Lessen uit het leven van David — SABBAT, 6 maart 2021

Les 10: GEHEIMEN VAN SUCCES

Tekst om te onthouden

“Voorzeker, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone”

Psalm 85:10

“Eerbied voor Gods wet gaf Israël kracht gedurende de regering van David.” –Profeten en Koningen, blz. 282.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 650-653.

ZONDAG — 28 februari

1. Een beloftehouder

A. Geef een voorbeeld, dat Davids trouw en rechtvaardigheid toont.

2 Samuël 8:15;

2 Samuël 8:15: Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.

2 Samuel 9:1-6.

2 Samuël 9:1: En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil? 2 Samuël 9:2: Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht. 2 Samuël 9:3: En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. 2 Samuël 9:4: En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar. 2 Samuël 9:5: Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar. 2 Samuël 9:6: Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.

“Men vertelde hem (David), dat een zoon van Jonatan nog leefde, Mefiboset, die verlamd was vanaf zijn jeugd. Ten tijde van Sauls nederlaag voor de Filistijnen te Jizreël had zijn verzorgster hem tijdens de vlucht laten vallen, zodat hij voor zijn hele leven kreupel was geworden. David liet de jonge man naar het hof halen en ontving hem vriendelijk.”

–Patriarchen en Profeten, blz. 650.

B. Welke zendingsles kunnen wij leren van de manier, waarop David het hart van deze sceptische kleinzoon van Saul wist te raken?

2 Samuël 9:7-13.

2 Samuël 9:7: En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel. 2 Samuël 9:8: Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? 2 Samuël 9:9: Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven. 2 Samuël 9:10: Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. 2 Samuël 9:11: En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn. 2 Samuël 9:12: Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth. 2 Samuël 9:13: Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.

“Door geruchten van Davids vijanden was Mefiboset in het begin bevooroordeeld geweest tegen David. Hij zag hem als een indringer. Maar de edelmoedigheid en de vriendelijke ontvangst van de vorst wonnen het hart van de jonge man.” –Patriarchen en Profeten, blz. 650.

“Houd u vol tedere, medelijdende liefde bezig met de moedelozen en hulpelozen. Geef hun uw moed, uw hoop, uw kracht. Dwing hen door uw liefde om te komen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 140.

MAANDAG — 1 maart

2. Ernstig verkeerd begrepen

A. Hoe begreep Hanun, de koning van de Ammonieten, Davids gebaar van oprechte eerlijke vriendelijkheid totaal verkeerd ?

2 Samuël 10:1-4.

2 Samuël 10:1: En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats. 2 Samuël 10:2: Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons. 2 Samuël 10:3: Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere? 2 Samuël 10:4: Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.

“Ze (de Ammonieten) konden zich niet voorstellen, dat Davids boodschap door een geest van edelmoedigheid was ingegeven. Als Satan de geest van de mens beheerst, zal hij nijd en verdachtmaking opwekken, waardoor de beste bedoelingen in een verkeerd daglicht worden geplaatst. Chanun luisterde naar zijn raadgevers, beschouwde de boden van David als verspieders, en overlaadde hen met spot en beledigingen.

De Ammonieten hadden hun boze voornemens, die in hun harten leefden, ongehinderd kunnen uitvoeren, zodat David hun ware aard zou ontdekken. God wilde niet dat Israël een verbond zou aangaan met dit verraderlijke heidense volk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 651.

B. Wat was Hanuns onmiddellijke daad, toen hij de mogelijke gevolgen besefte van de belediging, die hij Israël had aangedaan?

1 Kronieken 19:6-7.

1 Kronieken 19:6: Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagenen en ruiters te huren uit Mesopotamie, en uit Syrie-Maacha, en uit Zoba; 1 Kronieken 19:7: Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagenen; en de koning van Maacha en zijn volk kwamen en legerden zich voor Medeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde.

“De Ammonieten, die wisten, dat de belediging zeker door Israël zou worden gewroken, troffen voorbereidingen voor de strijd. (Zie 1 Kronieken 19:6-7)…

Het was inderdaad een geweldige strijdmacht. De inwoners van het gebied tussen de Eufraat en de Middellandse Zee hadden zich verbonden met de Ammonieten. Het noorden en oosten van Kanaän was omringd door gewapende vijanden, samengekomen om het rijk van Israël te verpletteren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 651-652.

C. Wat verklaarde Joab om zijn volk te bemoedigen? Verzen 8, 13. Hoe inspireerde en verbaasde David hen ook?

2 Samuël 10:17-19.

2 Samuël 10:17: Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gans Israel, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriers stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem. 2 Samuël 10:18: Maar de Syriers vloden voor Israels aangezicht, en David versloeg van de Syriers zevenhonderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij aldaar stierf. 2 Samuël 10:19: Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor Israels aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israel, en dienden hen; en de Syriers vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.

“David, die begreep hoeveel afhing van de uitkomst van deze strijd, trok zelf mee ten strijde, en bracht met Gods hulp de verbonden vijand zulk een geweldige nederlaag toe, dat de Syriërs van de Libanon tot de Eufraat niet alleen de strijd opgaven, maar schatplichtig werden aan Israël. Tegen de Ammonieten zette David de strijd met kracht voort, tot de vestingen vielen en het gehele gebied in bezit kwam van Israël.” –Patriarchen en Profeten, blz. 652.

DINSDAG — 2 maart

3. Bevrijding en dank

A. Hoe kunnen wij, hoewel de wapens van onze oorlogvoering tegenwoordig niet vleselijk zijn, kracht krijgen door na te denken over de uitkomst van Davids strijd tegen de Ammonieten?

1 Samuël 2:30 (tweede deel);

[1Sam.2.30.b]

1 Johannes 5:4-5.

1 Johannes 5:4: Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 1 Johannes 5:5: Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?

“De gevaren, die het volk met vernietiging hadden bedreigd, bleken door Gods voorzienigheid juist de middelen te zijn, waardoor het land tot ongekende grootheid kwam…

Het rijk van Israël was nu zo uitgestrekt, als God aan Abraham had voorzegd en later had herhaald aan Mozes: ‘Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier van Eufraat’ (Genesis 15:18). Israël was een machtig volk geworden, geëerbiedigd en gevreesd door de omliggende volken. In zijn eigen rijk was Davids macht heel groot geworden. Hij bezat als weinig vorsten uit de geschiedenis de liefde en trouw van het volk. Hij had God geëerd, en nu eerde God hem.” –Patriarchen en Profeten, blz. 652, 653.

B. Wat zag David tijdens zijn bevrijdingen?

Psalm 18:21-23,

Psalmen 18:21: De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen. Psalmen 18:22: Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan. Psalmen 18:23: Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.

Psalmen 18:36,

Psalmen 18:36: Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

Psalmen 18:47-51;

Psalmen 18:47: De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils! Psalmen 18:48: De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt; Psalmen 18:49: Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds. Psalmen 18:50: Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; [ (Psalms 18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. ]

Psalmen 44:5-9.

Psalmen 44:5: Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs. Psalmen 44:6: Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan. Psalmen 44:7: Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen. Psalmen 44:8: Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd. Psalmen 44:9: In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

C. Welke verheugende mogelijkheden werden aan Israël gegeven in deze periode, en waarom?

Psalm 85:7-10;

Psalmen 85:7: Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? Psalmen 85:8: Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil. Psalmen 85:9: Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren. Psalmen 85:10: Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.

Spreuken 14:34.

Spreuken 14:34: Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.

“Tijdens het bestuur van David en Salomo werd Israël machtig onder de volken, en had tal van gelegenheden om een machtige invloed uit te oefenen ten gunste van waarheid en recht. De naam van Jehova was verheven en geëerd, en het doel, waarvoor de Israëlieten in het beloofde land waren geplaatst, scheen in vervulling te gaan. Scheidsmuren werden afgebroken, en zoekers naar waarheid in de landen der heidenen keerden voldaan huiswaarts. Bekeringen vonden plaats, en Gods kerk op aarde breidde zich uit en was voorspoedig…

David wist, dat Gods plannen met Israël alleen in vervulling konden gaan, als heersers en volk voortdurend op hun hoede zouden zijn en beantwoorden zouden aan de maatstaf, die hun werd voorgehouden.” –Profeten en Koningen, blz. 14.

WOENSDAG — 3 maart

4. Gevaar ligt op de loer. . .

A. Hoe was een schijnbaar kleine zonde in Davids leven geslopen, die de weg effende voor ergere verleidingen?

1 Johannes 2:15-16;

1 Johannes 2:15: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. 1 Johannes 2:16: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.

Spreuken 5:18-19.

Spreuken 5:18: Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; Spreuken 5:19: Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.

“Hij (David) verafschuwde afgoderij en weerhield ijverig het volk Israël ervan door de omringende volken tot afgoderij te worden verleid. Hij was zeer geliefd en geëerd door zijn volk.

Hij overwon vaak en zegevierde. Hij nam toe in rijkdom en grootheid. Maar zijn voorspoed had een invloed om hem van God af te leiden. Zijn verleidingen waren talrijk en sterk. Ten slotte verviel hij in de gangbare praktijk van andere koningen om hem heen, om meerdere vrouwen te hebben, en zijn leven werd doordrenkt door de slechte gevolgen van polygamie. Zijn eerste fout was het nemen van meer dan één vrouw, waardoor hij afwijkt van Gods wijze regeling. Dit vertrek van het goede maakte de weg vrij voor grotere fouten. De koninklijke afgodische volken beschouwden het als een aanvulling op hun eer en waardigheid om veel vrouwen te hebben, en David beschouwde het als een eer voor zijn troon om meerdere vrouwen te bezitten. Maar hij moest het ellendige kwaad van een dergelijke handelwijze inzien door de ongelukkige tweedracht, rivaliteit en jaloezie onder zijn talrijke vrouwen en kinderen.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 86.

B. Welke onzichtbare vijand achtervolgde David, net als bij een ieder van ons? Efeze 6:12. Wat is onze enige verdediging? Vers 13;

1 Petrus 5:8-9;

1 Petrus 5:8: Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden; 1 Petrus 5:9: Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.

1 Petrus 4:7.

1 Petrus 4:7: En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.

“Maar te midden van voorspoed schuilt gevaar. Tijdens zijn grootste voorspoed, naar de mens gerekend, bevond David zich in het grootste gevaar en leed hij zijn schandelijkste nederlaag.” –Patriarchen en Profeten, blz. 653.

“In elke ziel strijden twee machten ernstig voor de overwinning. Ongeloof begeleidt zijn krachten, geleid door Satan, om ons af te snijden van de Bron van onze kracht. Het geloof begeleidt zijn krachten, geleid door Christus, de auteur en voleinder van ons geloof. Uur na uur, in het zicht van het hemelse universum, gaat de strijd verder. Dit is een gevecht van hand tot hand, en de grote vraag is: wie zal de overhand verkrijgen? Deze vraag moet een ieder voor zichzelf beslissen. In deze oorlog moet iedereen een rol spelen, aan de ene of de andere kant vechten. Van de strijd is er geen bevrijding… Wij worden aangespoord om ons op deze strijd voor te bereiden.” –Sons and Daughters of God, blz. 328.

DONDERDAG — 4 maart

5. Een individueel werk

A. Hoe alleen kunnen wij in de strijd tegen de vijand overwinnen?

Jakobus 4:7-8.

Jakobus 4:7: Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. Jakobus 4:8: Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!

“Het werk van elke ziel is om de vijand te weerstaan in de kracht en macht van de Heere Jezus Christus, en de belofte is, dat de duivel van ons zal vluchten. Maar laten allen beseffen, dat zij in gevaar zijn, en er geen zekerheid van veiligheid is, behalve als zij voldoen aan de voorwaarden van de tekst (Jakobus 4:7). De Heer zegt: ‘Nader tot God’. Hoe? Door een geheim, grondig onderzoek van uw eigen hart; door eenvoudige, oprechte, nederige afhankelijkheid van God, door uw zwakheid aan Jezus bekend te maken; en door uw zonden te belijden. Zo kunt u tot God naderen, en Hij zal tot u naderen.” –Sons and Daughters of God, blz. 346.

B. Wat moet ons voortdurende gebed zijn en waarom?

Psalm 119:12-14;

Psalmen 119:12: HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen. Psalmen 119:13: Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds. Psalmen 119:14: Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.

Psalmen 139:23-24.

Psalmen 139:23: Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. Psalmen 139:24: En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.

“God leidt Zijn volk, stap voor stap. Hij brengt ze naar verschillende punten, die er op berekend zijn om aan het licht te brengen, wat er in hun hart is. Sommigen volharden op één punt, maar vallen bij het volgende. Op elk verder gelegen punt wordt het hart getoetst en een weinig zwaarder beproefd.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 64.

“Het is niet genoeg voor iemand, wanneer hij zich veilig acht door de dictaten van zijn geweten te volgen… De vraag, die beantwoord moet worden, is: is het geweten in harmonie met het Woord van God? Zo niet, dan kan men dit niet veilig volgen, want dan zal het misleiden. Het geweten moet door God worden verlicht. Er moet tijd genomen worden om de Schriften te bestuderen en voor gebed. Zo wordt de geest opgebouwd, versterkt en bevestigd.” –Geest, Karakter en Persoonlijkheid, blz. 340.

VRIJDAG — 5 maart

Terugblik

1. Hoe kan ik de hand reiken om iemand te zegenen, zoals David Mefibóseth deed?

2. Wat voor indruk gaf David aan zijn eigen leger en hoe?

3. Waarom kon Israël een verbazingwekkende status verwerven tijdens Davids regering?

4. Noem enkele subtiele valstrikken, die ons misschien verstrikken, zoals bij David gebeurde.

5. Wat moet ik beseffen over mijn eigen geweten?

Eerste Sabbatgaven voor het Wereld Rampenfonds

I‘En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentiën; … En op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven’ (Lukas 21:11,25).

Moeten we ook de orkanen, cyclonen, tsunami’s, tornado’s, aardbevingen, hongersnoden en pestilenties in dit decennium noemen? Rampen kosten veel levens. Tienduizenden sterfgevallen vinden doorgaans plaats, voordat er zelfs maar een voedsel te kort wordt gemeld door de belangrijke nieuws bronnen, meer dan 3.000 door koude, 2.000 door droogte, enz. Toch voelt het hart van oneindige liefde van onze Vader dit allemaal.

“Het is voor mensen heel natuurlijk om te menen, dat grote rampen een duidelijke aanwijzing zijn van grove misdaden en enorme zonden; maar mensen maken vaak een vergissing, als ze op deze wijze het karakter afmeten. We leven niet in een tijd van vergeldend oordeel. Goed en kwaad zijn vermengd, en allen worden door rampen getroffen. Soms overschrijden mensen de grens van Gods beschermende zorg en dan oefent Satan zijn macht over hen uit, terwijl God niet tussenbeide komt. Job werd zwaar beproefd en zijn vrienden probeerden hem te doen erkennen, dat zijn lijden het gevolg was van de zonde, waardoor hij zich onder Gods vonnis bevond. Zij stelden zijn geval voor als dat van een groot zondaar, maar de Here bestrafte hen, omdat ze Zijn getrouwe dienstknecht veroordeelden.” –Bijbelkommentaar, blz. 172.

Hoe zit het met de zielen, die lijden onder al deze rampen? Inderdaad de onschuldigen lijden vaak met de schuldigen. Huizen worden verwoest, gewassen vernietigd, levens worden aangetast. Wat is onze plicht?

“Een lijdende naaste niet helpen is een schending van de wet van God… We moeten zorgen voor elk geval van lijden en onszelf beschouwen als Gods werktuigen om de nood tot het uiterste van ons vermogen verlichten. We moeten goed doen aan alle mensen, en vooral aan hen, die tot huisgenoten van het geloof behoren.“ –Sons en Daughters of God, blz. 52.

“God zal zeker degenen oordelen, die hun verworven bezit verwaarlozen, die de lijdenden laten omkomen, wanneer het in hun macht is hen verlichting te bieden.“ –The Review and Herald, 10 december 1895.

Laten we alstublieft allemaal ons uiterste best doen, wanneer de Eerste Sabbatgaven voor het Wereld Rampenfonds worden ingezameld, wetende dat door het dienen van Gods lijdenden, we Hem dienen.

–De Welfare Afdeling van de Generale Conferentie