Lessen uit het boek Markus — SABBAT, 26 december 2020

Les 13: Hoop vernietigd en herleeft dan

Tekst om te onthouden

“Vreest gij niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft”

Mattheüs 28:5–6

“Treur niet als degenen, die hopeloos en hulpeloos zijn. Jezus leeft, en omdat Hij leeft, kunnen ook wij leven. Laat uit dankbare harten, van lippen, die zijn aangeraakt met heilig vuur, het lied weerklinken: Christus is opgestaan! Hij leeft om voor ons te pleiten. Grijp deze hoop aan, en ze zal voor de ziel een kracht zijn als een veilig, beproefd anker.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 697.

Aanvullende studie :: -De Wens der Eeuwen, blz. 649-663;; 685-691.

ZONDAG — 20 december

1. Het kruis dragen

A. Hoe behandelde het volk Jezus, de Verlosser der wereld?

Markus 15:16-20.

Markus 15:16: En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen; Markus 15:17: En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op; Markus 15:18: En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! Markus 15:19: En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieen, aanbaden Hem. Markus 15:20: En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.

B. Wie droeg het kruis van Jezus? Vers 21. Hoe belangrijk was deze daad?

Lukas 14:27;

Lukas 14:27: En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.

Galaten 6:2.

Galaten 6:2: Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.

“Zijn (Christus’) vervolgers zagen, dat het onmogelijk voor Hem was, Zijn last verder te dragen. Zij vroegen zich af, of zij iemand konden vinden, die de vernederende last zou kunnen torsen. De Joden zelf konden dit niet doen, omdat de verontreiniging hen zou verhinderen het Pascha te vieren. Zelfs niemand uit het gepeupel, dat Hem volgde, zou zich vernederen om het kruis te dragen.

Op dit ogenblik komt juist een vreemdeling, Simon van Cyrene, … de menigte tegen. Hij hoort het gehoon en gespot van de menigte… Hij blijft staan, verwonderd over het schouwspel; en wanneer hij zijn medelijden uitspreekt , grijpen zij hem en leggen het kruis op zijn schouders.

Simon had over Jezus gehoord. Zijn zonen geloofden in de Heiland, maar hijzelf was geen discipel. Het dragen van het kruis naar Golgotha was een zegen voor Simon, en hij was sindsdien altijd dankbaar voor deze voorzienigheid. Het bracht hem ertoe het kruis van Christus te verkiezen en op te nemen, en voor altijd vol vreugde deze last te dragen.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 650.

MAANDAG — 21 december

2. Jezus vervult de profetie

A. Wie werd er naast Christus gekruisigd? Hoe vervulde dit, wat in de Schrift was voorzegd?

Markus 15:27-28;

Markus 15:27: En zij kruisigden met Hem twee moordenaars, een aan Zijn rechter zijde, en een aan Zijn linker zijde. Markus 15:28: En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.

Jesaja 53:12.

Jesaja 53:12: Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

“Met een verlangend hart heeft Hij geluisterd, of een van Zijn discipelen uiting zal geven aan zijn vertrouwen. Hij heeft alleen de treurige woorden gehoord: ‘Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, Die Israël verlossen zou’. Hoe weldadig was daarom voor de Heiland de uiting van geloof en liefde van de stervende rover! Terwijl de Joodse leiders Hem verloochenen, en zelfs de discipelen twijfelen aan Zijn goddelijkheid, roept de arme misdadiger, op de drempel der eeuwigheid, Jezus aan als Here. Velen waren bereid Hem Here te noemen, toen Hij wonderen verrichtte en nadat Hij uit het graf was opgestaan; maar niemand erkende Hem, toen Hij stervend aan het kruis hing, uitgezonderd de berouwvolle rover, die terzelfder ure werd gered…

De rovers, die met Jezus gekruisigd werden, hingen ‘aan weerszijden één en Jezus in het midden’. Dit was gebeurd op aanwijzing van de priesters en oversten. De plaats van Christus tussen de rovers moest aanduiden, dat Hij de grootste misdadiger van de drie was. Op deze wijze ging de Schrift in vervulling: Hij werd ‘onder de overtreders geteld’ (Jesaja 53:12). Maar de priesters zagen niet de volle betekenis van hun daad. Zoals Jezus, gekruisigd met de rovers ‘in het midden’ werd geplaatst, zo werd ook Zijn kruis geplaatst in het midden van een in zonde verkerende wereld.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 657-658.

“Als plaatsvervanger en borg van de mens werd de ongerechtigheid van de mensen op Christus gelegd; Hij werd beschouwd als een overtreder, opdat Hij hen kon verlossen van de vloek van de wet… Hij, de zondedrager, ondergaat de gerechtelijke straf voor ongerechtigheid en wordt zelf zonde voor de mens.” –The Story of Redemption, blz. 225.

B. Wat deden zij met de kleding van Christus, toen zij Hem kruisigden? Hoe werd dit door David voorzegd?

Markus 15:24;

Markus 15:24: En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou.

Psalm 22:19.

Psalmen 22:19: Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

“Met het lijden van Christus aan het kruis werd de profetie vervuld. Eeuwen voor de kruisiging had de Heiland de bejegening voorzegd, die Hem ten deel zou vallen. (Zie Psalm 22:17-19). De profetie betreffende Zijn klederen ging in vervulling zonder de raad of tussenkomst van de vrienden of vijanden van de Gekruisigde. Zijn kleding werd gegeven aan de soldaten, die Hem aan het kruis hadden gehangen. Christus hoorde de twist van de mannen, toen zij de kledingstukken onder elkander verdeelden. Zijn onderkleed was aan een stuk geweven zonder naad en zij zeiden: ‘Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal’.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 654.

DINSDAG — 22 december

3. Jezus’ laatste uren

A. Hoe reageerde de natuur op het sterven van haar Koning aan het kruis?

Markus 15:33.

Markus 15:33: En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

“De levenloze natuur drukte een medeleven uit met haar beledigde en stervende Auteur. De zon weigerde naar het vreselijke tafereel te kijken. De volle, heldere stralen verlichtten de aarde ‘s middags, toen het plotseling leek te worden uitgewist. Volledige duisternis omhulde het kruis en de hele omgeving, als een lijkkleed. De duisternis duurde drie volle uren. Op het negende uur verdween de verschrikkelijke duisternis van de mensen, maar omhulde de Heiland nog steeds als een mantel. De boze bliksemschichten leken op Hem te worden geworpen, terwijl Hij aan het kruis hing.” –The Story of Redemption, blz. 226.

B. Welke andere bovennatuurlijke gebeurtenissen vonden plaats, toen Jezus stierf? Verzen 37-38;

Matthéüs 27:50-53.

Mattheüs 27:50: En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest. Mattheüs 27:51: En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. Mattheüs 27:52: En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; Mattheüs 27:53: En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.

“Op het moment, dat Christus stierf, deden priesters dienst in de tempel bij het voorhangsel, die het heilige van het heilige der heilige scheidde. Plotseling voelden zij de aarde onder hen trillen, en het voorhangsel van de tempel, een sterke, rijke stof, die jaarlijks werd vernieuwd, scheurde in tweeën van boven naar beneden door dezelfde bloedeloze hand, die de woorden van onheil schreef op de muren van Bélsazars paleis.” –The Story of Redemption, blz. 226.

“Het scheuren van het voorhangsel van de tempel toonde aan, dat de Joodse offeranden en instellingen niet langer aangenomen zouden worden. Het grote Offer was gebracht en aangenomen geworden, en de Heilige Geest, welke op de Pinksterdag nederdaalde, trok de aandacht van de discipelen af van het aardse heiligdom en vestigde die op het hemelse, waar Jezus ingegaan was met Zijn eigen bloed, om over Zijn discipelen het heil, verkregen door de verzoening, welke Hij volbracht had, uit te storten. Maar de Joden werden in volslagen duisternis gelaten. Zij verloren al het licht, dat zij over het verlossingsplan hadden kunnen hebben, en vertrouwden nog op hun nutteloze brandofferen en offeranden. Het hemelse heiligdom had de plaats van het aardse ingenomen, maar zij begrepen niets van de verandering. Derhalve konden zij geen voordeel trekken uit het middelaarswerk van Christus in de heilige plaats.” –Eerste Geschriften, blz. 311-312.

““Toen Jezus, aan het kruis hangende, uitriep: ‘Het is volbracht’, scheurden de steenrotsen, de aarde beefde en sommige graven werden geopend.” –Eerste Geschriften, blz. 216.

WOENSDAG — 23 december

4. Hij is opgestaan!

A. Wie kwam naar voren en bood Jezus een eervolle begrafenis aan, en wat deed hij?

Markus 15:43,

Markus 15:43: Kwam Jozef, die van Arimathea was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.

Markus 15:46;

Markus 15:46: En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, hetwelk uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs.

Matthéüs 27:59-60.

Mattheüs 27:59: En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad. Mattheüs 27:60: En legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.

“Zelfs in de dood was het lichaam van Christus zeer dierbaar voor Zijn discipelen. Zij verlangden Hem een eervolle begrafenis te geven, maar wisten niet, hoe zij dit konden volbrengen…

In deze noodtoestand kwamen Jozef van Arimathéa en Nicodémus de discipelen te hulp. Deze beide mannen waren leden van het Sanhedrin, en kenden Pilatus persoonlijk. Beiden waren vermogende, invloedrijke mannen. En zij waren vastbesloten het lichaam van Jezus een eervolle begrafenis te geven.

Jozef ging vrijmoedig naar Pilatus toe en vroeg hem het lichaam van Jezus…

Het verzoek van Jozef werd ingewilligd. Terwijl Johannes zich zorgen maakte over de begrafenis van zijn meester, keerde Jozef terug met het bevel van Pilatus aangaande het lichaam van Christus; Nicodémus kwam en bracht een kostbaar mengsel van mirre en aloë, ongeveer 100 pond in gewicht, om Hem te balsemen. De meest geëerde man in Jeruzalem had bij zijn dood geen grotere eerbewijzen kunnen ontvangen. De discipelen waren zeer verbaasd, toen ze zagen, dat deze vermogende oversten evenveel belang stelden in de begrafenis van hun Here als zijzelf.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 678-679.

B. Wie kwamen er op zondagmorgen heel vroeg naar het graf, na gerust te hebben op de Sabbat, en wat vonden zij?

Markus 16:1-6;

Markus 16:1: En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Markus 16:2: En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; Markus 16:3: En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? Markus 16:4: (En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. Markus 16:5: En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. Markus 16:6: Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.

Matthéüs 28:5-6.

Mattheüs 28:5: Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Mattheüs 28:6: Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.

“Toen ze (de vrouwen) op die plaats bleven toeven, zagen zij plotseling , dat zij niet alleen waren. Een jongeling, gekleed in schitterende kleren, zat bij het graf. Het was de engel, die de steen had weggerold. Hij had het uiterlijk van een mens aangenomen, om deze volgelingen van Jezus geen schrik aan te jagen. Nochtans omstraalde hem het licht van de hemelse heerlijkheid, en de vrouwen waren bevreesd. Zij wendden zich af om te vluchten maar de woorden van de engel weerhielden hen op hun schreden. ‘Weest gij niet bevreesd’, zei hij, ‘want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft’.” –De Wens der Eeuwen, blz. 692.

C. Wat moesten zij daarna doen? Hoe reageerden zij?

Markus 16:7-8;

Markus 16:7: Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft. Markus 16:8: En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.

Matthéüs 28:7-8.

Mattheüs 28:7: En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd. Mattheüs 28:8: En haastelijk uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij heen, om hetzelve Zijn discipelen te boodschappen.

DONDERDAG — 24 december

5. Christus machtigt Zijn volgers

A. Aan wie verscheen Jezus, en wat was hun reactie?

Markus 16:9-14;

Markus 16:9: En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Markus 16:10: Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden. Markus 16:11: En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet. Markus 16:12: En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen. Markus 16:13: Dezen, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden ook die niet. Markus 16:14: Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.

Lukas 24:13-15.

Lukas 24:13: En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadien van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus; Lukas 24:14: En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren. Lukas 24:15: En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.

“Toen zij (Maria) zich van het graf afkeerde, zag zij Jezus staan, maar zij kende Hem niet. Hij sprak op zachte toon tot haar, onderzoek doende naar de oorzaak van haar verdriet, en vragende wie zij zocht. Menende, dat Hij de hovenier was, smeekte zij Hem, indien Hij haar Heer weggedragen had, haar te willen zeggen waar hij Hem gelegd had, dat zij Hem kon wegnemen. Jezus sprak tot haar met Zijn eigen hemelse stem, zeggende: ‘Maria!’ Zij was bekend met de toon van die lieve stem en antwoordde snel: ‘Meester!’ en in haar blijdschap stond zij op het punt Hem te omhelzen; maar Jezus sprak: ‘Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader, en uw Vader, en tot Mijn God en uw God’. ‘ Vol blijdschap haastte zij zich naar de discipelen met de goede tijding. Jezus voer snel op tot Zijn Vader om van Zijn lippen te horen, dat Hij het gebrachte offer aangenomen had en om alle macht in de hemel en op aarde te ontvangen.” –Eerste Geschriften, blz. 220-221.

B. Welke opdracht werd aan de volgelingen van Christus gegeven en hoe reageerden zij? Verzen 15-18, 20.

“Over alle bewoners der aarde, hoog en laag, arm en rijk, moest het licht des hemels schijnen met heldere, krachtige stralen. De discipelen moesten, bij het reddingswerk voor de wereld, medearbeiders van hun Verlosser zijn.“ –De Wens der Eeuwen, blz. 716.

VRIJDAG — 25 december

Terugblik

1. Hoe was het dragen van het kruis een keerpunt in het leven van Simon?

2. Waarom werd Jezus geplaatst tussen de dieven aan het kruis? Hoe vervulde dit de profetie?

3. Hoe sympathiseerde de natuur met haar stervende Maker?

4. Hoe zorgde God voor de begrafenis van Jezus? Wie kwam naar voren om te helpen?

5. Wat was Jezus’ grootste zorg, nadat Hij uit de dood was opgestaan?