“Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden”
Lucas 14:11
“Israël had een koning maar Gods hart. Hij, die geduldig op Gods heil had gewacht, zag nu de vervulling van Gods belofte.” –Patriarchen en Profeten, blz. 641.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 615-629, 637-645.
A. Verklaar de gevolgen van het verwaarlozen van de leiderschapstaken van koning Saul, en de diepten van het kwaad, waarin hij zonk.
1 Samuël 28:1 (eerste deel),
1 Samuel 28:5-7.
“Terwijl de koning en zijn raadslieden plannen maakten om David gevangen te nemen, werden de zaken van het volk op onjuiste wijze geleid en verwaarloosd… Door de bevelen van Satan op te volgen, verhaastte Saul zelf juist de gevolgen, die hij in onheilige ijver trachtte af te wenden.” –Bijbelkommentaar, blz. 113.
“Hij (Saul) heeft God verlaten en uiteindelijk zoekt iemand, die een verbond met de dood en een overeenkomst met de hel heeft gesloten, naar kennis.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 84.
B. Hoe weten wij, dat het een misleiding van Satan was, die de koning tot zijn ondergang verleidde? Verzen 8, 11, 13-20;
Job 7:9.
“Het was niet Gods heilige profeet, die op de bezwering van de waarzegster opkwam. Samuel was niet in die verblijfsplaats van boze geesten. Deze bovennatuurlijke verschijning werd voortgebracht door de macht van Satan. Hij kon gemakkelijk de gedaante aannemen van Samuel, evenals hij zich voordeed als een engel des lichts, toen hij Christus verzocht in de woestijn.” –Patriarchen en Profeten, blz. 617.
A. Wat doodde koning Saul uiteindelijk?
1 Samuël 31:1-6;
1 Kronieken 10:13-14.
“Gedurende zijn opstand was Saul gevleid en bedrogen door Satan. Het is de bedoeling van de verleider om de zonde te verkleinen, om het pad van de overtreder prettig en uitnodigend voor te stellen, om de geest te verblinden voor de waarschuwingen en dreigingen van God. Door zijn betoverende invloed had Satan Saul ertoe gebracht zich te rechtvaardigen, ondanks Samuels bestraffingen en waarschuwingen. Nu wendde hij zich echter tot hem in zijn wanhoop, hield hem de grootte van zijn zonde voor ogen en maakte hem wijs, dat er geen vergiffenis meer bestond voor hem, zodat hij tot wanhoop zou vervallen. Op geen andere wijze had hij meer succes kunnen hebben om hem zijn moed te ontnemen, zijn oordeel te verwarren, en hem tot zelfvernietiging te brengen…
Toen hij de geest der duisternis raadpleegde, had Saul zichzelf ten onder gebracht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 618-619.
“‘Saul wist, dat hij met deze laatste daad, toen hij de waarzegster van Endor raadpleegde, hij het laatste stukje doorsneed, dat hem met God verbond… De beker van zijn ongerechtigheid was vol.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 85.
B. Welk duidelijk verbod geeft God tegen vermeende communicatie met de doden (magie)?
Deuteronomium 18:10-12;
Leviticus 20:27.
C. Wat moeten wij leren van de manier, waarop David op Sauls dood reageerde?
2 Samuël 1:4,
2 Samuel 1:11-12,
2 Samuel 1:17-21;
Matthéüs 5:43-45.
“Davids verdriet over de dood van Saul was innig en oprecht, en openbaarde de adel van een edelmoedig karakter. Hij verheugde zich niet over de dood van zijn vijand. De hinderpaal, die tussen hem en de troon van Israël had gestaan, was uit de weg geruimd, maar dit verheugde hem niet. De dood had de herinnering aan Sauls wantrouwen en wreedheid uitgewist, en hij dacht nu slechts aan alles wat groots en edel was geweest. De naam van Saul was verbonden met die van Jonatan, wiens vriendschap zo trouw en belangeloos was geweest.” –Patriarchen en Profeten, blz. 635.
A. Vertel over Davids activiteiten na zijn rouwperiode.
2 Samuël 2:1-7.
B. Wie was Abner, en hoe veroorzaakte hij David problemen? Verzen 8-11.
“De omstandigheden hadden het ware karakter van Abner gevormd, en lieten zien, dat hij eerzuchtig en beginselloos was. Hij was nauw verbonden geweest met Saul, en de geest van de koning had hem beïnvloed om de man, die door God was uitverkoren, te verachten. Zijn haat was groter geworden door het scherpe verwijt, dat David hem eertijds had gedaan, omdat hij lag te slapen toen de waterkruik en de speer, die bij de koning stonden, weggenomen werden… (Zie 1 Samuël 26:15-16). Dit verwijt had bij hem kwaad bloed gezet, en hij had zich voorgenomen zich te wreken en verdeeldheid te brengen in Israël, om daardoor zichzelf te dienen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 638.
C. Hoe was de troon gevestigd, en hoe raakte David de harten van Israël door zijn edelmoedigheid jegens een ander, die een vijand was geweest? Hoofdstuk 3:1, 30-37.
“Davids edelmoedige erkenning van de man, die zijn bittere vijand was geweest, won het vertrouwen en de bewondering van heel Israël…
Hardnekkig had hij (Abner) weerstand geboden aan de koning, die door God was uitverkoren, in de hoop dat hij zelf die eer zou verkrijgen… Als hij in zijn voornemen geslaagd was, zouden zijn gaven en eerzucht, zijn grote invloed en gebrek aan godsvrucht de troon van David, de vrede en voorspoed van het volk in groot gevaar hebben gebracht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 640.
D. Hoe reageerde David op de daden van sommigen, die zijn gunst wilden winnen door Sauls zoon Isboseth, zijn potentiële rivaal, te doden? Hoofdstuk 4:5-6, 9-12.
“Maar David, die door God Zelf op de troon was geplaatst en die door God was verlost van al zijn vijanden, wilde zijn macht niet gronden met behulp van verraad.” –Patriarchen en Profeten, blz. 640.
A. Hoe ontving David, door het karakter dat hij had ontwikkeld, de steun van heel Israël?
2 Samuël 5:1-5,
2 Samuel 5:10;
Lukas 14:11 (laatste deel).
“Op deze wijze werd door Gods voorzienigheid voor hem (David) de weg naar de troon geopend. Hij behoefde zijn eigen eerzucht niet te strelen, want hij had de eer, waartoe hij gekomen was, niet gezocht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 641.
“Zijn (Davids) vastberadenheid, nederigheid, liefde voor gerechtigheid en besluitvaardig karakter, kwalificeerden hem om de hoge doeleinden van God uit te voeren…
Zijn godsdienstige karakter was oprecht en vurig. Omdat David aldus trouw was aan God en deze verheven karaktertrekken bezat, noemt God hem een man naar Zijn eigen hart.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 85-86.
B. Hoe was David van plan Gods almacht te erkennen?
2 Samuël 6:1-2.
C. Wat gebeurde er met Uza en waarom? Verzen 3-7;
Numeri 4:15;
Numeri 7:6-9.
“Het lot, dat Uzza trof, was een oordeel van God over het schenden van een duidelijk gebod. Door Mozes had God speciale aanwijzingen gegeven betreffende het vervoer van de ark… Gods gebod werd dus op duidelijke en niet te verontschudigen wijze overtreden, toen de ark uit Kirjat-Jearim werd gehaald…
Uzza was daarboven schuldig aan vermetelheid. Overtreding van Gods wet had het besef van de heiligheid ervan doen afnemen, en met onbeleden zonden op zich had hij het gewaagd, ondanks Gods verbod, het symbool van Gods tegenwoordigheid aan te raken. God kan geen gedeeltelijke gehoorzaamheid aanvaarden, en stelt geen prijs op een lichtzinnige houding ten opzichte van Zijn geboden. Door het oordeel over Uzza wilde Hij geheel Israël duidelijk maken, hoe belangrijk het is nauwlettend acht te slaan op Zijn eisen. Op deze wijze kon de dood van deze ene man het hele volk tot inkeer brengen en de noodzaak om een oordeel te zenden, afwenden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 644-645.
A. Welke waarschuwingen moeten wij in acht nemen tegen de moedige en trotse menselijke neiging tot verschillende vormen van aanmatiging?
Handelingen 17:30-31;
Jakobus 4:17.
“David en het volk waren samengekomen voor een heilige taak, en dit hadden ze met een blij en gewillig hart gedaan. Maar de Here kon hun dienst niet aanvaarden, omdat deze niet overeenstemde met Zijn aanwijzingen. De Filistijnen, die Gods wet niet kenden, hadden de ark op een wagen geplaatst, toen ze haar terugzonden naar Israël, en de Here had dit aanvaard. Maar de Israëlieten hadden nauwkeurige voorschriften van God in dit opzicht, en nalatigheid in de uitvoering ervan was een oneer voor God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 644.
“Het is niet voldoende, als iemand doet, wat hij juist acht, of wat de predikant als juist beschouwt. De redding van zijn ziel staat op het spel en hij moet de Bijbel zelf onderzoeken.” –De Grote Strijd, blz. 553.
“De Heer heeft geen van Zijn menselijke agenten geplaatst onder het bevel en de leiding van degenen, die zelf maar dwalende stervelingen zijn… Hij (God) zal degenen oordelen, die deze autoriteit op zich nemen. Zij hebben een beetje dezelfde geest, die Uza ertoe bracht zijn hand op de ark te leggen om hem te steunen, alsof God niet in staat was om voor Zijn heilige symbolen te zorgen. Veel minder van de kracht en het gezag van de mens moet worden uitgeoefend ten aanzien van Gods menselijke agenten. Broeders en zusters, laat God beslissen.” –Testimonies to Ministers, blz. 347-348.
“God beheert Zijn eigen werk, en wee de mens, die zijn hand legt aan de ark van God.” –Manuscript Releases 16, blz. 114.
1. Schets de ondergang van koning Saul.
2. Hoe kan ik meer op David gaan lijken, toen hij het nieuws van Sauls dood hoorde?
3. Hoe kan ik meer op David gaan lijken in zijn relatie tot Abner en Isboseth?
4. Waardoor zou ik in geestelijk gevaar kunnen komen zoals Uza?
5. Noem enkele manieren, waarop ik nu schuldig zou kunnen zijn aan de zonde van Uza.