Les 5 — SABBAT, 30 januari 2021
KARAKTER ONTWIKKELEN
“De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt”
Spreuken 16:32
“Geen vorm van ondeugd heeft een meer onheilbrengend effect op het karakter dan de menselijke hartstocht, die niet onder beheersing van de Heilige Geest is gebracht. Geen andere overwinning, die wij zouden kunnen maken, is zo waardevol als de overwinning over onszelf.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 416.
Aanvullende studie: -Patriarchen en Profeten, blz. 604-610.
1. In overeenstemming met Gods Geest
A. Hoe hielp God David in Kehíla en Maon, en wat is opmerkelijk aan Davids gebedsleven in deze moeilijke tijd? ,,,.
1En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij beroven de schuren.
2En David vraagde den HEERE, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de HEERE zeide tot David: Ga heen, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen.
5Alzo toog David en zijn mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een groten slag; alzo verloste David de inwoners van Kehila.
10En David zeide: HEERE, God van Israel! Uw knecht heeft zekerlijk gehoord, dat Saul zoekt naar Kehila te komen, en de stad te verderven om mijnentwil.
11Zullen mij ook de burgers van Kehila in zijn hand overgeven? Zal Saul afkomen, gelijk als Uw knecht gehoord heeft? O HEERE, God van Israel, geef het toch Uw knecht te kennen! De HEERE nu zeide: Hij zal afkomen.
12Daarna zeide David: Zouden de burgers van Kehila mij en mijn mannen overgeven in de hand van Saul? En de HEERE zeide: Zij zouden u overgeven.
13Toen maakte zich David en zijn mannen op, omtrent zeshonderd man, en zij gingen uit Kehila, en zij gingen heen, waar zij konden gaan. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David uit Kehila ontkomen was, zo hield hij op uit te trekken.
14David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op den berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem alle dagen, doch God gaf hem niet over in zijn hand.
26En Saul ging aan deze zijde des bergs, en David en zijn mannen aan gene zijde des bergs. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen.
27Doch daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.
28Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-Machlekoth.
B. Wat gebeurde er, toen Saul de grot van Engedi binnenging?
Bijbeltekst niet gevonden: 1Sam.23.29
1En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gedi.
2En het geschiedde, nadat Saul wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gedi.
3Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit gans Israel, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen der steenbokken.
4En hij kwam tot de schaapskooien aan den weg, waar een spelonk was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden der spelonken.
5Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie den dag, in welken de HEERE tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en gij zult hem doen, gelijk als het goed zal zijn in uw ogen. En David stond op, en sneed stilletjes een slip van Sauls mantel.
6Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.
“Het legertje van David telde slechts zeshonderd man, terwijl Saul hem zocht met een leger van drieduizend man. In een verborgen spelonk wachtte de zoon van Isaï met zijn mannen op Gods aanwijzing, wat ze moesten doen. Toen Saul de bergen introk, week hij af en ging geheel alleen juist de spelonk binnen, waar David zich met zijn mannen verborgen had. Toen deze dit zagen, drongen ze er bij hun aanvoerder op aan, dat hij Saul zou doden. Het feit, dat de koning nu in hun macht was, zagen ze als een duidelijk bewijs van God Zelf, dat Hij hun vijand in hun handen had overgeleverd om hem te vernietigen. David werd in de verleiding gebracht de zaak in dit licht te bezien; maar zijn geweten sprak: ‘Raak niet de gezalfde des Heren aan’.
De mannen van David waren niet bereid Saul ongehinderd te laten gaan… (Zie 1 Samuël 24:4). Maar zijn geweten klaagde hem later aan, omdat hij het kleed van de koning had beschadigd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 604.
2. Goed voor kwaad teruggeven
A. Wat kunnen wij leren van Davids daad van barmhartige zelfbeheersing jegens Saul? ;.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
19Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
20Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.
21Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.
“Het gedrag van David tegenover Saul bevat een les. Op bevel van God was Saul tot koning over Israël gezalfd. Om zijn ongehoorzaamheid had God bepaald, dat het koninkrijk van hem genomen zou worden; en toch, hoe meelevend, hoffelijk en verdraagzaam was het gedrag van David tegenover hem!” –De Weg tot Gezondheid, blz. 415.
“Het gedrag van David maakte duidelijk, dat hij een Heerser had, aan wie hij gehoorzaamde. Hij kon niet toestaan, dat zijn natuurlijke hartstochten in hem de overhand hadden, want hij wist, dat degene, die zijn eigen geest beheerst, sterker is dan wie een stad inneemt. Als hij door menselijke gevoelens was geleid en beheerst, had hij kunnen redeneren, dat de Heere zijn vijand in zijn macht had gegeven, zodat hij hem kon doden en het bestuur van Israël overnemen. Sauls geest verkeerde in een dusdanige toestand, dat zijn gezag niet werd geëerbiedigd, en het volk werd ongodsdienstig en ontaardde. Toch beschermde het feit, dat Saul de door God gekozen koning was, zijn leven, want David diende God bewust, en wilde in geen enkel opzicht de gezalfde des Heeren kwaad doen.” –Bijbelkommentaar, blz. 116.
B. Beschrijf, hoe David een beroep deed op het hart van Saul. .
7En hij zeide tot zijn mannen: Dat late de HEERE ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, den gezalfde des HEEREN, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde des HEEREN!
8En David scheidde zijn mannen met woorden, en liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de spelonk, en ging op den weg.
9Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich.
10En David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad?
11Zie, te dezen dage hebben uw ogen gezien, dat de HEERE u heden in mijn hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide, dat ik u doden zou; doch mijn hand verschoonde u, want ik zeide: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde des HEEREN.
12Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.
13De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
14Gelijk als het spreekwoord der ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
15Naar wien is de koning van Israel uitgegaan? Wien jaagt gij na? Naar een doden hond, naar een enige vlo!
C. Wat moeten wij leren van Davids waarschuwing met betrekking tot Sauls ogenschijnlijk warme antwoord op zijn barmhartigheid? .
16Doch de HEERE zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand.
17En het geschiedde, toen David geeindigd had al deze woorden tot Saul te spreken, zo zeide Saul: Is dit uw stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijn stem op en weende.
18En hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden.
19En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goed gedaan hebt; want de HEERE had mij in uw hand besloten, en gij hebt mij niet gedood.
20Zo wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goeden weg laten gaan? De HEERE nu vergelde u het goede, voor dezen dag, dien gij mij heden gemaakt hebt.
21En nu, zie, ik weet, dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israel in uw hand bestaan zal.
22Zo zweer mij dan nu bij den HEERE, zo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen van mijns vaders huis! [ (I Samuel 24:23) Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging in zijn huis, maar David en zijn mannen gingen op in de vesting. ]
16Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.
“Toen Saul de woorden van David vernam, voelde hij zich vernederd en moest wel de waarheid ervan toegeven. Hij was diep getroffen, toen hij besefte, hoe volkomen hij in de macht was geweest van de man wiens leven hij gezocht had…
Daar hij wist, hoe de koning in het verleden gehandeld had, stelde David geen vertrouwen in de beloften van Saul en verwachtte evenmin, dat zijn berouw lang zou standhouden. Toen Saul dus terugkeerde naar zijn huis, bleef David in het gebergte.
De vijandschap, die tegen Gods kinderen gekoesterd wordt door hen, die zich hebben overgegeven aan de macht van Satan, kan bij tijden veranderen in een gevoel van verzoening en vrede, maar blijkt niet altijd blijvend te zijn.” –Patriarchen en Profeten, blz. 605.
3. Meer teleurstellingen
A. Wat gebeurde er in een tijd, dat Israël leiding en veiligheid het meest nodig leek te hebben? .
1En Samuel stierf; en gans Israel vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.
“Juist toen het volk door verdeeldheid werd geplaagd, en de kalme, Godvrezende raadgevingen van Samuel het meest nodig schenen te zijn, schonk God Zijn bejaarde dienstknecht rust. Het volk koesterde bitter zelfverwijt bij het zien op zijn rustplaats, en dacht eraan, hoe ze hem in hun verdwazing als leidsman verworpen hadden. Want zo nauw was hij met God verbonden geweest, dat het scheen, of hij geheel Israël aan Gods troon had gebracht. Samuel had hen onderwezen God lief te hebben en te gehoorzamen. Nu hij dood was, besefte het volk, dat ze overgelaten waren aan de genade van een koning, die zich met Satan had verbonden en die het volk zou scheiden van God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 606.
“Toen het volk het leven van Saul vergeleek met dat van Samuel, zagen ze in, welk een vergissing ze hadden begaan, toen ze om een koning vroegen…
Nu had het volk het gevoel, dat God hen verlaten had. De koning was niet veel meer dan een waanzinnige. Het recht werd verdraaid, en orde maakte plaats voor verwarring.” –Patriarchen en Profeten, blz. 606.
B. Waarheen vluchtte David na de dood van Samuël, en wat speelde daar in zijn hart? (laatste deel); ;,.
1En Samuel stierf; en gans Israel vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
8De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
“Terwijl Saul nog rouwde over de dood van Samuel, zocht David een schuilplaats waar hij veiliger was. Hij vluchtte naar de woestijn Paran. Hier dichtte hij de honderd twintigste en honderd een en twintigste psalm.” – Patriarchen en Profeten, blz. 607.
C. Hoe werd Davids vriendelijke geest in Paran op de proef gesteld? .
4Als David hoorde in de woestijn, dat Nabal zijn schapen schoor,
5Zo zond David tien jongelingen; en David zeide tot de jongelingen: Gaat op naar Karmel, en als gij tot Nabal komt, zo zult gij hem in mijn naam naar den welstand vragen;
6En zult alzo zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat gij hebt, zij vrede!
7En nu, ik heb gehoord, dat gij scheerders hebt; nu, de herders, die gij hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hun geen smaadheid aangedaan, en zij hebben ook niets gemist al de dagen, die zij te Karmel geweest zijn.
8Vraag het uw jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goeden dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, hetgeen uw hand vinden zal.
9Toen de jongelingen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al die woorden tot Nabal gesproken hadden, zo hielden zij stil.
10En Nabal antwoordde den knechten van David, en zeide: Wie is David, en wie is de zoon van Isai? Er zijn heden vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijn heer.
11Zou ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslacht vlees nemen, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, en zou ik het den mannen geven, die ik niet weet, van waar zij zijn?
12Toen keerden zich de jongelingen van David naar hun weg; en zij keerden weder, en kwamen, en boodschapten hem achtervolgens al deze woorden.
“David en zijn mannen waren als een schutsmuur geweest voor de herders en de kudden van Nabal; en nu werd deze rijke man verzocht om iets af te staan voor de noden van hen, die hem zulk een waardevolle dienst bewezen hadden. David en zijn mannen hadden zelf iets van de kudden kunnen nemen, maar dit hadden ze niet gedaan. Ze hadden zich eerlijk gedragen. Hun vriendelijkheid maakte echter geen indruk op Nabal.” –Patriarchen en Profeten, blz. 607-608.
4. Een verzachtende invloed
A. Beschrijf Davids reactie op Nabals ondankbaarheid. ,.
13David dan zeide tot zijn mannen: Een iegelijk gorde zijn zwaard aan. Toen gordde een iegelijk zijn zwaard aan, en David gordde ook zijn zwaard aan; en zij togen op achter David, omtrent vierhonderd man, en daar bleven er tweehonderd bij het gereedschap.
21David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, alzo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.
22Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, indien ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is!
“Hij gaf zijn mannen bevel zich gereed te maken voor de strijd, want hij had zich voorgenomen de man te straffen, die hem onthouden had, waarop hij recht had, en hem ook nog had beledigd. Deze impulsieve daad was meer in overeenstemming met de aard van Saul dan met die van David, maar de zoon van Isaï moest nog lessen van geduld leren in de school der beproeving.” –Patriarchen en Profeten, blz. 608.
B. Hoe reageerde Nabals vrouw, Abigaïl?
14Doch een jongeling uit de jongelingen boodschapte het aan Abigail, de huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onzen heer te zegenen; maar hij is tegen hen uitgevaren.
15Nochtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren.
16Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen.
17Weet dan nu, en zie, wat gij doen zult; want het kwaad is ten volle over onzen heer besloten, en over zijn ganse huis; en hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken.
18Toen haastte zich Abigail, en nam tweehonderd broden, en twee lederzakken wijns, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en legde die op ezelen.
19En zij zeide tot haar jongelingen: Trekt heen voor mijn aangezicht; ziet, ik kom achter ulieden; doch haar man Nabal gaf zij het niet te kennen.
20Het geschiedde nu, toen zij op den ezel reed, en dat zij afkwam in het verborgene des bergs, en ziet, David en zijn mannen kwamen af haar tegemoet, en zij ontmoette hen.
C. Wat kunnen wij van Abigaïl leren, toen zij David ontmoette?
23Toen nu Abigail David zag, zo haastte zij zich, en kwam van den ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde.
24En zij viel aan zijn voeten en zeide: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd.
25Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, alzo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die gij gezonden hebt.
26En nu, mijn heer! zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, het is de HEERE, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken!
27En nu, dit is de zegen, dien uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde den jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen.
28Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want de HEERE zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, dewijl mijn heer de oorlogen des HEEREN oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af.
29Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers.
30En het zal geschieden, als de HEERE mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israel;
31Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot des harten, te weten, dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelven zou verlost hebben; en als de HEERE mijn heer weldoen zal, zo zult gij uwer dienstmaagd gedenken.
“De godsvrucht van Abigaïl kwam als de geur van een bloem tot uiting in haar woorden en daden, zonder, dat ze zich dat bewust was. De Geest van Gods Zoon leefde in haar hart. Haar woorden vol vriendelijkheid en aangenaamheid hadden een hemelse invloed. David kwam daardoor tot andere gedachten, en hij beefde, als hij eraan dacht, wat de gevolgen van zijn overhaaste daad zouden zijn geweest. ’Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden’ (Matthéüs 5:9). Het ware te wensen, dat er meer waren als deze Israëlitische vrouw, die geprikkelde gevoelens zouden stillen, overhaaste daden zouden verhinderen en een groot kwaad zouden tegengaan door kalme en verstandige woorden.
Een toegewijd christelijk leven verspreidt licht, troost en vrede. Het wordt gekenmerkt door zuiverheid, tact, eenvoud en bruikbaarheid. Het wordt geleid door die onzelfzuchtige liefde, die het leven heiligt. Het is vol van Christus en verspreidt licht, waar de drager ervan zich ook bevindt. Abigaïl was een verstandige raadgeefster. De drift van David werd gestild door haar invloed en spreken. Hij was overtuigd, dat hij een onverstandige beslissing had genomen en de macht over zijn zinnen had verloren.
Nederig aanvaardde hij de bestraffing, in overeenstemming met zijn eigen woorden: ‘Slaat een rechtvaardig mij, het is liefde, kastijdt hij mij, het is olie voor mijn hoofd’ (Psalm 141:5).” –Patriarchen en Profeten, blz. 609-610.
5. Dankbaar een berisping ontvangen
A. Verklaar de grote waardering van David voor de verzachtende geest van Abigaïl en de les erin voor ons. .
32Toen zeide David tot Abigail: Gezegend zij de HEERE, de God Israels, Die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft!
33En gezegend zij uw raad en gezegend zijt gij, dat gij mij te dezen dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben!
34Want voorzeker, de HEERE, de God Israels, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, ten ware dat gij u gehaast hadt, en mij tegemoet gekomen waart, zo ware van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht!
35Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zeide tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en heb uw aangezicht aangenomen.
“Er zijn velen die, wanneer ze bestraft worden, het prijzenwaardig vinden, als ze de bestraffing aanvaarden zonder hun geduld te verliezen. Maar hoe weinigen aanvaarden de bestraffing dankbaar en zegenen hen, die verhinderen, dat ze verder gaan op een verkeerde weg.” –Patriarchen en Profeten, blz. 610.
B. Hoe groeide David in al deze ervaringen? .
3En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;
4En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;
5En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.
“David had een eed gezworen, dat Nabal en zijn huisgezin zouden omkomen; maar nu zag hij, dat het niet alleen verkeerd was om zo’n gelofte af te leggen, maar dat het ook verkeerd zou zijn om die te houden.”–The Signs of the Times, 26 oktober 1888.
C. Welke volgende stap nam David, die niet juist was, hoewel de invloed van Abigaïl prachtige gevolgen had gehad, en waarom niet? .
38En het geschiedde omtrent na tien dagen, zo sloeg de HEERE Nabal, dat hij stierf.
39Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zeide hij: Gezegend zij de HEERE, Die den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat de HEERE het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen wederkeren! En David zond heen, en liet met Abigail spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam.
40Als nu de knechten van David tot Abigail gekomen waren te Karmel, zo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter vrouwe neme.
41Toen stond zij op, en neigde zich met het aangezicht ter aarde, en zij zeide: Ziet, uw dienstmaagd zij tot een dienares, om de voeten der knechten mijns heren te wassen.
42Abigail nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op een ezel, met haar vijf jonge maagden, die haar voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden van David na, en zij werd hem ter huisvrouw.
43Ook nam David Ahinoam van Jizreel; alzo waren ook die beiden hem tot vrouwen.
44Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, den zoon van Lais, die van Gallim was.
“ “Later nam David Abigaïl tot vrouw. Hij had reeds een vrouw, maar de gebruiken van de volken uit zijn tijd hadden zijn oordeel vertroebeld en zijn gedrag beïnvloed. Zelfs de grote en goede mannen hebben gedwaald door de gebruiken der wereld na te volgen. De bittere gevolgen van veelwijverij heeft David zijn hele leven ondervonden.”
–Patriarchen en Profeten, blz. 610.