Tekst om te onthouden: “En het woord Gods wies, het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer, en een grote schare der priesters werd den gelove gehoorzaam”
Handelingen 6:7
“(Zie Handelingen 6:7). Deze zielenoogst was toe te schrijven zowel aan de grotere bewegingsvrijheid, die de apostelen verkregen, alsook aan de ijver en geestesgaven, waarvan de zeven diakenen blijk gaven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 64-65.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 63-74.
A. Terwijl de Heer de gemeente had laten groeien, hoe sloop Satan toen heimelijk de gevallen menselijke natuur binnen om onenigheid en crisis te veroorzaken?
Handelingen 6:1.
“De harten van hen, die door het werk van de apostelen bekeerd waren, werden door de liefde van Christus vertederd en met elkander verbonden. Ondanks vroegere vooroordelen leefden zij nu met elkander in volle harmonie. Satan wist, dat hij machteloos zou zijn om de uitbreiding van de evangeliewaarheid te weerstaan, zolang deze eensgezindheid standhield, en hij zocht zijn voordeel te doen met vroegere onhebbelijkheden, in de hoop daardoor elementen van tweedracht binnen de gemeente te brengen.
Zo gebeurde het, toen de discipelen talrijker werden, dat de vijand erin slaagde wantrouwen op te wekken bij sommigen, die vroeger de gewoonte hadden met afgunst op hun broeders in het geloof neer te zien en die altijd kritiek hadden op hun geestelijke leiders. Zo ‘ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën’. De oorzaak van de klacht was een veronderstelde verwaarlozing van de Griekse weduwen bij de dagelijkse verzorging. Elke ongelijkheid zou in strijd zijn geweest met de geest van het evangelie, en toch slaagde Satan erin achterdocht te wekken.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 63.
A. Wat moeten wij leren van de voorgestelde stap om te voorkomen, dat de apostelen werden afgehouden van hun taak om de evangelieboodschap aan de wereld te brengen?
Handelingen 6:2-4.
“Een predikant kan niet in de beste geestelijke gemoedstoestand blijven, terwijl hij is opgeroepen om kleine moeilijkheden in de verschillende gemeente op te lossen. Dit is niet zijn aangewezen werk. God wil elk vermogen van Zijn uitverkoren boodschappers gebruiken. Hun geest moet niet vermoeid worden door lange commissievergaderingen in de avond, want God wil, dat al hun hersenkracht wordt gebruikt om het evangelie duidelijk en krachtig te verkondigen, zoals het is in Christus Jezus…
Het is een grote vergissing om een predikant, die de gave heeft om het evangelie krachtig te prediken, voortdurend aan het werk te houden in zakelijke aangelegenheden. Hij, die over het Woord des levens een betoog houdt, moet niet toelaten, dat er te veel lasten op hem worden gelegd…
De financiën van de zaak moeten goed beheerd worden door bekwame zakenlieden; maar predikers en evangelisten worden apart gezet voor een andere tak van werken. Laat het beheer van financiële zaken op anderen rusten dan op hen, die apart zijn gezet voor de prediking van het evangelie.” –Evangelism, blz. 91-92.
B. Hoe reageerde de gemeente op het idee, en welk voordeel zien wij als gevolg?
Handelingen 6:5-7.
“De benoeming van de zeven, die het toezicht kregen op speciale werkzaamheden in de gemeente, bleek een grote zegen te zijn. Deze ambtsdragers schonken nauwkeurig aandacht aan de individuele noden zowel als aan de algemene financiële aangelegenheden der gemeente…
Dat deze stap in overeenstemming was met Gods plan, bleek uit de onmiddellijk daaropvolgende resultaten, die werden waargenomen. (Zie Handelingen 6:7).” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 64.
“Jarenlang heeft de Heer ons aanwijzingen gegeven om wijze mannen te kiezen, mannen die God toegewijd zijn, mannen die weten, wat de beginsels van de hemel zijn, mannen die hebben geleerd, wat het betekent om met God te wandelen, en om op hen de verantwoording te leggen van het verzorgen van de zakelijke zaken, die verband houden met ons werk. Dit is in overeenstemming met het Bijbelse plan, uiteengezet in het zesde hoofdstuk van Handelingen. Wij moeten dit plan bestuderen; want het is door God goedgekeurd.” –The Review and Herald, 5 oktober 1905.
A. Verklaar de verschillende kwalificaties van een diaken (een specifiek ambt vereist verordening, hoewel deze titel soms ten onrechte verkeerd wordt toegepast, wanneer wordt verwezen naar een bode of zorgdrager voor het gebouw).
1 Timótheüs 3:8-13.
“ Het feit, dat deze broeders (de zeven diakenen) tot het speciale werk van armenzorg waren ingezegend, sloot hen niet uit van het leraarsambt. Integendeel, zij waren volkomen bekwaam om anderen in de waarheid te onderwijzen en zij gaven zich met grote ernst en met succes aan het werk.
Aan de eerste gemeente was een zich gestadig uitbreidend werk toevertrouwd, namelijk het stichten van centra van licht en zegen, overal waar oprechte zielen zich aan de dienst van God wilden wijden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 65.
B. Wat kunnen wij allemaal leren van de eigenschappen, die Stéfanus vooral doeltreffend maakte in zijn roeping als een diaken?
Handelingen 6:8;
2 Timótheüs 2:15.
“Stefanus, de eerste van de zeven diakenen, was een man van innige vroomheid en van een groot geloof. Hoewel van geboorte Jood, sprak hij de Griekse taal en was hij vertrouwd met de gewoonten en manieren van de Grieken. Daardoor was hij in de gelegenheid om in de synagogen van de Grieken het evangelie te prediken. Hij was zeer ijverig voor de zaak van Christus en sprak met grote vrijmoedigheid over zijn geloof. Met uitgebreide kennis toegeruste rabbi’s en wetgeleerden traden met hem in openlijke discussie, in de zekere verwachting van een gemakkelijke overwinning. Maar ‘zij waren niet bij machte de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan’ (Handelingen 6:10).” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 70.
“Om te groeien in genade en in kennis van de waarheid moeten arbeiders een gevarieerde ervaring hebben. Dit zal het beste worden verworven in uitgebreid werk in nieuwe gebieden, in verschillende plaatsen, waar zij in contact zullen komen met alle klassen van mensen en alle soorten geesten, en waar verschillend werk zal gevraagd worden om aan de behoeften van velen en gevarieerde geesten tegemoet te komen. Dit drijft de ware arbeider naar God en de Bijbel voor licht, kracht en kennis, zodat hij volledig gekwalificeerd kan zijn om aan de behoeften van de mensen te voldoen.” –Testimonies for the Church 2, blz. 642.
“De Geest van God werkt op het verstand en het hart van mensen, en wij moeten in harmonie ermee werken.” –Testimonies for the Church 6, blz. 55.
A. Hoe wekte de vijand van zielen, ziedend met de bittere gal van afgunst, bedrieglijke tegenstand tegen Stéfanus op?
Handelingen 6:8-14.
“Stéfanus, vol des geloofs en des Heiligen Geestes, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. De toorn van de Joodse voorgangers werd opgewekt, toen zij zagen, dat priesters zich afkeerden van hun overleveringen, en van de brandoffers en offeranden, en Jezus aannamen als de grote offerande. Met kracht uit den Hoge bestrafte Stéfanus de ongelovige priesters en ouderlingen, en verhoogde Jezus voor hen. Zij konden de wijsheid en de kracht, met welke hij sprak, niet weerstaan, en toen zij bevonden, dat zij niets tegen hem vermochten, huurden zij mannen om valselijk te zweren, dat zij hem lasterlijke woorden hadden horen spreken tegen Mozes en tegen God.” –Eerste Geschriften, blz. 233.
B. Hoe heeft onze Meester voor zulke dingen gewaarschuwd, en welke woorden van de psalmist kunnen ons hoop geven?
Matthéüs 10:16-17;
Psalm 31:19-21.
“De harten van de mensen zijn tegenwoordig niet zachter dan toen Christus op aarde was. Zij zullen alles doen, wat in hun macht ligt om de grote tegenstander te helpen om het de dienstknechten van Christus zo moeilijk mogelijk te maken, net zoals het volk deed met Christus, toen Hij op aarde was. Zij zullen geselen met de tong van laster en leugen. Zij zullen de dienstknecht van God bekritiseren en zich tegen hem keren, hij leidt hen met grote inspanningen om dit te doen. Zij zullen, met hun slechte vermoedens, zwendel en oneerlijkheid zien, waar alles goed is en waar volmaakte integriteit bestaat. Zij leggen zelfzuchtige beweegredenen ten laste van Gods dienstknechten, wanneer Hij Zelf hen leidt, en wanneer zij zelfs hun leven zouden geven als God dat verlangde, als zij door zo te doen, Gods zaak vooruit konden brengen.” –Testimonies for the Church 4, blz. 234.
C. Wat was opmerkelijk aan Stéfanus, toen hij werd beschuldigd?
Handelingen 6:15.
“En het heerlijk licht van het gelaat van Christus scheen zó helder op Stéfanus neer, dat zelfs zijn vijanden zijn gezicht zagen glanzen als het gezicht van een engel.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 106.
A. Beschrijf de reactie van de raad, nadat Stéfanus openhartig een uitgebreide samenvatting had gegeven van de opstandige geschiedenis van de Hebreeuwse natie.
Handelingen 7:51-57.
Hoe ver leidde hun woede hen? Verzen 58-59.
B. Waarom kan ons hart aan het einde van dat verhaal verwarmd worden?
Handelingen 7:60.
“Door alle eeuwen heen zijn Gods uitverkoren boodschappers gesmaad en vervolgd, nochtans is door hun moeite de kennis van God wijd verbreid. Iedere discipel van Christus moet zich bij de gelederen aansluiten, en hetzelfde werk voorwaarts dragen, wetende dat de vijanden daarvan niets kunnen doen tegen de waarheid, slechts vóór de waarheid. Het is de bedoeling van God, dat de waarheid naar voren gebracht zal worden, en het onderwerp zal worden van onderzoek en bespreking, juist ook door de verachting, die de mensen ervoor koesteren. De gedachten van de mensen moeten wakker geschud worden; iedere strijd, ieder smaadwoord, iedere poging om gewetensvrijheid te beknotten is een middel van God om mensen wakker te maken, die anders zouden kunnen insluimeren.
Hoe dikwijls is dit resultaat gezien in de geschiedenis van de boodschappers van God! Toen de edele, welsprekende Stéfanus door steniging werd gedood op aanstoken van het Sanhedrin, leed de zaak van het evangelie geen verlies. Het licht des hemels, dat zijn gelaat verheerlijkte, de goddelijke ontferming, die sprak uit het gebed, dat hij stervende uitte, waren als een scherpe pijl der overtuiging voor het fanatieke lid van het Sanhedrin, dat daarbij aanwezig was.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 35.
1. Hoe probeert de vijand zijn lelijke hoofd zelfs in liefdadigheid binnen te dringen?
2. Waarom is de verordening van diakenen zo nuttig voor lokale gemeenten?
3. Wat kan ik van Stéfanus leren, ook al ben ik niet geroepen om diaken te worden?
4. Waarom moet ik, gezien deze les, heel voorzichtig zijn als ik over iemand praat?
5. Waarom was het werk van Stéfanus, hoewel er een einde aan kwam, nog steeds van grote waarde?