“Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is”
Johannes 3:2
“Jezus, de goddelijke Leraar, … nam de menselijke natuur aan met geen ander doel dan de mensen de genade, de liefde en de goedheid van God te tonen door te voorzien in de redding en het geluk van Zijn schepselen. Hiervoor stierf Hij… Dagelijks stalde Hij voor hen uit, in werken van zegeningen voor de mens, hoe groot Zijn tederheid en liefde was voor het gevallen mensdom. Zijn hart was een fontein van onuitputtelijk mededogen, van waaruit het verlangende hart voorzien kon worden met het water des levens.” –Counsels on Sabbath School Work, blz. 108-109.
Aanvullende studie :: -De Wens der Eeuwen, blz. 292-293;; 370-374;; 522-524.
A. Hoe spraken de discipelen Jezus herhaaldelijk aan?
Markus 4:38;
Markus 9:38;
Markus 13:1.
B. Hoe erkende Jezus het gebruik van deze titel?
Johannes 13:13.
C. Met welk doel deed Jezus dit?
Johannes 13:14-15.
“Christus eigende Zich duidelijk het recht op autoriteit en trouw toe. ‘Gij noemt Mij Meester en Heere’, zei Hij, ‘en gij zegt het terecht, want Ik ben het’. ‘Eén is uw Meester, ja Christus’. Zo behield Hij de waardigheid, die bij Zijn naam hoorde, en de autoriteit en macht, die Hij in de hemel bezat.” –Lift Him Up, blz. 37.
A. Wie was Jaïrus en hoe toonde hij respect voor Jezus?
Markus 5:22.
“Hij (Jezus) bleef een tijdlang aan de oever van het meer, lerende en genezende, en trok Zich toen terug naar het huis van Levi Matthéüs, om de tollenaars te ontmoeten op een feest. Hier trof Jaïrus, de overste der synagoge, Hem.
Deze oudste der Joden kwam in grote wanhoop tot Jezus en wierp zich aan Zijn voeten.” –De Wens der Eeuwen, blz. 292.
B. Waarom kwam Jaïrus Jezus bezoeken? Hoe groot was zijn geloof?
Markus 5:23.
“Jezus ging terstond met de overste op weg naar diens huis. Hoewel de discipelen zovele genadewerken gezien hadden, waren ze verwonderd over Zijn toegeven aan de smeekbede van de hoogmoedige rabbi; toch vergezelden ze hun Meester, en de mensen volgden, vol verlangen en verwachting.” –De Wens der Eeuwen, blz. 292.
“Christus was op weg naar het huis van Jaïrus, een Joodse rabbi, die Hem gesmeekt had te komen om zijn dochtertje te genezen. De hartverscheurende smeekbede: ‘Mijn dochtertje ligt op sterven: Ik bid U, kom en leg haar de handen op, zodat zij genezen zal’ (Markus 5:23), had het tedere, meelevende hart van Christus geraakt, en Hij ging dadelijk met de overste mee naar zijn huis.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 42.
C. Wat gebeurde er, toen Jezus opgehouden werd tijdens Zijn reis naar het huis van Jaïrus, en wat sprak de boodschapper tot Jezus?
Markus 5:35.
“Het huis van de overste was niet ver weg, maar Jezus en die met Hem waren, kwamen slechts langzaam vooruit, want de menigte drong van alle zijden op Hem aan. De ongeruste vader was ongeduldig over het oponthoud; maar Jezus, Die medelijden had met de mensen, hield zo nu en dan stil om een lijdende verlichting te schenken of een bezorgd hart te vertroosten.
Terwijl ze nog onderweg waren, drong er een boodschapper door de menigte heen, die aan Jaïrus de boodschap bracht, dat zijn dochtertje gestorven was en het geen nut meer had de Meester verder lastig te vallen. Het bericht kwam Jezus ter ore. ’Wees niet bevreesd’, zei Hij, ’geloof alleen, en zij zal behouden worden’.” –De Wens der Eeuwen, blz. 292.
A. Wie werden meegenomen in het huis van Jaïrus, toen Jezus er aankwam? Waarom?
Markus 5:37-40.
“Jaïrus drong dichter naar de Heiland toe en samen haastten zij zich naar het huis van de overste. Daar waren reeds de gehuurde weeklagers en fluitspelers, en zij vervulden de lucht met gejammer. De aanwezigheid van de menigte en het rumoer trof de geest van Jezus pijnlijk. Hij trachtte hen tot zwijgen te brengen met de woorden: ’Waarom maakt gij misbaar en weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt’. Zij waren verontwaardigd over de woorden van de Vreemdeling. Zij hadden het kind in de greep van de dood gezien en zij lachten Hem spottend uit. Jezus verzocht hun allen het huis te verlaten en nam alleen de vader en de moeder van het meisje met Zich mee, en die drie discipelen Petrus, Jacobus en Johannes, en samen gingen zij de sterfkamer binnen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 292-293.
B. Welk wonder bevestigde de goddelijkheid van Christus? Verzen 41-42.
“Jezus ging naar het bed, en terwijl Hij de hand van het kind in de Zijne nam, sprak Hij zachtjes, in de omgangstaal van haar land, de woorden: ‘Meisje, Ik zeg u, sta op!’
Terstond ging er een trilling door de levenloze gestalte. De levensaderen klopten weer. De lippen ontsloten zich tot een glimlach. De ogen gingen wijd open als uit een slaap, en het meisje staarde met verbazing naar de groep mensen, die om haar heen stond. Ze stond op, en haar ouders sloten haar in hun armen en schreiden van vreugde.” –De Wens der Eeuwen, blz. 293.
C. Welk ander voorbeeld hebben wij, dat Jezus een soortgelijk wonder verricht?
Lukas 7:11-17.
“De Heiland heeft de doden tot leven gewekt. Een van hen was de zoon van de weduwe in Naïn. De mensen droegen hem naar het graf, toen zij Jezus ontmoetten. Hij nam de jongeman bij de hand, tilde hem op en gaf hem levend aan zijn moeder. Daarna ging het gezelschap terug naar huis met gejuich en lofprijzingen tot God.” –The Story of Jesus, blz. 79.
A. Hoe sprak iemand uit de menigte tot Jezus? Wat was zijn grote behoefte?
Markus 9:17-18.
B. Hoe toonde Jezus de noodzaak van het hebben van geloof, en wat was het antwoord van de vader? Verzen 19-24.
“De vader vertelde het verhaal van lange jaren van lijden, en daarna, alsof hij het niet meer kon verdragen, riep hij uit: ’Als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!’ ’Als Gij kunt!’ Zelfs nu twijfelde de vader aan de macht van Christus.
Jezus antwoordde: ’Als gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft’. Er bestaat geen tekort aan macht van de kant van Christus; de genezing van de zoon hangt af van het geloof van de vader…
Het geloof verbindt ons met de hemel, en geeft ons kracht om opgewassen te zijn tegen de machten der duisternis. In Christus heeft God ons een middel gegeven om iedere zondige karaktertrek te overwinnen en om weerstand te bieden aan iedere verzoeking, hoe sterk die ook moge zijn. Maar velen menen, dat het geloof hun ontbreekt, en daarom blijven zij verwijderd van Christus. Laten deze zielen, in hun hulpeloze onwaardigheid, zichzelf overgeven aan de genade van hun barmhartige Heiland. Zie niet op uzelf, maar op Christus. Hij, Die de zieken heeft genezen en de boze geesten heeft uitgeworpen, toen Hij onder de mensen wandelde, is heden nog dezelfde machtige Verlosser. Het geloof komt tot ons door het Woord van God. Klem u dan vast aan Zijn belofte: ’Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Johannes 6:37). Werp u aan Zijn voeten met de woorden: ’Helpt U me, als mijn geloof te kort schiet’. U kunt nooit verloren gaan, wanneer u dit doet, nooit.” –De Wens der Eeuwen, blz. 372-373.
C. Hoe liet Jezus zien, dat Hij echt een goddelijke leraar was? Verzen 25-27.
“Jezus wendt Zich tot de zieke en zegt: ’Gij stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem’. Er klinkt een schreeuw, er wordt in doodsangst geworsteld. Bij het uitgaan schijnt de onreine geest het leven uit zijn slachtoffer te scheuren. Dan ligt de jongen daar zonder zich te bewegen, ogenschijnlijk levenloos. De menigte fluistert, ’dat hij gestorven is’, maar Jezus neemt hem bij de hand, richt hem op, en geeft hem, naar geest en lichaam volmaakt gezond, aan zijn vader. Vader en zoon prijzen de naam van hun Verlosser. De menigte staat ’verslagen over de majesteit Gods’, terwijl de Schriftgeleerden, overwonnen en terneergeslagen, zich gemelijk afwenden.” –De Wens der Eeuwen, blz. 372.
A. Hoe richtten zelfs Jezus’ vijanden zich tot Hem, terwijl zij zich voordeden als Zijn volgelingen? Wat vroegen zij Hem?
Markus 12:13-14.
“De Farizeeën hadden zich altijd geërgerd aan het feit, dat de Romeinen belasting van hen eisten. Zij meenden, dat het betalen van schatting in strijd was met de wet van God. Nu zagen zij een gelegenheid om een strik voor Jezus uit te zetten. De spionnen kwamen tot Hem en zeiden ogenschijnlijk oprecht, alsof ze graag wilden weten, wat hun plicht was: ’Meester, wij weten. dat Gij rechtuit spreekt en leert en niemand naar de ogen ziet, maar in waarheid de weg Gods leert; is het ons geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?’” –De Wens der Eeuwen, blz. 522.
B. Hoe bracht Jezus hun bedrog in verwarring? Wat was hun antwoord? Verzen 15-17.
“De spionnen hadden verwacht, dat Jezus hun vraag rechtstreeks zou beantwoorden, hetzij bevestigend, hetzij ontkennend… Nu waren ze beschaamd en verslagen. Hun plannen waren in de war gestuurd. De beknopte manier, waarop hun vraag was beantwoord, bood hun geen gelegenheid om meer te zeggen.
Christus’ antwoord was geen ontwijking, maar een eerlijk antwoord op de vraag. Terwijl Hij een Romeinse munt, waarop de naam en de beeltenis van Caesar waren geslagen, in Zijn hand hield, verklaarde Hij, dat, aangezien zij leefden onder de bescherming van de Romeinse macht, zij die macht de steun, die zij eiste, moesten verlenen, zolang dit niet in strijd kwam met de hogere plicht. Maar terwijl ze op vreedzame wijze onderdanig moesten zijn aan de wetten van het land, moesten ze te allen tijde in de eerste plaats God trouw blijven.” –De Wens der Eeuwen, blz. 523
1. Waarom was het juist, dat de mensen naar Jezus verwezen als ‘Meester’?
2. Hoe toonde een hooghartige rabbi respect voor Jezus? Waarom deed hij dit?
3. Wat toonde het wonder met Jaïrus’ dochter over Jezus?
4. Wat was de reactie van het gezin, toen Jezus de demonen uit de jongen wierp? Wat was de reactie van de Schriftgeleerden? Waarom?
5. Hoe verbijsterde Jezus de verspieders, die gestuurd waren om Hem in de val te laten lopen?