Tekst om te onthouden: “Indien dan God hun gelijke gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God kon weren?”
Handelingen 11:17
“Het moet voor ons in ons werk een grote bemoediging zijn te denken aan het erbarmen en de tedere liefde Gods voor hen, die zoekende zijn en bidden om licht.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 407-408.
Aanvullende studie :: -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 98-108;; 117-120;; -Testimonies for the Church 6, blz. 76-84.
A. Vertel de ervaring van Petrus’ bezoek aan Lydda.
Handelingen 9:32-35.
B. Waarom kunnen wij allemaal bemoedigd worden door het wonder in Joppe, en waarom zijn gemeenteleden, zoals Dorkas, zo’n aanwinst voor het lichaam?
Handelingen 9:36-43.
“In Joppe was een Dorcas, wier vaardiger vingers actiever waren dan haar tong. Zij wist, wie gemakkelijke kleding nodig had en wie behoefte had aan sympathie, en aan beide groepen voorzag zij ruimschoots in de behoefte. Toen Dorcas stierf, was de gemeente Joppe zich pijnlijk bewust van het verlies. Het is geen wonder, dat zij treurden en klaagden, of dat hete tranen op dat levenloze lichaam vielen. Zij was van zo’n grote waarde, dat zij door de kracht van God uit het land van de vijand werd teruggehaald, opdat haar vaardigheden en energie anderen nog tot zegen zouden kunnen zijn.
Zulk een geduldige, biddende en vasthoudende getrouwheid, als deze heiligen van God bezaten, is zeldzaam; toch kan de gemeente zonder dit niet bloeien… Er is altijd behoefte aan standvastige, godvrezende arbeiders, die in tijden van tegenspoed niet zullen bezwijken.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 247-248.
A. Wie was Cornelius en waarom sprak God tot hem?
Handelingen 10:1-8.
“Cornelius was een Romeinse hoofdman. Hij was een welgesteld man van voorname afkomst en hij bekleedde een vertrouwens- en erepositie. Door geboorte, opvoeding en ontwikkeling een heiden, had hij door contact met de Joden kennis van God verkregen en hij aanbad Hem met een oprecht hart. Hij toonde de echtheid van zijn geloof door zijn medelijden met de armen. Wijd en zijd stond hij bekend vanwege zijn liefderijkheid, en zijn rechtvaardig leven bezorgde hem een goede naam zowel bij de Joden als bij de heidenen. Hij oefende een zegenrijke invloed uit op allen met wie hij in aanraking kwam…
Cornelius geloofde in God als de Schepper van hemel en aarde, hij vereerde Hem, hij erkende Zijn heerschappij, en bij alle levensaangelegenheden vroeg hij Hem om raad. Hij was Jehova trouw in zijn huiselijk leven en in de vervulling van zijn openbare plichten.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 101.
B. Welke belangrijke les gaf God Petrus ondertussen in Joppe, terwijl hij voedsel als een symbool gebruikte (maar niet echt verwijzend naar voedsel), die christenen tot het einde der tijden hoog moeten houden?
Handelingen 10:9-16,
Handelingen 10:28,
Handelingen 10:34-35.
“Hij liet zien, dat onze naaste niet noodzakelijk iemand moet zijn van de kerk of van het geloof, waartoe wij behoren. Het begrip ‘naaste’ slaat niet op ras, huidskleur of klasse-onderscheid. Onze naaste is iedereen, die onze hulp nodig heeft. Onze naaste is iedereen, die door de tegenstander gewond en gekwetst is. Onze naaste is iedereen, die Gods eigendom is.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 233.
C. Hoe zond de Heer Petrus om Cornelius en zijn groep een huis Bijbelstudie in Caesaréa te geven?
Handelingen 10:19-22,
Handelingen 10:27.
D. Wat onderwees Petrus?
Handelingen 10:36-43.
“Vanaf de belofte, die werd gegeven aan Adam, langs de gehele lijn van aartsvaders en het wetsbestel, maakte het heerlijke licht van de hemel de voetsporen van de Verlosser duidelijk zichtbaar.” –De Wens der Eeuwen, blz. 171.
A. Hoe droegen Cornelius en zijn groep vrucht, door het bewijs te leveren dat zij de tegenwoordige waarheid voor die tijd inderdaad volledig omarmden, waardoor zij gedoopt konden worden?
Handelingen 10:44-48.
B. Welke klacht moest Petrus het hoofd bieden na zijn zendingswerk met Cornelius van zijn broeders in Judea?
Handelingen 11:1-3.
“Toen de broeders in Judea hoorden, dat Petrus het huis van een heiden was binnengegaan en voor de daar samen gekomenen gesproken had, waren zij verbaasd en geërgerd. Zij vreesden, dat een dergelijke handelwijze, die hun vermetel toescheen, verijdeling van hun eigen onderwijs ten gevolge zou hebben. Toen ze daarna Petrus zagen, traden ze hem met een scherpe berisping tegemoet, zeggende: ’Gij zijt binnengegaan bij onbesnedenen en hebt met hen gegeten’. “ –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 107.
C. Wat beklemtoonde Petrus, nadat hij zijn ervaring had verteld, te beginnen met het visioen van God, en hoe ontvingen zijn broeders deze logica?
Handelingen 11:15-18.
Wat zegt dit ons nu?
“Het moet voor ons in ons werk een grote bemoediging zijn te denken aan het erbarmen en de tedere liefde Gods voor hen, die zoekende zijn en bidden om licht.
Er zijn velen, die mij getoond zijn als zijnde Cornelius, mannen die God met Zijn gemeente wil verbinden. Hun sympathieën gaan uit naar Gods geboden houdend volk. Maar de banden, die hen binden aan de wereld, houden hen stevig omstrengeld. Zij bezitten niet de zedelijke moed om zich te scharen aan de kant der nederigen. Wij moeten ons bijzonder inspannen voor deze zielen, die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden en verzoekingen behoefte hebben aan een bijzonder werk.
Uit het mij geschonken licht weet ik, dat er een duidelijk ‘Zo zegt de Heere’ nu gesproken moet worden tot mannen van invloed en gezag in de wereld. Zij zijn rentmeesters, aan wie God belangrijke schatten heeft toevertrouwd. Zo zij op Zijn roepstem ingaan, zal God hen in Zijn werk gebruiken.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 407-408.
A. Hoe breidde de gemeente zich uit naar de eilanden in de Middellandse Zee en ten noorden van Judea als gevolg van de verstrooiing door de vervolging?
Handelingen 11:19-21.
B. Welke stad was een bijzonder vruchtbaar veld voor het evangelie, welk plan werd gemaakt om het vollediger te ontwikkelen en waarom?
Handelingen 11:22-26 (eerste deel).
“Barnabas … werd naar Antiochië, de metropool van Syrië, gestuurd om de gemeente daar te helpen. Hij werkte daar met groot succes. Naarmate het werk toenam, verzocht en kreeg hij de hulp van Paulus; en de twee discipelen werkten een jaar samen in die stad, onderwezen de mensen en voegden velen toe aan de gemeente van Christus.
Antiochië had zowel een grote Joodse en niet-Joodse bevolking; het was een geweldige plaats voor liefhebbers van gemak en plezier, omdat de gezonde ligging, het prachtige landschap en de rijkdom, cultuur en verbetering er centraal stonden. De uitgebreide handel maakte het tot een plaats van groot belang, waar mensen van alle nationaliteiten werden gevonden. Het was daarom een stad van luxe en ondeugd.” –The Story of Redemption,
C. Wat onderscheidde de gemeente in Antiochië?
Handelingen 11:26 (laatste deel).
“Hier werden de discipelen voor het eerst christenen genoemd. Zij kregen hun naam, omdat Christus het hoofdthema was van hun prediking, onderwijs en gesprek. Zij vertelden voortdurend de gebeurtenissen van Zijn leven gedurende de tijd, waarin Zijn discipelen werden gezegend met Zijn persoonlijk gezelschap. Zij waren altijd onvermoeibaar bij Zijn leringen, Zijn wonderen van het genezen van zieken, het uitwerpen van duivels en het opwekken van doden tot leven. Met trillende lippen en tranende ogen spraken zij over Zijn doodsstrijd in de hof, Zijn verraad, beproeving en terechtstelling, de verdraagzaamheid en nederigheid, waarmee Hij de vernedering en marteling doorstond ,die Hem door Zijn vijanden waren opgelegd, en het Goddelijke medelijden, waarmee Hij bad voor hen, die Hem vervolgden. Zijn opstanding en hemelvaart en Zijn werk in de hemel als een Middelaar voor de gevallen mens waren vreugdevolle onderwerpen voor hen. De heidenen mochten hen best christenen noemen.” –The Story of Redemption, blz. 302.
A. Welke welwillende daad ondernamen de broeders van Antiochië, toen zij de profetie hoorden, dat er hongersnood zou komen over de hele wereld?
Handelingen 11:27-30.
Hoe is dit een voorbeeld voor christenen in alle tijden?
Handelingen 20:35.
“Omstandigheden kunnen zich voordoen, dat sommigen, die God liefhebben en gehoorzamen, arm worden. Anderen zijn niet nauwgezet; zij kunnen geen beheer voeren. Weer anderen vervallen tot armoede door ziekte en tegenslag. Maar wat ook de oorzaak is, zij verkeren in nood, en hen helpen is een belangrijk onderdeel van het zendingswerk.
Al onze gemeenten moeten zorgen voor hun eigen armen. Onze liefde voor God moet tot uitdrukking komen in goede werken voor de armen en zieken onder de huisgenoten des geloofs, wier nooddruft ons ter ore komt en onze zorg vraagt. Elke ziel staat onder bijzondere verplichting tegenover God om Zijn goede armen met bijzonder mededogen te bejegenen. In geen enkel opzicht mag men dezen voorbijgaan…
Daar was in Jeruzalem hongersnood geweest en Paulus wist, dat velen der christenen her- en derwaarts verstrooid waren, en dat zij, die gebleven waren, eveneens beroofd zouden zijn van menselijk medelijden en blootgesteld aan godsdienstige vijandschap. Daarom vermaande hij de gemeenten om geldelijke steun te zenden aan hun broederen in Jeruzalem. Het bedrag, dat door de gemeenten werd bijeengebracht, ging de verwachting der apostelen ver te boven. Gedrongen door de liefde van Christus gaven de gelovigen milddadig, en onder hen heerste blijdschap, omdat zij aldus hun dankbaarheid tegenover hun Verlosser en hun liefde voor de broederen konden uiten. Dit is de ware grondslag van het liefdewerk in overeenstemming met Gods Woord.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 534, 535.
1. Hoe kan ik een invloed doen gelden in mijn gemeente, zoals die van Tabitha?
2. Wat zegt dit over Cornelius?
3. Welke vooraanstaande persoon ken ik, die eigenlijk open kan staan voor de waarheid?
4. Er kan een stad zijn als Antiochië bij mij in de buurt, die waarheid nodig heeft. Waar is deze?
5. Waarom moet ik altijd het belang van christelijke liefdadigheid overwegen?