Lessen uit het boek Handelingen (1) — SABBAT, 19 juni 2021

Les 12: Gods waarheid gerechtvaardigd

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “En het Woord Gods wies, en vermenigvuldigde”

Handelingen 12:24

“De waarheid wordt door God geïnspireerd en beschermd en zij zal over alle tegenstand zegevieren.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 11.

Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 109-116, 125-127;; -Eerste Geschriften, blz. 108-119.

ZONDAG — 13 juni

1. Een gemanipuleerde regering

A. Welke politieke acties voerde de koning over Judea, Herodes Agrippa I (neef en zwager van de Herodes in de tijd van Christus), aangespoord door kwaad gezinde mannen, uit tegen Gods werk en waarom?

Handelingen 12:1-4.

Handelingen 12:1: En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen. Handelingen 12:2: En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard. Handelingen 12:3: En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde broden); Handelingen 12:4: Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paas feest hem voorbrengen voor het volk.

“Terwijl de Joden hun bevrijding uit Egypte vierden en grote ijver voor de wet van God voorwendden, overtraden zij tegelijkertijd ieder beginsel van die wet door de gelovigen in Christus te vervolgen en te doden…

Herodes’ daad van de terechtstelling van Jacobus vond bij de Joden bijval, ofschoon sommigen het betreurden, dat deze in stilte had plaatsgevonden. Zij waren van mening, dat een openbare terechtstelling de gelovigen en degenen, die met hen instemden nog meer zou hebben verschrikt. Daarom hield Herodes Petrus in bewaring, om door het publieke schouwspel van diens terechtstelling de Joden nog meer te kunnen behagen. Maar de gedachte rees, of het wel raadzaam was de eerbiedwaardige apostel voor al het volk, dat zich in Jeruzalem had verzameld, naar buiten te brengen. Men vreesde, dat de aanblik van zijn executie het medelijden van de menigte zou opwekken.

Ook vreesden de priesters en oversten, dat Petrus zich met een van die indrukwekkende oproepen tot het volk zou richten, waarmee hij hen reeds herhaaldelijk had aangespoord het leven en karakter van Jezus te overdenken, oproepen die zij met al hun argumenten niet hadden kunnen weerleggen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 109-110.

MAANDAG — 14 juni

2. Crisis in de eerste gemeente

A. Waarom moeten wij niet verbaasd zijn over de vervolging, die de eerste gemeente het hoofd moest bieden?

1 Petrus 4:12-13.

1 Petrus 4:12: Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame; 1 Petrus 4:13: Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u; opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.

“Ons grote Voorbeeld, dat in de glans van Zijn Vaders heerlijkheid was, werd door mensen veracht en verworpen. Smaad en leugen volgden Hem. Zijn uitgekozen discipelen waren levende voorbeelden van het leven en de geest van hun Meester. Zij werden geëerd met striemen en opsluiting; en het was tenslotte hun deel om hun bediening met hun bloed te bezegelen.” –Testimonies for the Church 2, blz. 345.

B. Hoe antwoordde de gemeente op Petrus’ gevangenschap?

Handelingen 12:5.

Handelingen 12:5: Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.

“De dood van Jacobus veroorzaakte onder de gelovigen grote smart en ontsteltenis. Toen ook Petrus werd gevangengenomen, hield de gehele gemeente zich gedurig bezig met vasten en bidden…

Terwijl de terechtstelling van Petrus onder verschillende voorwendsels tot na het Pascha werd uitgesteld, hadden de leden der gemeente tijd voor diepgaand zelfonderzoek en ernstig gebed. Zij baden zonder ophouden voor Petrus, want zij voelden, dat hij voor het werk niet kon worden gemist. Zij waren ervan bewust, dat een tijdstip was bereikt waarop, zonder de speciale hulp van God, de gemeente van Christus zou worden uitgeroeid…

De dag van Petrus’ terechtstelling was ten slotte vastgesteld, maar nog steeds stegen de gebeden van de gelovigen ten hemel. En terwijl zij met alle inspanning en deelneming in vurige smeekbeden om hulp riepen, hielden Gods engelen over de gevangen apostel de wacht.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 109-110.

C. Hoe vast was de zekerheid van Petrus’ knechtschap?

Handelingen 12:6.

Handelingen 12:6: Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden den gevangenis.

“Herodes herinnerde zich de bevrijding van de apostelen, die eertijds had plaatsgevonden en hij nam daarom in dit geval dubbele voorzorgsmaatregelen. Om iedere mogelijkheid tot bevrijding uit te sluiten was Petrus onder de bewaking van zestien soldaten gesteld, die, in verschillende wachten ingedeeld, hem dag en nacht bewaakten… Met stevig vergrendelde en streng bewaakte gevangenisdeuren was, voor zover het menselijke hulp betrof, iedere kans op bevrijding of ontvluchting uitgesloten.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 110-111.

DINSDAG — 15 juni

3. God heeft de leiding

A. Beschrijf het wonder, dat voor Petrus in de gevangenis werd verricht.

Handelingen 12:7-11.

Handelingen 12:7: En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijn ketenen vielen af van de handen. Handelingen 12:8: En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij. Handelingen 12:9: En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag. Handelingen 12:10: En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem. Handelingen 12:11: En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.

“Maar de grendels, de tralies en de Romeinse wacht, die op doeltreffende wijze elke mogelijkheid van menselijke hulp buiten sloten, zouden slechts dienen om de triomf van God in de bevrijding van Petrus des te volkomener maken…

Hij (de engel) loopt op de deur toe, gevolgd door de gewoonlijk spraakzame Petrus, die thans echter stom van verbazing is. Zij stappen over de wacht heen en komen bij de zwaar vergrendelde deur, die vanzelf opengaat en zich onmiddellijk weer sluit, terwijl de wachten binnen en buiten bewegingloos op hun post staan.

Zij bereiken de tweede deur, die evenals de eerste van binnen en van buiten wordt bewaakt. Deze gaat evenals de eerste zonder geknars van scharnieren of lawaai van ijzeren grendels open. Zij gaan erdoor en de deur gaat weer geruisloos dicht. Op gelijke wijze gaan ze door de derde deur en bevinden zich dan vrij op straat. Geen woord wordt gesproken. Er is geen geluid van voetstappen. Omhuld door licht van verblindende glans zweeft de engel voorop en Petrus, verward en nog steeds gelovend, dat hij droomt, volgt zijn bevrijder. Zo gaan zij een straat ver, waarna de engel, wiens opdracht hiermee is vervuld, plotseling verdwijnt…

Zijn (Petrus’) polsen, gezwollen door het dragen van de wrede ijzers, waren van de handboeien bevrijd. Hij besefte, dat zijn vrijheid geen misleiding, geen droom of visioen was, maar een gezegende werkelijkheid.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 111-112.

B. Wat deed Petrus, alsof hij zich op een vertrouwde plaats bevond?

Handelingen 12:12-17.

Handelingen 12:12: En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren. Handelingen 12:13: En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode. Handelingen 12:14: En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoort stond. Handelingen 12:15: En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel. Handelingen 12:16: Maar Petrus bleef kloppende: en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich. Handelingen 12:17: En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats.

En wat gebeurde er met de schuldige koning? Verzen 21-23.

“Herodes wist, dat hij de loftuitingen en huldebetuigingen, die hem werden aangeboden, volstrekt niet verdiende; toch aanvaardde hij de vergoding van het volk als iets, dat hem toekwam…

Maar plotseling kwam er een verschrikkelijke verandering over hem. Zijn gelaat werd doodsbleek en verwrongen van pijn. Grote zweetdroppels kwamen uit de poriën tevoorschijn. Hij stond voor een ogenblik als aan de grond genageld door pijn en schrik. Dan wendde hij zijn vaalbleek gelaat tot zijn ontstelde vrienden, hij schreeuwde met holle, vertwijfelde klanken: Hem die gij als een god hebt verheerlijkt, is ten dode opgeschreven… Hij wist, dat God nu met hem, de meedogenloze vervolger, afrekende.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 114.

WOENSDAG — 16 juni

4. Evangelie opdracht

A. Wat is er nodig, naarmate de evangelieboodschap zich uitbreidt naar nieuwe plaatsen en waarom?

Handelingen 12:24-25; 13:1-3.

Handelingen 12:24: En het Woord Gods wies, en vermenigvuldigde. Handelingen 12:25: Barnabas nu en Saulus keerden wederom van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. Handelingen 13:1: En er waren te Antiochie, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes den viervorst opgevoed was, en Saulus. Handelingen 13:2: En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 13:3: Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.

“Ik zag, dat de kerk zijn verantwoordelijkheid moet gevoelen en zorgvuldig en aandachtig letten moet op het leven, de hoedanigheden en de wandel over het algemeen van degenen, die voorgeven leermeesters te zijn. Indien er geen onmiskenbaar bewijs gegeven wordt, dat God hen geroepen heeft, en dat het ‘wee’ op hen rust, indien zij geen gehoor geven aan deze roepstem, is het de plicht van de kerk om handelend op te treden en het bekend te maken, dat deze personen niet door de kerk als leermeesters erkend worden. Dit is het enige, dat de kerk kan doen om eerlijk te staan in deze zaak: want de last ligt op de kerk…

(Evangelie opdracht) Dit is onontbeerlijk om de kerk tot de eenheid des geloofs te brengen. Ik zag, dat de kerk in de dagen der apostelen in gevaar verkeerde van misleid en bedrogen te worden door valse leraars. Daarom kozen de broeders en zusters mannen, die goede blijken gegeven hadden, dat zij in staat waren hun eigen huizen wel te regeren, en orde in hun eigen gezinnen te houden, en degenen, die in duisternis verkeerden, licht konden brengen. God werd over zulke mannen geraadpleegd, en dan, naardat de mening van de kerk en de Heilige Geest was, werden zij door oplegging der handen, afgezonderd. Hun opdracht van God ontvangen hebbende, en in het bezit van de goedkeuring der kerk zijnde, gingen zij uit, dopende in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, en het avondmaal van het huis des Heeren bedienende, menigmaal de heiligen dienende, door hun het zinnebeeld van het gebroken lichaam en het vergoten bloed van de gekruisigde Heiland aan te bieden, ten einde van Zijn lijden en dood in het geheugen van Gods geliefde kinderen levendig te houden.

Ik zag, dat wij nu niet veiliger zijn voor valse leraars dan in de dagen der apostelen; en indien wij ook niet meer doen, behoren wij even bijzondere maatregelen te nemen, als zij genomen hebben om de vrede, eensgezindheid en eenheid van de kudde te verzekeren. Wij hebben hun voorbeeld en moeten dit volgen. Broeders van ondervinding en gezond verstand moeten samenkomen, en het Woord van God en de bekrachtiging des Heiligen Geestes volgende, moeten zij, met ernstig gebed, de handen opleggen aan degenen, die voldoende bewijs gegeven hebben, dat zij de opdracht van God hebben verkregen; en dezulken moeten afgezonderd worden om zich geheel en al aan Zijn werk te wijden. Deze handelwijze zou tonen, dat de kerk hun uitgaan als afgezanten om de ernstige boodschap, die ooit aan de mensen gegeven is, te verkondigen, bekrachtigt.” –Eerste Geschriften, blz. 112-114.

DONDERDAG — 17 juni

5. Een ziel staat op het spel

A. Waar gingen Barnabas en Saulus vervolgens heen tijdens hun zendingswerk en met welk obstakel werden zij geconfronteerd?

Handelingen 13:4-8.

Handelingen 13:4: Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucie, en van daar scheepten zij af naar Cyprus. Handelingen 13:5: En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar. Handelingen 13:6: En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekeren tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus; Handelingen 13:7: Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen. Handelingen 13:8: Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.

“Satan laat het niet zonder tegenstand de stichting van het Koninkrijk Gods op aarde toe. De krachten van de boze zijn in een voortdurende strijd verbonden tegen de tot verbreiding van het evangelie aangewezen arbeidskrachten; en deze machten der duisternis zijn vooral dan werkzaam, wanneer de waarheid aan mensen van vermaardheid en uitgesproken rechtschapenheid wordt verkondigd. Zo was het toen Sergius Paulus, de landvoogd van Cyprus, de evangelieboodschap beluisterde. De landvoogd had de apostelen laten roepen om zich omtrent de boodschap, die zij kwamen verkondigen, te laten onderrichten; en nu probeerden de machten der duisternis, werkend door de tovenaar Elymas, hem door hun verderfelijke invloeden van het geloof te weerhouden en zo Gods bedoeling te verijdelen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 125-126.

B. Hoe bestrafte Paulus vrijmoedig degene, door wie de vijand werkte, en behaalde hij zo een overwinning voor het evangelie?

Handelingen 13:9-12.

Handelingen 13:9: Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide: Handelingen 13:10: O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren? Handelingen 13:11: En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden. Handelingen 13:12: Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.

“De tovenaar had zijn ogen voor de getuigenissen van de waarheid gesloten. De Here sloot nu in gerechtvaardigde toorn zijn natuurlijke ogen en onttrok het daglicht aan hem. Deze blindheid was niet van blijvende aard, maar slechts voor een tijd, opdat hij daardoor tot berouw zou worden gemaand en tot het zoeken van vergeving bij de God, die hij zo diep had gegriefd. De verbijstering, waarin hij zodoende was geraakt, maakte dat zijn sluwe kunsten tegen de leer van Christus niets konden uitrichten. Het feit, dat hij gedwongen was in blindheid rond te tasten, bewees aan allen, dat de wonderen, die de apostelen tot stand hadden gebracht, … door de kracht Gods waren geschied.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 126.

VRIJDAG — 18 juni

Terugblik

1. Hoe worden samenzweringen, zoals die tussen de Joden en Herodes, nu herhaald?

2. Wat kunnen wij doen, als wij onmogelijke obstakels, zoals Petrus’ gevangenschap, tegenkomen?

3. Waarom kunnen de details van Petrus’ bevrijding mij hoop geven?

4. Wat is de belangrijkste kwalificatie, die nodig is voor de leraren van het evangelie?

5. Waarom moet ik niet ontmoedigd zijn, als ik voor nieuwe zielen werk?