“En ook allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden”
2 Timótheüs 3:12
“Als de ziel overschaduwd wordt, als we licht en leiding nodig hebben, moeten we opzien; achter het duister is het licht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 600.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 592-597, 602.
A. Wat veroorzaakte jaloezie in Sauls hart tegen David?
1 Samuël 18:5-9.
Noem een principe, dat verklaart, waarom Sauls daden zijn gevoelens volgden. Vers 11;
1 Johannes 3:15.
“Saul streefde ernaar in het oog van de mensen de eerste te zijn. Toen hij dit zegelied hoorde, vatte de gedachte post in zijn geest, dat David de harten van het volk zou winnen en in zijn plaats zou regeren. Saul liet toe, dat de geest van afgunst bezit van hem nam, waardoor zijn ziel werd vergiftigd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 593.
B. Waarom staat God toe, dat christenen situaties ondergaan, zoals David nu ervoer, en wat leerde David door zijn verbinding met Saul?
2 Timótheüs 3:12;
1 Petrus 4:12-17.
“De plaats van David aan het hof zou hem bekendmaken met het bestuur en hem voorbereiden op zijn toekomstige taak. Het zou hem in staat stellen het vertrouwen te winnen van het volk. De tegenslagen en ontberingen, die hem te beurt vielen door de vijandschap van Saul, zouden hem ertoe leiden meer op God te vertrouwen en zich volkomen van Hem afhankelijk te voelen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 592.
A. Welke andere plannen trof Saul om David te vernietigen, toen hij zag, dat God hem had beschermd? Verzen 12-13, 17, 20-21, 25. Wat bewaarde het leven van Gods getrouwe dienstknecht? Verzen 14, 30.
B. Hoe kwam Sauls ergste aard weer terug, en wat stopte zijn achtervolging van David te Rama? Hoofdstuk 19:9-10, 23-24; 20:1 (eerste deel).
“Hij (Saul) was vastbesloten geen andere gelegenheid af te wachten om David te doden. Zodra hij hem zag, zou hij hem met eigen hand het leven benemen, wat de gevolgen ook mochten zijn.
Maar Gods engel kwam hem tegemoet en leidde hem. Gods Geest weerhield hem, en hij ging verder, terwijl hij bad en afwisselend profeteerde en Gode lof zong. Hij profeteerde van de komst van de Messias als de Verlosser der wereld. Toen hij het huis van de profeet in Rama naderde, legde hij zijn opperkleed af, dat hij droeg als teken van zijn positie en lag heel de dag en nacht daarop voor Samuel en diens leerlingen, onder invloed van de Geest van God. Het volk zag dit vreemde schouwspel…
David stelde weinig vertrouwen in het berouw van de koning. Hij maakte gebruik van deze gelegenheid om te vluchten, eer de koning van gedachten mocht veranderen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 596-597.
C. Beschrijf de dodelijke aard van afgunst en jaloezie.
Spreuken 6:34-35;
Spreuken 27:4.
“Afgunst is één van de meest verachtelijke eigenschappen van een satanisch karakter. Het is voortdurend op zoek naar het verheffen van het ik, door een smet op anderen te werpen. Een man, die jaloers is, zal zijn naaste kleineren, denkend zichzelf te verhogen.” –The Signs of the Times, 17 augustus 1888.
“Afgunst is niet alleen een verstoring van de gemoedstoestand, maar een ondeugd, die alle vermogens ontregelt…
Als een poging wordt gedaan om een afgunstig mens van zijn zonde te overtuigen, raakt hij nog meer verbitterd tegen het voorwerp van zijn woede, maar al te vaak is hij niet te genezen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 51-52.
A. Vertel de fouten van David tijdens zijn vlucht naar Nob.
1 Samuël 21:1-6.
“Hij (David) was constant bang om ontdekt te worden, en … in zijn uiterste nood nam hij zijn toevlucht tot bedrog… David vertelde de priester, dat hij door de koning was gestuurd om een of ander geheim werk te doen, waarvoor hij alleen moest gaan. Hij vroeg de priester om vijf broden. Er was niets dan heilig brood in het bezit van de man Gods; David slaagde er echter in zijn gewetensbezwaar weg te nemen en kreeg het brood om zijn honger te stillen.” –The Signs of the Times, 31 augustus 1888.
B. Hoe veroorzaakte Davids falen om eerlijk en rechtvaardig te zijn tegenover Achimélech een tragische reeks gebeurtenissen? Vers 7; 22:6-11, 16-19.
“Als hij had verteld, hoe de zaken stonden, had Achimélek geweten wat te doen in dit geval om zijn leven te beschermen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 598.
“Maar Doëg was een lasteraar en Saul was zo vol nijd, haat en moordlust, dat hij wenste, dat het bericht juist was. De gedeeltelijke en overdreven uitspraak van het hoofd van de herders was geschikt om te worden gebruikt door de vijand van God en mensen. Het werd de koning zo voorgehouden, dat deze alle zelfbeheersing verloor en zich als een waanzinnige gedroeg. Als hij slechts kalm had afgewacht, tot hij het hele verhaal zou hebben vernomen en zijn verstand zou hebben gebruikt, hoe heel anders zou dan het vreselijke bericht van die dag zijn geweest!
Wat is Satan blij, als hij iemand witheet van nijd kan maken! Een blik, een gebaar, een stembuiging kan gebruikt worden als een pijl van Satan om het hart, dat daarvoor openstaat, te verwonden en te vergiftigen. Als de Geest van Christus ons volkomen beheerst, en we door Zijn genade zijn veranderd, zal de neiging om kwaad te spreken of het vertellen van met bedrog geladen berichten niet bestaan. De bedrieger, de aanklager van de broeders, is een uitverkoren werktuig van de grote verleider.” –Bijbelkommentaar, blz. 114.
“Deze daad (van het doden van de priesters) vervulde heel Israël met afschuw. De koning, die zij gekozen hadden, had deze gruweldaad bedreven… De ark was in hun midden, maar de priesters, die voor hen de Here hadden gevraagd, waren met het zwaard gedood. Wat zou er nu gaan gebeuren?” –Patriarchen en Profeten, blz. 602.
A. Wat vergat David, toen hij in paniek verkeerde?
Psalm 23:4.
“Hij (David) had, toen hij in een grote noodsituatie verkeerde, met het vaste geloofsoog naar God opgekeken en de trotse, spottende Filistijn tegemoet getreden. Hij geloofde in God, hij ging in Zijn naam. Hij vertrouwde op Zijn macht om het werk te doen om de legers van de vijanden van de Heer te verslaan. Maar toen hij was opgejaagd en vervolgd, hadden verbijstering en verdriet zijn hemelse Vader bijna voor zijn ogen verborgen. Hij leek te denken, dat hij alleen was gelaten, om zijn eigen strijd te voeren. Hij was in de war en wist niet, welke kant hij op moest…
Wij moeten leren onze hemelse Vader te vertrouwen en niet toestaan, dat de ziel wordt verontreinigd met de zonde van ongeloof. Als wij proberen onszelf te redden, vertrouwen wij het bewaren van onze ziel niet toe aan God, als aan een trouwe Schepper. Wij verwachten niet, dat Hij voor ons werkt, maar proberen naarstig in paniek in onze eigen eindige kracht om door een muur van moeilijkheden heen te breken, die alleen God voor ons kan verwijderen… Wanneer de mens onvoorwaardelijk op God vertrouwt, zal hij trouw zijn aan zichzelf; en hij kan hopen op en zich verheugen in de God van zijn redding, hoewel elke vriend op aarde een vijand wordt.” –The Signs of the Times, 31 augustus 1888.
B. Hoe moeten wij, ook in gevaar, waarschuwingen ter harte nemen uit Davids andere fout, begaan tijdens zijn wanhopige vlucht?
1 Samuël 21:10-13.
“God eist, dat waarheidsliefde Zijn volk zal kenmerken, zelfs in het grootste gevaar…
David vluchtte nu naar Achis, de koning van Gat; want naar zijn mening was hij veiliger te midden van de vijanden van zijn volk dan op Sauls grondgebied. Maar Achis kreeg bericht, dat David de man was, die jaren geleden de kampvechter der Filistijnen had verslagen; en nu bevond hij, die een wijkplaats onder Israëls vijanden gezocht had, zich in het grootste gevaar. Door te doen alsof hij waanzinnig was, bedroog hij zijn vijanden en kon zo ontkomen.
De eerste fout, die David beging was zijn ongeloof in God, toen hij te Nob was, en zijn tweede vergissing beging hij bij Achis… Maar toen hij beproefd werd, wankelde zijn geloof, en trad menselijke zwakheid aan het licht. In iedereen zag hij een verspieder en een verrader.” –Patriarchen en Profeten, blz. 598-600.
A. Hoe erkende David nederig zijn gedeeltelijke schuld in de tragische kwestie van de gedode priesters?
1 Samuël 22:20-23.
B. Hoe bestraft onze Heere Jezus Christus het soort angst, dat ons te vaak verlamt om God te vertrouwen, zoals wij moeten?
Markus 4:40.
“Overal waar de kinderen van God fouten maken, komt dat door hun gebrek aan geloof. Als schaduwen de ziel omringen, als wij licht en leiding willen, moeten wij omhoog kijken; er is licht achter de duisternis.” –The Signs of the Times, 31 augustus 1888.
C. Noem één belofte, die door de eeuwen heen weerklinkt aan elk getrouw kind van God in tijden van wanhopige nood.
Jesaja 54:10.
“Hoe kostbaar is de invloed van Gods Geest als Deze tot terneergedrukte of wanhopige zielen komt, en de kleingelovigen nieuwe moed schenkt, de zwakken sterkt en moed en hulp biedt aan de beproefde dienstknechten des Heren! Hoe liefdevol is onze God, die de dwalende zachtmoedig terechtwijst en geduld en bezorgdheid openbaart onder moeilijkheden, als we door verdriet overweldigd dreigen te worden!” –Patriarchen en Profeten, blz. 600.
1. Waarom haat God het zo erg, als wij ons overgeven aan afgunst en jaloezie?
2. Waarom kon David Saul niet vertrouwen, ook al leek hij soms vredelievend?
3. Hoe kan ik in gevaar zijn om fouten te maken zoals David in deze beproevingen?
4. Hoe wil de Heer, dat wij zaken aanpakken, als ons leven in gevaar is?
5. Onder welke omstandigheden moet ik God echt meer vertrouwen?