“O wee! Want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden”
Jeremia 30:7
“Worstel in het gebed, net als Jakob. Strijd ervoor. Jezus zweette in de tuin van Gethsémané grote druppels bloed. Jullie moeten je inspannen. Verlaat je binnenkamer niet, voordat je jezelf sterk in God weet. En wees dan waakzaam. Zolang je waakt en bidt, kun je die kwade neigingen de baas blijven. Dan kan en zal de genade van God in jou zichtbaar zijn.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 124.
Aanvullende studie:: -De Grote Strijd, blz. 567-578;; 580-583.
A. Hoe komt Jakobs angst overeen met wat Gods volk spoedig moet ondergaan, en welke gebeurtenis is daarmee nauw verbonden?
Jeremia 30:5-6;
Openbaring 22:11-12.
“De ervaring van Jakob in die nacht van worsteling en zielsangst is een beeld van de beproevingen, die Gods volk moet doorstaan kort voor de wederkomst van Christus.” –Patriarchen en Profeten, blz. 170.
B. Wat moeten wij begrijpen over het afsluiten van de proeftijd?
Handelingen 1:7;
Johannes 9:4.
“God heeft ons niet de tijd geopenbaard, wanneer deze boodschap zal sluiten of wanneer de proeftijd zal eindigen. Die dingen, die geopenbaard zijn, zullen wij voor onszelf en voor onze kinderen aannemen; maar laten wij niet proberen te weten, dat wat geheim is gehouden in de raden van de Almachtige…
Er zijn brieven naar mij gekomen met de vraag, of ik enig speciaal licht heb over de tijd, wanneer de proeftijd zal sluiten; en ik antwoord, dat ik alleen deze boodschap moet uitdragen, dat het nu tijd is om te werken, zolang de dag duurt.” –Selected Messages 1, blz. 191.
A. Waarom moeten wij, die met groot licht zijn belast, zeer waakzaam zijn bij de voorbereiding om onze Heer in vrede te ontmoeten?
1 Timótheüs 5:24;
1 Petrus 4:17.
“Wanneer de boeken in het oordeel worden geopend, gaat het leven van allen, die in Christus hebben geloofd, aan Gods oog voorbij. Eerst komen de eerste mensen, die op aarde hebben geleefd, aan de beurt. Daarna zal onze Voorspraak de gevallen van alle geslachten, die na hen zijn gekomen, stuk voor stuk in behandeling nemen en Hij eindigt met de mensen, die nog in leven zijn. Elke naam wordt afgeroepen en elk geval wordt nauwkeurig onderzocht. Bepaalde namen worden aangenomen, andere worden verworpen.” –De Grote Strijd, blz. 446.
“Het grote licht en de verleende voorrechten vragen terugkeer van deugd en heiligheid, in overeenstemming met het aan hen gegeven licht. Een te kort hieraan zal God niet accepteren.” –Testimonies to Ministers, blz. 454.
B. Leg zowel de plechtigheid als de hoop uit, die verbonden zijn met deze werkelijkheid.
Exodus 32:33;
Ezechiël 18:24,
Ezechiël 18:27-30.
“Wanneer in de boeken des hemels nog zonden staan opgetekend van mensen, die hun zonden niet hebben beleden en waarvoor geen vergiffenis is geschonken, zullen hun namen uit het boek des levens worden weggedaan en zullen hun goede werken, die zijn opgeschreven in het gedenkboek, worden uitgewist…
Bij de namen van allen, die hun zonden hebben beleden en het verzoenend bloed van Christus hebben aangenomen, staat in de boeken des hemels genoteerd, dat ze vergiffenis hebben ontvangen. Daar zij met Christus’ gerechtigheid zijn bekleed en hun karakter in harmonie is met Gods wet, zullen hun zonden worden uitgewist en zullen ze ‘waardig worden gekeurd’ om het eeuwige leven te hebben.” –De Grote Strijd, blz. 446.
“De afsluiting van het verzoeningswerk gaat gepaard met plechtige gebeurtenissen. Er staan zeer grote belangen op het spel. Het oordeel vindt nu plaats in het hemelse heiligdom. Dit werk is nu al vele jaren aan de gang. Binnenkort, niemand weet wanneer, zullen de levenden worden geoordeeld. Ons leven zal in de ontzagwekkende tegenwoordigheid van God worden beoordeeld. In deze tijd is het meer dan ooit nodig te denken aan de waarschuwing van Christus: ‘Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is’ (Markus 13:33)…
Wanneer het onderzoekend oordeel is afgesloten, zal over het lot van allen ‘ten leven of ten dode’ zijn beslist.” –De Grote Strijd, blz. 446.
A. Op welke waarschuwing moeten wij acht slaan van een werkelijke, maar ook symbolische, ervaring, die zich in het eerste christendom voordeed?
Matthéüs 24:15-16.
“De Heiland gaf Zijn volgelingen deze waarschuwing: ‘Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan, wie het leest, geve er acht op, laten dan, wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen’ (Matthéüs 24:15-16; Lukas 21:20-21). Wanneer de aan afgoden gewijde banieren van de Romeinen worden geplant in de heilige grond, die zich over enige afstand buiten de stadsmuren uitstrekte, moesten de volgelingen van Christus zich in veiligheid stellen door te vluchten. Wanneer ze het waarschuwingsteken zagen, moesten zij, die wilden vluchten, dat onmiddellijk doen.” –De Grote Strijd, blz. 23.
“Geen enkele christen werd bij de verwoesting van Jeruzalem gedood. Christus had Zijn discipelen gewaarschuwd en allen, die Zijn woorden geloofden, keken uit naar het beloofde teken.” –De Grote Strijd, blz. 28.
B. Hoe wordt de gruwel der verwoesting geëvenaard in het einde?
Daniël 12:1.
“Zoals het beleg van Jeruzalem door het Romeinse leger het teken was voor de christenen in Judea om te vluchten, zo zal het machtsvertoon van de VS in de uitvaardiging van de pauselijke rustdag, een waarschuwing voor ons inhouden.” –Maranatha, blz. 180.
“Ik zag, dat Jezus het allerheilige niet zou verlaten, totdat ieder geval beslist was, hetzij voor de zaligheid of voor het verderf, en dat de toorn Gods niet kon komen over de mensen, totdat Jezus Zijn werk in het heilige der heiligen volbracht, Zijn priesterlijk kleed afgelegd, en de klederen der wraak aangetrokken had. Dan zal Jezus niet meer tussen de Vader en de mens blijven staan, en God zal niet langer zwijgen, maar Zijn toorn uitgieten over degenen, die Zijn waarheid hebben verworpen. Ik zag, dat de toorn van de volken, de toorn van God, en de tijd om de doden te oordelen, afzonderlijke en van elkaar verschillende gebeurtenissen waren, de ene op de andere volgende, en ook, dat Michaël nog niet was opgestaan, en dat de tijd der benauwdheid, als er niet geweest is, nog niet was aangebroken. De volken begonnen toornig te worden, maar wanneer onze Hoge Priester Zijn werk in het heiligdom geëindigd heeft, dan zal Hij opstaan, de klederen der wraak aantrekken, en dan zullen de zeven laatste plagen uitgegoten worden.” –Eerste Geschriften, blz. 30.
A. Hoe wordt de tijd der benauwdheid van Jakob geëvenaard in het einde?
Jeremia 30:7 (eerste deel);
Openbaring 13:11-17.
“Wanneer Christus Zijn werk als Middelaar voor de mens zal neerleggen, zal deze tijd van benauwdheid een aanvang nemen. Dan zal het lot van iedere ziel beslist zijn en er zal geen verzoenend bloed meer zijn om van zonde te reinigen…
Zoals Jakob met de dood bedreigd werd door zijn vertoornde broer, zo zal het volk van God in gevaar verkeren, omdat de goddelozen hun ondergang zoeken. En zoals de patriarch heel de nacht worstelde om uit de hand van Esau bevrijd te worden, zo zullen de rechtvaardigen dag en nacht tot God roepen om bevrijd te worden van de vijanden rondom hen.
Satan had Jakob ten aanschouwen van Gods engelen aangeklaagd, en stelde, dat hij het recht had om hem vanwege zijn zonde te vernietigen; hij had Esau opgestookt om hem tegemoet te trekken; en tijdens die nacht van worsteling had Satan getracht de patriarch te doordringen van een schuldgevoel om hem te ontmoedigen, en zich los te maken van God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 170.
B. Wat moeten wij ons herinneren, als Satan ons over onze zonden hoont?
Jesaja 1:18;
Jesaja 26:3-4.
“Toen Jakob in zijn benauwdheid de Engel aangreep en onder tranen smeekte, herinnerde de hemelse Bode hem aan zijn zonde, om hem te beproeven, en trachtte Zich van hem los te maken. Maar Jakob liet zich niet wegsturen. Hij had geleerd, dat God barmhartig is en gaf zich over aan Zijn barmhartigheid. Hij wees naar zijn berouw over de zonde en smeekte om bevrijding. Toen hij zijn leven overzag, werd hij haast tot wanhoop gebracht; maar hij klemde zich aan de Engel vast en hield aan, ernstig en onder tranen, tot hij antwoord kreeg. Dit zal ook de ervaring zijn van Gods volk tijdens hun laatste strijd met de machten van het kwaad. God zal hun geloof, hun volharding, en hun vertrouwen in Zijn macht om hen te verlossen, op de proef stellen. Satan zal trachten hen schrik aan te jagen met de gedachte, dat hun geval hopeloos is; dat hun zonden te groot zijn om vergeven te worden. Ze zullen zich diep bewust zijn van hun tekortkomingen, en wanneer ze hun leven overzien, zal hun hoop wegzinken. Maar bij de gedachte aan Gods grote barmhartigheid, en in hun eigen oprecht berouw zullen ze een beroep doen op de beloften, door Christus aan hulpeloze, berouwvolle zondaars gedaan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 170-171.
A. Wat is de grootste zorg in de tijd van Jakobs benauwdheid, en het bemoedigende nieuws erover?
Jesaja 44:22;
Jeremia 30:7 (laatste deel).
“Als Jakob van tevoren geen berouw had gehad over zijn zonde, dat hij op onrechtmatige wijze het eerstgeboorterecht had verkregen, zou God zijn bede niet verhoord hebben en zijn leven niet hebben gespaard. Zo is het ook in de tijd van benauwdheid, als Gods volk voor God verschijnt, terwijl zonden, die ze niet beleden hebben, hen zo pijnigen met angst en vrees, dat ze overweldigd worden; wanhoop zal hun geloof wegnemen, en ze zullen God niet durven smeken om uitredding. Maar hoewel ze zich duidelijk bewust zijn van hun eigen onwaardigheid, zijn er geen verborgen zonden, die openbaar worden. Hun zonden zijn uitgewist door het verzoenend bloed van Christus en zullen niet meer gedacht worden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 171.
B. Beschrijf de ijver, waarmee wij God nu moeten zoeken.
Matthéüs 11:12.
“(Zie Matthéüs 11:12). Het hier bedoelde geweld is een heilige ernst, zoals Jakob toonde. Wij moeten niet proberen onszelf in een gespannen gevoel te brengen, maar kalm en volhardend moeten wij onze smeekbeden tot de troon van genade drukken. Ons werk is om onze ziel voor God te vernederen, onze zonden te belijden en in geloof nader tot God te komen.” –That I May Know Him, blz. 272.
“De rechtvaardigen in hun nood zullen een diep besef hebben van hun onwaardigheid, en zullen met veel tranen hun totale onwaardigheid erkennen en zullen, net als Jakob, pleiten op de beloften van God door Christus, gedaan aan juist zulke afhankelijke, hulpeloze, berouwvolle zondaars.” –The Spirit of Prophecy 1, blz. 121-122.
1. Waarom heeft God er wijselijk voor gekozen om niet te openbaren, wanneer de proeftijd eindigt?
2. Hoe kan ik in gevaar zijn om te laks te zijn aangaande mijn geestelijke toestand?
3. Wat gebeurt er, als Jezus Zijn werk als onze Middelaar afsluit?
4. Welke twee tegengestelde waanideeën zijn gevaarlijk met betrekking tot onze belijdenis van zonde?
5. Hoe kan ik ijveriger echte, zoals Jakob, ijver voor God ontwikkelen?