Lessen uit het leven van David — SABBAT, 6 februari 2021

Les 6: DAVID EN SAUL

Tekst om te onthouden

“De Heere is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? De Heere is mijn levenskracht, voor wie zou ik vervaard zijn?”

Psalm 27:1

“Zij, die trouw zijn aan God, behoeven niet te vrezen voor de macht van mensen of de vijandschap van Satan.” –De Wens der Eeuwen, blz. 304.

Aanvullende studie:: -De Weg tot Gezondheid, blz. 415-424.

ZONDAG — 31 januari

1. In de woestijn Zif

A. Beschrijf Davids houding ten opzichte van zijn roofdier.

1 Samuël 26:2,

1 Samuël 26:2: Toen maakte zich Saul op, en toog af naar de woestijn Zif, en met hem drie duizend man, uitgelezenen van Israel, om David te zoeken in de woestijn Zif.

1 Samuel 26:7-16.

1 Samuël 26:7: Alzo kwamen David en Abisai tot het volk des nachts; en ziet, Saul lag te slapen in den wagenburg, en zijn spies stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner, en het volk lag rondom hem. 1 Samuël 26:8: Toen zeide Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweeden male doen. 1 Samuël 26:9: David daarentegen zeide tot Abisai: Verderf hem niet; want wie heeft zijn hand aan den gezalfde des HEEREN gelegd, en is onschuldig gebleven? 1 Samuël 26:10: Verder zeide David: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de HEERE zal hem slaan, of zijn dag zal komen, dat hij zal sterven, of hij zal in een strijd trekken, dat hij omkome. 1 Samuël 26:11: De HEERE late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan den gezalfde des HEEREN! zo neem toch nu de spies, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan. 1 Samuël 26:12: Zo nam David de spies en de waterfles van Sauls hoofdeinde, en zij gingen heen; en er was niemand, die het zag, en niemand, die het merkte, ook niemand, die ontwaakte; want zij sliepen allen; want er was een diepe slaap des HEEREN op hen gevallen. 1 Samuël 26:13: Toen David over aan gene zijde gekomen was, zo stond hij op de hoogte des bergs van verre, dat er een grote plaats tussen hen was. 1 Samuël 26:14: En David riep tot het volk, en tot Abner, den zoon van Ner, zeggende: Zult gij niet antwoorden, Abner? Toen antwoordde Abner en zeide: Wie zijt gij, die tot den koning roept? 1 Samuël 26:15: Toen zeide David tot Abner: Zijt gij niet een man, en wie is u gelijk in Israel? Waarom dan hebt gij over uw heer, den koning, geen wacht gehouden? Want daar is een van het volk gekomen, om den koning, uw heer, te verderven. 1 Samuël 26:16: Deze zaak, die gij gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als de HEERE leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, die over uw heer, den gezalfde des HEEREN, geen wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar de spies des konings is, en de waterfles, die aan zijn hoofdeinde was.

“Wanneer Saul herhaaldelijk in zijn (Davids) macht werd gesteld en zijn volgelingen hem zouden hebben gedood, zou David het hun niet toestaan dat te doen, hoewel hij voortdurend bang was voor zijn eigen leven en door Saul als een wild beest werd achtervolgd.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 91.

B. Waarom was Saul zo gevaarlijk, zelfs nu? Verzen 17-21.

“Het kan gebeuren, dat boze mensen berouw krijgen van de verkeerde dingen, die ze Gods dienstknechten hebben aangedaan, en overtuigd worden, dat ze verkeerd gehandeld hebben. Gods Geest strijdt met hen, en ze vernederen zich voor God en voor hen, die ze door hun invloed hebben geprobeerd te verdelgen, en hun houding jegens hen wijzigt zich. Maar zodra ze de deur weer openen voor influisteringen van de boze, herleeft de vroegere twijfel; de oude vijandschap wakkert weer aan, en ze doen hetzelfde werk, waarover ze berouw hebben gehad en dat ze enige tijd hebben nagelaten. Weer spreken ze kwaad en beschuldigen en veroordelen op bittere wijze diegenen, voor wie ze ootmoedig hun schuld hebben erkend. Satan kan zulke mensen beter gebruiken dan voorheen, omdat ze tegen beter weten in handelen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 605-606.

MAANDAG — 1 februari

2. Het kwaad van afgunst

A. In hoeverre kon Sauls reactie op Davids barmhartigheid worden vertrouwd, en waarom?

1 Samuël 26:23-25; 27:1.

1 Samuël 26:23: De HEERE dan vergelde aan een iegelijk zijn gerechtigheid en zijn getrouwheid; want de HEERE had u heden in mijn hand gegeven; maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan den gezalfde des HEEREN. 1 Samuël 26:24: En zie, gelijk als te dezen dage uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, alzo zij mijn ziel in de ogen des HEEREN groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood. 1 Samuël 26:25: Toen zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David; gij zult het ja gewisselijk doen, en gij zult ook gewisselijk de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weder naar zijn plaats. 1 Samuël 27:1: David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.

“Dit tweede voorbeeld van Davids eerbied voor het leven van zijn vorst maakte een nog diepere indruk op de geest van Saul en bracht hem tot een ootmoediger schuldbekentenis. Hij was versteld en verslagen bij het zien van zulk een goedheid… Maar de zoon van Isaï had geen vertrouwen, dat de koning zo zou blijven denken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 612.

“Hij (Saul) luisterde naar elke valse getuigenis, gaf begerig gehoor aan alles, wat afbreuk deed aan het karakter van David, in de hoop op een excuus te vinden voor zijn toenemende afgunst en haat jegens hem, die gezalfd was om koning over Israël te worden. Aan elk gerucht werd gehoor gegeven, onverschillig hoe inconsequent en in strijd met het vroegere karakter en de gewoonten van David.” –Bijbelkommentaar, blz. 113.

B. Verklaar, hoe de afgunst, die het leven van Saul bedierf, tegenwoordig bij velen een veelvoorkomende oorzaak van ellende is.

Spreuken 14:30 (laatste deel);

[Prov.14.30.b]

Spreuken 27:4.

Spreuken 27:4: Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?

“Door afgunst voelde Saul zich ellendig en was het leven van zijn nederige onderdaan in gevaar. Hoeveel ellende heeft deze boze karaktertrek reeds teweeggebracht in onze wereld! … Nijd is het gevolg van trots, en als het gekoesterd wordt, zal het leiden tot haat, en uiteindelijk tot moord. Satan openbaarde zijn eigen karakter door in Saul woede te wekken tegen iemand, die hem nooit iets had aangedaan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 594.

“Afgunst en jaloezie zijn als twee zusters, die zich vermengen in hun werk. Afgunst zal een mens ertoe brengen het goede te verlangen, dat een ander bezit, en zal hem ertoe aanzetten om alle middelen te gebruiken, die in zijn macht liggen om het karakter en de reputatie van iemand, in wiens plaats hij wenst te zijn, naar beneden te halen en te beschadigen. Er worden onwaarheden, geruchten en lasterlijke berichten verspreid en alles, dat kan worden gebruikt, zal worden aangewend om de benijde man in een ongunstig daglicht te plaatsen voor de mensen. Jaloezie leidt ertoe, dat iemand een ander ervan verdenkt hem te beroven van voordeel en positie. Saul had zowel afgunst als jaloezie.” –The Signs of the Times, 2 november 1888.

DINSDAG — 2 februari

3. Snel bergafwaarts gaan

A. Noem naast afgunst nog een ander kenmerk van Saul om te vermijden.

Johannes 12:43.

Johannes 12:43: Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.

“Een grote fout in Sauls karakter was zijn verlangen om geprezen te worden. Deze karaktertrek beheerste zijn gedachten en daden. Alles werd gekenmerkt door zijn verlangen naar lof en zelfverheffing. Zijn gevoel voor goed en kwaad werd bepaald door de lage maatstaf van de toejuiching van het volk. Niemand is veilig, die zijn leven laat leiden door de lof van mensen, zonder eerst Gods goedkeuring te zoeken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 593.

B. Welk lot van het tragische leven van Saul moet ertoe leiden, dat elke God vrezende ziel de waarschuwing aanneemt?

Spreuken 26:24-27.

Spreuken 26:24: Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan. Spreuken 26:25: Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. Spreuken 26:26: Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden. Spreuken 26:27: Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

“De koning streed niet tegen de mens David, die hem niets had aangedaan. Hij streed tegen de Koning des hemels; want als Satan de kans krijgt het denken te beheersen, dat zich niet door Jahweh wil laten leiden, zal hij dit besturen overeenkomstig zijn wil, totdat de persoon, die op deze wijze in zijn macht is, een geschikt werktuig is om zijn plannen uit te voeren. De vijandschap van deze grote aanstichter van de zonde tegen Gods plannen is zo bitter, en zijn macht ten kwade is zo verschrikkelijk, dat als de mens zich los maakt van God, Satan hem beïnvloedt en zijn denken steeds meer aan zich ondergeschikt maakt, totdat hij de vreze Gods verwerpt. Alsook het respect van de mensen, zodat zij uitdagende, openlijke vijanden van God en Zijn volk worden.” –Bijbelkommentaar, blz. 113.

C. Hoe werkte de bitterheid, die in Saul werd gekoesterd, tegen zichzelf en beïnvloedde de hele natie?

Psalm 52:3-6;

Psalmen 52:3: Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag. Psalmen 52:4: Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog. Psalmen 52:5: Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela. Psalmen 52:6: Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

Jesaja 3:12 (tweede helft).

[Isa.3.12.b]

“Wat een voorbeeld gaf Saul aan zijn onderdanen door zijn wanhopige vervolging van David, die dit helemaal niet had uitgelokt! Welk een verslag liet hij achter op de bladzijden van de geschiedenis voor toekomstige generaties! Hij probeerde heel de macht van zijn koninkrijk te gebruiken ten behoeve van zijn haat, door een onschuldige na te jagen. Dit alles had een demoraliserende invloed op Israël.” –Bijbelkommentaar, blz. 113.

WOENSDAG — 3 februari

4. De oorsprong openbaren

A. Wat is de echte bron van afgunst?

Lukas 4:5-8;

Lukas 4:5: En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. Lukas 4:6: En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil; Lukas 4:7: Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn. Lukas 4:8: En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.

Matthéüs 27:17-18,

Mattheüs 27:17: Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus? Mattheüs 27:18: Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.

Mattheüs 27:29-31.

Mattheüs 27:29: En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! Mattheüs 27:30: En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd. Mattheüs 27:31: En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.

“Christus’ verraad, berechting en kruisiging waren allemaal gepland door de gevallen vijand. Zijn haat, uitgeoefend in de dood van de Zoon van God, plaatste Satan, waar zijn ware duivelse karakter werd geopenbaard aan alle geschapen, verstandelijke wezens, die niet door de zonde waren gevallen.

De heilige engelen waren met afgrijzen vervuld, dat iemand, die van hen was geweest, zo ver kon vallen, dat hij in staat was tot dergelijke wreedheid.” –The Spirit of Prophecy 3, blz. 183.

B. Beschrijf de specifieke tactiek van de vijand tegen ons nu.

Jakobus 3:14-16.

Jakobus 3:14: Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. Jakobus 3:15: Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. Jakobus 3:16: Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.

“Het is Satans werk om de geest te verleiden. Hij zal zijn sluwe suggesties insinueren en onzekerheid, twijfel, ongeloof en wantrouwen aanwakkeren jegens de woorden en daden van degene, die verantwoordelijkheden draagt en die probeert de geest van God in zijn werk uit te voeren. Het is het speciale doel van Satan om over en rondom de dienstknechten van Gods keuze moeilijkheden, verwarring en tegenstand uit te storten, zodat zij gehinderd zullen worden in hun werk en, indien mogelijk, ontmoedigd. Jaloezie, strijd en kwade vermoedens zullen in grote mate de allerbeste inspanningen tegenwerken, die Gods dienstknechten, aangesteld voor een speciaal werk, in staat zouden kunnen zijn om te doen.

Satans plan is om hen van hun taak te verdrijven door middel van agenten. Allen, die hij tot wantrouwen en achterdocht kan opwekken, zal hij als zijn instrumenten gebruiken. … Er is in de aard van de mens, wanneer hij niet onder directe invloed van de Geest van God staat, een neiging tot afgunst, jaloezie en wreed wantrouwen, die, indien niet onderworpen, zullen leiden tot een verlangen om anderen te ondermijnen en af te breken, terwijl zelfzuchtige geesten zullen proberen zichzelf op te bouwen op hun ruïnes.” –Testimonies 3, blz. 343.

“Er staan ons gevaarlijke tijden te wachten. In de wereld nemen verwoesting en geweld toe. In de gemeente begint menselijke macht meer op de voorgrond te komen; zij, die gekozen zijn om vertrouwensposities te bekleden, menen, dat zij gerechtigd zijn om heerschappij te voeren.

Mannen, die de Heer roept om belangrijke posten binnen Zijn werk te bekleden, moeten nederige afhankelijkheid van Hem ontwikkelen. Zij mogen niet trachten te veel gezag te verkrijgen; want God heeft hen niet geroepen tot het uitoefenen van heerschappij, maar om met hun medearbeiders plannen te maken en te overleggen. Iedere werker moet zich onderworpen voelen aan de vereisten en het onderricht van God.” –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 261.

DONDERDAG — 4 februari

5. Hoop tijdens de storm

A. Hoe kunnen wij ons laten inspireren, in tegenstelling tot Saul, door de houding van David in de woestijn, zelfs in zijn meest ontmoedigende tijd?

Psalm 27:1-3;

Psalmen 27:1: Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? Psalmen 27:2: Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen. Psalmen 27:3: Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.

Psalmen 59:1-4,

Psalmen 59:1: Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. Psalmen 59:2: Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan. Psalmen 59:3: Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds. Psalmen 59:4: Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!

Psalmen 59:18.

“David schreef veel van de psalmen in de woestijn, waar hij naartoe moest vluchten voor veiligheid… Terwijl David daar door zware beproevingen en ontberingen ging, toonde hij een onwankelbaar vertrouwen in God, en was hij vooral vervuld met Zijn Geest, toen hij zijn liederen schreef, die zijn gevaren en bevrijdingen vermelden en lof en heerlijkheid toeschreef aan God, zijn barmhartige bewaarder. In deze psalmen wordt een geest van vurigheid, toewijding en heiligheid gezien.” –The Spirit of Prophecy 1, blz. 386-387.

B. Welke hoop bemoedigde Davids hart in de grot, en hoe kan deze hoop ook in ons leven tot uiting komen?

Psalm 142:1-8;

[Ps.142]

Psalmen 31:24-25.

Psalmen 31:24: Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft. [ (Psalms 31:25) Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt! ]

“U hoeft u niet te verbazen, als alles op uw reis naar de hemel niet aangenaam is. … Ga van dag tot dag voorwaarts, terwijl u het gebed van David bidt: ‘Mijn treden hielden Uw spoor, mijn schreden wankelden niet.’ Alle wegen in het leven zijn vol gevaren, maar we zijn veilig, als we volgen, waar de Meester is voorgegaan, terwijl we vertrouwen op Hem, Wiens stem we horen zeggen: ‘Volg Mij’.” –Bijbelkommentaar, blz. 176-177.

VRIJDAG — 5 februari

Terugblik

1. Hoe kan ik een geest als die van David ontwikkelen tegenover hen, die mij misschien haten?

2. Waarin verschilt jaloezie van afgunst, en waarom moet ik beide vermijden?

3. Wat dreef Saul ertoe zijn toevlucht te nemen tot zo’n vastberadenheid om zijn rivaal te vernietigen?

4. Beschrijf, hoe Satan nu afgunst als wapen gebruikt tegen Gods volk.

5. Hoe heeft God mij vaak getroost, net zoals Hij deed bij David in de grot?

Eerste Sabbatgaven voor Noord-Kivu, DRC

Noord-Kivu is een provincie van de Democratische Republiek Congo (DRC), in centraal Afrika. Gelegen aan het oostelijke uiteinde van de DRC grenst Noord-Kivu aan de Republieken Rwanda en Oeganda, en als zodanig wordt het geassocieerd met de SDARM Rwanda Unie Zending.

In 2006 kwamen broeders uit Rwanda naar Noord-Kivu, waar ze pamfletten verspreidden en Bijbelstudies gaven met uitstekende resultaten.

Een jaar later verenigde een groep van 156 zielen zich vreugdevol met de gemeente door de doop. Momenteel zijn er 750 gedoopte leden. In deze regio blijft het werk gestaag groeien.

Helaas waren onder degenen, die toetraden 14 leraren van andere denominaties, die vanwege hun geloof van hun kerk waren uitgesloten en automatisch hun baan verloren. Ze zijn thuis geweest en hebben het overleefd door te planten net genoeg om hun gezin te voeden. Onze kinderen hebben niet naar school kunnen gaan vanwege de Sabbat, een probleem dat 80% van onze jongeren treft.

De broeders zouden het kunnen redden om te overleven, maar vanwege de oorlogen, die in dit gebied voortdurend aan de gang zijn, kunnen zij hun huis niet lang op de zelfde plek houden. Zelfs als het seizoen aan breekt om zaden te planten, zijn de broeders gevlucht, wanneer troepen soldaten komen en alles weg nemen, wat in de grond groeit.

In het licht van dit alles, hebben we vier hectare grond gekocht voor de broeders om samen landbouw werk te doen en een basisschool en een kapel te bouwen. Door Gods voorzienigheid hebben we al leraren en studenten, die graag een opleiding willen volgen, terwijl ze toch Zijn principes hoog houden. Er wordt ons gezegd “scholen op te richten voor het onderwijs van onze kinderen, en de jongeren aan te sporen deze scholen te bezoeken. In onze onderwijsinstellingen moeten leraren zijn, die God vrezen en Zijn geboden onderhouden.“ –Manuscript Releases 4, blz. 109.Daarom doen we een beroep op al onze broeders, zusters en vrienden over de hele wereld voor uw vriendelijke hulp. We bidden, dat God indruk op uw hart mag maken, zodat de donaties voor dit project overvloedig mogen zijn, dat de Heer verheerlijkt mag worden en de boodschap van verlossing naar alle stammen, volken en talen mag worden verspreid.

Wij willen u bij voorbaat danken voor uw genereuze bijdrage aan dit bouwproject.

–Uw broeders en zusters uit de noordelijke regio van Afrika