door de wereld bemerkt. Zij mogen hun nieuwsgierigheid opwekken, maar zij worden niet op prijs gesteld of begrepen. Zij zijn voor hen niet interessant en niet te benijden.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 254.

WOENSDAG — 8 september

4. Berouwvolle zondaars nemen het op

A. Wat kunnen wij leren van de manier, waarop Paulus zijn getuigenis opende?

Handelingen 26:1-8.

Handelingen 26:1: En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus: Handelingen 26:2: Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word; Handelingen 26:3: Allermeest, dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort. Handelingen 26:4: Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden; Handelingen 26:5: Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een Farizeer geleefd heb. Handelingen 26:6: En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is; Handelingen 26:7: Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. Handelingen 26:8: Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?

“Het christendom zal van een man een heer maken. Christus was hoffelijk, ook tegen Zijn vervolgers; en Zijn ware volgelingen zullen dezelfde geest aan de dag leggen. Kijk naar Paulus, toen hij voor heersers werd gebracht. Zijn toespraak voor Agrippa illustreert zowel oprechte hoffelijkheid als overtuigende welsprekendheid. Het evangelie moedigt niet de formele beleefdheid aan, die tegenwoordig in de wereld heerst, maar de hoffelijkheid die voortkomt uit oprechte vriendelijkheid van hart.” –Gospel Workers, blz. 123.

B. Hoe straalde nederigheid van hart van de apostel?

Handelingen 26:9-11.

Handelingen 26:9: Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. Handelingen 26:10: Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe. Handelingen 26:11: En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden.

“De voorbeelden in Gods woord van ware bekering en verootmoediging openbaren echter een geest van schuldbelijdenis, waarin geen excuus voor de zonde of een poging tot zelfrechtvaardiging voorkomt.

Paulus probeerde zich niet de hand boven het hoofd te houden; hij schildert zijn zonde in al zijn grimmigheid af, en probeerde zijn schuld niet af te zwakken. (Zie Handelingen 26:10-11)… Hij aarzelt niet te zeggen, dat ‘Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars te behouden, onder welke ik de eerste plaats inneem’.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 520.

C. Hoe verhaalde Paulus zijn ervaring, en welke plicht, die hem was toevertrouwd, wordt ons nu ook gegeven, vlak voor Jezus’ wederkomst?

Handelingen 26:12-18.

Handelingen 26:12: Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had, Handelingen 26:13: Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende. Handelingen 26:14: En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan. Handelingen 26:15: En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Handelingen 26:16: Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen; Handelingen 26:17: Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende; Handelingen 26:18: Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

“Zijn koninkrijk (van Christus) zal niet komen, voordat de blijde boodschap van Zijn genade aan de gehele aarde gebracht is. Daarom kunnen wij, wanneer we onszelf aan Christus geven en andere zielen voor Hem winnen, de komst van Zijn koninkrijk verhaasten. Alleen zij, die zich wijden aan Zijn dienst, zeggende: ‘Hier ben ik, zend mij’ (Jesaja 6:8), om blinden de ogen te openen, om mensen te doen ‘uit de duisternis tot het licht, en van de macht van Satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen’ (Handelingen 26:18), alleen zij bidden in oprechtheid: ‘Uw koninkrijk kome’.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 96-97.

DONDERDAG — 9 september

5. Een onschatbare kans toegekend

A. Wat legde Paulus uit als de last van zijn hart?

Handelingen 26:19-23.

Handelingen 26:19: Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest; Handelingen 26:20: Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig. Handelingen 26:21: Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen. Handelingen 26:22: Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude: Handelingen 26:23: Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.

B. Hoe toonde Festus een gebrek aan geestelijk onderscheidingsvermogen?

Handelingen 26:24-26.

Handelingen 26:24: En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij! Handelingen 26:25: Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand; Handelingen 26:26: Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied.

C. Leg uit, hoe de Heilige Geest Agrippa krachtig trok en, tragisch genoeg, wat er uiteindelijk voor zorgde, dat hij zich ertegen verzette.

Handelingen 26:27-32.

Handelingen 26:27: Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft. Handelingen 26:28: En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden. Handelingen 26:29: En Paulus zeide: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden. Handelingen 26:30: En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren; Handelingen 26:31: En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig. Handelingen 26:32: En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.

“Dwaalden de gedachten van Agrippa bij deze woorden terug naar het verleden van zijn geslacht en naar hun vruchteloze pogingen tegen Hem, van wie Paulus predikte? Dacht hij aan zijn overgrootvader Herodes en de kindermoord van Bethlehem? Aan zijn oudoom Antipas en de moord op Johannes de Doper? Aan zijn eigen vader, Agrippa I en het martelaarschap van Jacobus? Zag hij in de onheilen, waardoor deze koningen opeens werden getroffen, een bewijs van Gods ongenoegen over hun misdaden jegens Zijn dienstknechten? Herinnerden de pracht en praal van die dagen Agrippa aan de tijd, dat zijn eigen vader, een vorst die machtiger was dan hij, in diezelfde stad had gestaan, gekleed in schitterende gewaden, terwijl het volk uitriep, dat hij een god was? Had hij vergeten, hoe hij, nog voor de toejuichingen zwegen, was getroffen door een snelle en verschrikkelijke wraak? Iets van dit alles flitste door de herinnering van Agrippa; maar zijn ijdelheid werd gestreeld door het prachtige schouwspel voor hem en trots en verwaandheid banden alle edeler gedachten uit.” –Bijbelkommentaar, blz. 455-456.

VRIJDAG — 10 september

Terugblik

1. Hoe herinnert het einde van Felix’ leven ons eraan, dat elke glorie vervaagt?

2. Welke eigenschappen moeten wij bezitten, als wij verraad het hoofd moeten bieden?

3. Waarom stelt de Heer, net als in het geval van Paulus, een reis soms uit?

4. Wat moet ik beseffen, als ik bid: ‘Uw koninkrijk kome’ (Matthéüs 6:10)?

5. Hoe kan ik het gevaar lopen afgeleid te worden door de glitter van de wereld?