Lessen uit het leven van David — SABBAT, 20 februari 2021

Les 8: DE NEDERIGE VERHEVEN

Tekst om te onthouden

“Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden”

Lucas 14:11

“Israël had een koning maar Gods hart. Hij, die geduldig op Gods heil had gewacht, zag nu de vervulling van Gods belofte.” –Patriarchen en Profeten, blz. 641.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 615-629, 637-645.

ZONDAG — 14 februari

1. Koningschap verteerd door afgunst

A. Verklaar de gevolgen van het verwaarlozen van de leiderschapstaken van koning Saul, en de diepten van het kwaad, waarin hij zonk.

1 Samuël 28:1 (eerste deel),

[1Sam.28.1.a]

1 Samuel 28:5-7.

1 Samuël 28:5: Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer. 1 Samuël 28:6: En Saul vraagde den HEERE; maar de HEERE antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten. 1 Samuël 28:7: Toen zeide Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft.

“Terwijl de koning en zijn raadslieden plannen maakten om David gevangen te nemen, werden de zaken van het volk op onjuiste wijze geleid en verwaarloosd… Door de bevelen van Satan op te volgen, verhaastte Saul zelf juist de gevolgen, die hij in onheilige ijver trachtte af te wenden.” –Bijbelkommentaar, blz. 113.

“Hij (Saul) heeft God verlaten en uiteindelijk zoekt iemand, die een verbond met de dood en een overeenkomst met de hel heeft gesloten, naar kennis.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 84.

B. Hoe weten wij, dat het een misleiding van Satan was, die de koning tot zijn ondergang verleidde? Verzen 8, 11, 13-20;

Job 7:9.

Job 7:9: Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

“Het was niet Gods heilige profeet, die op de bezwering van de waarzegster opkwam. Samuel was niet in die verblijfsplaats van boze geesten. Deze bovennatuurlijke verschijning werd voortgebracht door de macht van Satan. Hij kon gemakkelijk de gedaante aannemen van Samuel, evenals hij zich voordeed als een engel des lichts, toen hij Christus verzocht in de woestijn.” –Patriarchen en Profeten, blz. 617.

MAANDAG — 15 februari

2. De troon vrijgekomen

A. Wat doodde koning Saul uiteindelijk?

1 Samuël 31:1-6;

1 Samuël 31:1: De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 1 Samuël 31:2: En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul. 1 Samuël 31:3: En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters. 1 Samuël 31:4: Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. 1 Samuël 31:5: Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem. 1 Samuël 31:6: Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.

1 Kronieken 10:13-14.

1 Kronieken 10:13: Alzo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den HEERE, tegen het woord des HEEREN hetwelk hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende, 1 Kronieken 10:14: En den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isai.

“Gedurende zijn opstand was Saul gevleid en bedrogen door Satan. Het is de bedoeling van de verleider om de zonde te verkleinen, om het pad van de overtreder prettig en uitnodigend voor te stellen, om de geest te verblinden voor de waarschuwingen en dreigingen van God. Door zijn betoverende invloed had Satan Saul ertoe gebracht zich te rechtvaardigen, ondanks Samuels bestraffingen en waarschuwingen. Nu wendde hij zich echter tot hem in zijn wanhoop, hield hem de grootte van zijn zonde voor ogen en maakte hem wijs, dat er geen vergiffenis meer bestond voor hem, zodat hij tot wanhoop zou vervallen. Op geen andere wijze had hij meer succes kunnen hebben om hem zijn moed te ontnemen, zijn oordeel te verwarren, en hem tot zelfvernietiging te brengen…

Toen hij de geest der duisternis raadpleegde, had Saul zichzelf ten onder gebracht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 618-619.

“‘Saul wist, dat hij met deze laatste daad, toen hij de waarzegster van Endor raadpleegde, hij het laatste stukje doorsneed, dat hem met God verbond… De beker van zijn ongerechtigheid was vol.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 85.

B. Welk duidelijk verbod geeft God tegen vermeende communicatie met de doden (magie)?

Deuteronomium 18:10-12;

Deuteronomium 18:10: Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. Deuteronomium 18:11: Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Deuteronomium 18:12: Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting.

Leviticus 20:27.

Leviticus 20:27: Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.

C. Wat moeten wij leren van de manier, waarop David op Sauls dood reageerde?

2 Samuël 1:4,

2 Samuël 1:4: Voorts zeide David tot hem: Wat is de zaak? Verhaal het mij toch. En hij zeide, dat het volk uit den strijd gevloden was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.

2 Samuel 1:11-12,

2 Samuël 1:11: Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren. 2 Samuël 1:12: En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israels, omdat zij door het zwaard gevallen waren.

2 Samuel 1:17-21;

2 Samuël 1:17: David nu klaagde deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon; 2 Samuël 1:18: Als hij gezegd had, dat men den kinderen van Juda den boog zou leren; ziet, het is geschreven in het boek des Oprechten. 2 Samuël 1:19: O Sieraad van Israel, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! 2 Samuël 1:20: Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde. 2 Samuël 1:21: Gij, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofferen; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie.

Matthéüs 5:43-45.

Mattheüs 5:43: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten. Mattheüs 5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Mattheüs 5:45: Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

“Davids verdriet over de dood van Saul was innig en oprecht, en openbaarde de adel van een edelmoedig karakter. Hij verheugde zich niet over de dood van zijn vijand. De hinderpaal, die tussen hem en de troon van Israël had gestaan, was uit de weg geruimd, maar dit verheugde hem niet. De dood had de herinnering aan Sauls wantrouwen en wreedheid uitgewist, en hij dacht nu slechts aan alles wat groots en edel was geweest. De naam van Saul was verbonden met die van Jonatan, wiens vriendschap zo trouw en belangeloos was geweest.” –Patriarchen en Profeten, blz. 635.

DINSDAG — 16 februari

3. Goedgunstig jegens vijanden

A. Vertel over Davids activiteiten na zijn rouwperiode.

2 Samuël 2:1-7.

2 Samuël 2:1: En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron. 2 Samuël 2:2: Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet. 2 Samuël 2:3: Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron. 2 Samuël 2:4: Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. 2 Samuël 2:5: Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven. 2 Samuël 2:6: Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt. 2 Samuël 2:7: En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.

B. Wie was Abner, en hoe veroorzaakte hij David problemen? Verzen 8-11.

“De omstandigheden hadden het ware karakter van Abner gevormd, en lieten zien, dat hij eerzuchtig en beginselloos was. Hij was nauw verbonden geweest met Saul, en de geest van de koning had hem beïnvloed om de man, die door God was uitverkoren, te verachten. Zijn haat was groter geworden door het scherpe verwijt, dat David hem eertijds had gedaan, omdat hij lag te slapen toen de waterkruik en de speer, die bij de koning stonden, weggenomen werden… (Zie 1 Samuël 26:15-16). Dit verwijt had bij hem kwaad bloed gezet, en hij had zich voorgenomen zich te wreken en verdeeldheid te brengen in Israël, om daardoor zichzelf te dienen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 638.

C. Hoe was de troon gevestigd, en hoe raakte David de harten van Israël door zijn edelmoedigheid jegens een ander, die een vijand was geweest? Hoofdstuk 3:1, 30-37.

“Davids edelmoedige erkenning van de man, die zijn bittere vijand was geweest, won het vertrouwen en de bewondering van heel Israël…

Hardnekkig had hij (Abner) weerstand geboden aan de koning, die door God was uitverkoren, in de hoop dat hij zelf die eer zou verkrijgen… Als hij in zijn voornemen geslaagd was, zouden zijn gaven en eerzucht, zijn grote invloed en gebrek aan godsvrucht de troon van David, de vrede en voorspoed van het volk in groot gevaar hebben gebracht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 640.

D. Hoe reageerde David op de daden van sommigen, die zijn gunst wilden winnen door Sauls zoon Isboseth, zijn potentiële rivaal, te doden? Hoofdstuk 4:5-6, 9-12.

“Maar David, die door God Zelf op de troon was geplaatst en die door God was verlost van al zijn vijanden, wilde zijn macht niet gronden met behulp van verraad.” –Patriarchen en Profeten, blz. 640.

WOENSDAG — 17 februari

4. Geleerde lessen

A. Hoe ontving David, door het karakter dat hij had ontwikkeld, de steun van heel Israël?

2 Samuël 5:1-5,

2 Samuël 5:1: Toen kwamen alle stammen van Israel tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij. 2 Samuël 5:2: Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israel uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israel. 2 Samuël 5:3: Alzo kwamen alle oudsten van Israel tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israel. 2 Samuël 5:4: Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd. 2 Samuël 5:5: Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israel en Juda.

2 Samuel 5:10;

2 Samuël 5:10: David nu ging geduriglijk voort, en werd groot; want de HEERE, de God der heirscharen, was met hem.

Lukas 14:11 (laatste deel).

[Luke.14.11.b]

“Op deze wijze werd door Gods voorzienigheid voor hem (David) de weg naar de troon geopend. Hij behoefde zijn eigen eerzucht niet te strelen, want hij had de eer, waartoe hij gekomen was, niet gezocht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 641.

“Zijn (Davids) vastberadenheid, nederigheid, liefde voor gerechtigheid en besluitvaardig karakter, kwalificeerden hem om de hoge doeleinden van God uit te voeren…

Zijn godsdienstige karakter was oprecht en vurig. Omdat David aldus trouw was aan God en deze verheven karaktertrekken bezat, noemt God hem een man naar Zijn eigen hart.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 85-86.

B. Hoe was David van plan Gods almacht te erkennen?

2 Samuël 6:1-2.

2 Samuël 6:1: Daarna verzamelde David wederom alle uitgelezenen in Israel, dertig duizend. 2 Samuël 6:2: En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baalim-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van den HEERE der heirscharen, Die daarop woont tussen de cherubim.

C. Wat gebeurde er met Uza en waarom? Verzen 3-7;

Numeri 4:15;

Numeri 4:15: Als nu Aaron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kahath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst.

Numeri 7:6-9.

Numeri 7:6: Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten. Numeri 7:7: Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst; Numeri 7:8: En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester. Numeri 7:9: Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.

“Het lot, dat Uzza trof, was een oordeel van God over het schenden van een duidelijk gebod. Door Mozes had God speciale aanwijzingen gegeven betreffende het vervoer van de ark… Gods gebod werd dus op duidelijke en niet te verontschudigen wijze overtreden, toen de ark uit Kirjat-Jearim werd gehaald…

Uzza was daarboven schuldig aan vermetelheid. Overtreding van Gods wet had het besef van de heiligheid ervan doen afnemen, en met onbeleden zonden op zich had hij het gewaagd, ondanks Gods verbod, het symbool van Gods tegenwoordigheid aan te raken. God kan geen gedeeltelijke gehoorzaamheid aanvaarden, en stelt geen prijs op een lichtzinnige houding ten opzichte van Zijn geboden. Door het oordeel over Uzza wilde Hij geheel Israël duidelijk maken, hoe belangrijk het is nauwlettend acht te slaan op Zijn eisen. Op deze wijze kon de dood van deze ene man het hele volk tot inkeer brengen en de noodzaak om een oordeel te zenden, afwenden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 644-645.

DONDERDAG — 18 februari

5. Aanmatiging vermijden

A. Welke waarschuwingen moeten wij in acht nemen tegen de moedige en trotse menselijke neiging tot verschillende vormen van aanmatiging?

Handelingen 17:30-31;

Handelingen 17:30: God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren. Handelingen 17:31: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.

Jakobus 4:17.

Jakobus 4:17: Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.

“David en het volk waren samengekomen voor een heilige taak, en dit hadden ze met een blij en gewillig hart gedaan. Maar de Here kon hun dienst niet aanvaarden, omdat deze niet overeenstemde met Zijn aanwijzingen. De Filistijnen, die Gods wet niet kenden, hadden de ark op een wagen geplaatst, toen ze haar terugzonden naar Israël, en de Here had dit aanvaard. Maar de Israëlieten hadden nauwkeurige voorschriften van God in dit opzicht, en nalatigheid in de uitvoering ervan was een oneer voor God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 644.

“Het is niet voldoende, als iemand doet, wat hij juist acht, of wat de predikant als juist beschouwt. De redding van zijn ziel staat op het spel en hij moet de Bijbel zelf onderzoeken.” –De Grote Strijd, blz. 553.

“De Heer heeft geen van Zijn menselijke agenten geplaatst onder het bevel en de leiding van degenen, die zelf maar dwalende stervelingen zijn… Hij (God) zal degenen oordelen, die deze autoriteit op zich nemen. Zij hebben een beetje dezelfde geest, die Uza ertoe bracht zijn hand op de ark te leggen om hem te steunen, alsof God niet in staat was om voor Zijn heilige symbolen te zorgen. Veel minder van de kracht en het gezag van de mens moet worden uitgeoefend ten aanzien van Gods menselijke agenten. Broeders en zusters, laat God beslissen.” –Testimonies to Ministers, blz. 347-348.

“God beheert Zijn eigen werk, en wee de mens, die zijn hand legt aan de ark van God.” –Manuscript Releases 16, blz. 114.

VRIJDAG — 19 februari

Terugblik

1. Schets de ondergang van koning Saul.

2. Hoe kan ik meer op David gaan lijken, toen hij het nieuws van Sauls dood hoorde?

3. Hoe kan ik meer op David gaan lijken in zijn relatie tot Abner en Isboseth?

4. Waardoor zou ik in geestelijk gevaar kunnen komen zoals Uza?

5. Noem enkele manieren, waarop ik nu schuldig zou kunnen zijn aan de zonde van Uza.