Lessen uit het leven van Jakob — Sabbat, 22 augustus 2020

Les 8: Verlangen naar de zegen

Tekst om te onthouden

“‘En hij (Jakob) zeide: ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent’’

Genesis 32:26

“In de crisis van zijn leven zonderde Jakob zich af om te bidden. Hij was vervuld van één allesoverheersend doel, te trachten een ander karakter te krijgen.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 127.

Aanvullende studie:: -The Story of Redemption, blz. 91-99.

Zondag — 16 augustus

1. Jakob zijn enige hoop

A. Hoe voelde Jakob zich, toen hij hoorde, dat Ezau met 400 man kwam, en wat kon hij, in totale wanhoop, alleen doen?

Genesis 32:7

Genesis 32:7: Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;

(eerste gedeelte), 9-12.

“De zondige weg, die Jakob had gevolgd om zijn vader te misleiden, stond hem altijd voor ogen. Hij wist, dat zijn lange ballingschap het gevolg was van zijn eigen afwijking van strikte integriteit, de wet van het goede. Hij dacht dag en nacht na over deze dingen, zijn geweten beschuldigde hem en maakte zijn reis erg triest. Wat verlangde hij ernaar weer over de grond te gaan, waar hij was gestruikeld en de smet van de zonde op zijn ziel had gebracht. Vóór zijn overtreding had hij een gevoel van Gods goedkeuring, dat hem dapper maakte onder moeilijkheden en opgewekt te midden van problemen en duisternis. Voor deze diepe, blijvende vrede was hij al lang een vreemde. Toch herinnerde hij zich dankbaar de gunst, die God hem had getoond, het visioen van de glanzende ladder en de beloften van hulp en leiding. In het plechtig overzicht van de fouten en vergissingen van zijn leven, en de omgang van God met hem, erkende hij nederig zijn eigen onwaardigheid, de grote genade van God en zijn voorspoed, die zijn werk had gekroond.

Toen de heuvels van zijn geboorteland in de verte voor hem verschenen, werd het hart van de patriarch diep geraakt. Hij had zijn God beproefd en vond zijn beloften onfeilbaar; hij geloofde, dat God met hem zou zijn; maar toen hij dichtbij Edom kwam, had hij veel vrees voor Ezau.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.

Maandag — 17 augustus

2. In eenzaamheid met de Verlosser

A. Welk verstandig, tactvol plan besloot Jakob uit te voeren?

Genesis 32:13-21.

Genesis 32:13: En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder; Genesis 32:14: Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen; Genesis 32:15: Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. Genesis 32:16: En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde. Genesis 32:17: En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht? Genesis 32:18: Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons! Genesis 32:19: En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult. Genesis 32:20: En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. Genesis 32:21: Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hijzelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.

“Jakob stopte op zijn reis om weloverwogen plannen te maken om de toorn van zijn broer te bedaren. Hij wilde zich niet roekeloos in gevaar begeven, maar stuurde Ezau door middel van zijn dienaren grote geschenken, om met een goed overwogen boodschap een gunstige indruk te maken. Hij stuurde zijn vrouwen en kinderen, met al zijn bezittingen, op reis, terwijl hij zelf achterbleef. Hij dacht, dat de aanblik van dat hulpeloze kleine gezelschap de gevoelens van Ezau zou raken, die, hoewel stoutmoedig en wraakzuchtig, toch zielig en teder was tegenover de zwakke en onbeschermde. Als zijn oog eerst op Jakob gericht was, zou zijn woede opgewonden kunnen zijn en zouden zij allemaal omkomen.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.

B. Leg de prioriteit van Jakob op dit moment uit.

Genesis 32:22-24

Genesis 32:22: En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok. Genesis 32:23: En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had. Genesis 32:24: Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.

(eerste gedeelte).

“Jakob wilde alleen zijn met zijn God. Het was middernacht. Alles, wat hem het leven dierbaar maakte, was op een afstand, blootgesteld aan gevaar en dood. De bitterste druppel in zijn beker van angst was de gedachte, dat zijn eigen zonde dit grote gevaar had gebracht op zijn vrouwen en kinderen, die onschuldig waren aan de zonde, waaraan hij schuldig was. Hij had besloten de nacht in vernedering en gebed door te brengen. God kon het hart van zijn broer verzachten. God was zijn enige toevlucht en kracht. Op een verlaten plek, onveilig gemaakt door rovers en moordenaars, boog hij diep in nood op de aarde; zijn ziel was verscheurd van angst, en met ernstige kreten vermengd met tranen bad hij voor God.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.

C. Hoe moest Jakobs vurige gebed een voorbeeld zijn voor toekomstige generaties?

Psalm 46:1-4,

Psalmen 46:1: Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. Psalmen 46:2: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden. Psalmen 46:3: Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen; Psalmen 46:4: Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.

Psalmen 46:8.

Psalmen 46:8: De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.

“Jakob overwon, omdat hij volhardend en vastberaden was. Zijn leven getuigt van de kracht van aanhoudend gebed. Het is nu, dat we deze les van het zegevierend gebed, van onverzettelijk geloof, moeten leren.” –Colporteur Ministry, blz. 81.

Dinsdag — 18 augustus

3. De nacht van worstelen

A. Wat gebeurde er plotseling, toen Jakob bad, en waarom is het belangrijk voor ons?

Genesis 32:24-26.

Genesis 32:24: Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. Genesis 32:25: En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. Genesis 32:26: En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.

“Er worden plotseling sterke handen op zijn (Jakobs) schouders gelegd. Hij grijpt zijn aanvaller onmiddellijk vast, want hij is van mening dat deze aanval een aanslag op zijn leven is; dat hij in handen is van een overvaller of moordenaar. De strijd is hevig; geen van beiden spreekt een woord uit; maar Jakob zet al zijn kracht in en laat zijn inspanningen geen moment verslappen. Zo duurde de strijd tot de dageraad, toen de vreemdeling zijn vinger op Jakobs heup legde en hij onmiddellijk kreupel werd. De patriarch onderscheidt nu het karakter van zijn tegenstander. Hij weet, dat hij lichamelijk gestreden heeft met een hemelse boodschapper, en daarom hebben zijn bijna bovenmenselijke inspanningen hem niet de overwinning bezorgd. Hij is nu gehandicapt en lijdt felle pijn, maar hij zal zijn greep niet losmaken. Hij valt, een overwonnen vijand, berouwvol en gebroken, op de nek van de engel.

In de geïnspireerde geschiedenis van deze gebeurtenis wordt degene, die met Jakob worstelde, een man genoemd; Hoséa noemt hem de Engel (Hoséa 12:5); terwijl Jakob zei: ‘Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht.’ Hij zou ook macht bij God hebben gehad. Het was de Majesteit des Hemels, de Engel van het verbond, die in de gedaante van een man naar Jakob kwam. De goddelijke boodschapper gebruikt enige kracht om Zichzelf uit de greep van Jakob te bevrijden; Hij smeekt hem: ‘Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan.’ Maar Jakob had de beloften van God bepleit; hij had vertrouwd op Zijn beloofde woord, dat even zeker en onfeilbaar is als Zijn troon; en nu kan deze zondige, dwalende sterveling door vernedering, berouw en overgave een overeenkomst sluiten met Jezus Christus: ‘Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.’ Wat wordt hier vrijmoedigheid getoond! Wat een verheven geloof, wat een volharding en een heilig vertrouwen! Was deze veronderstelling een onbehoorlijke vrijpostigheid van de kant van Jakob? Als het van dit karakter was geweest, zou hij de scène niet hebben overleefd. Het was geen zelfverheven, opschepperige, aanmatigende eis, maar de zekerheid van iemand, die zijn zwakheid en onwaardigheid realiseert en het vermogen van God om Zijn belofte te vervullen.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.

B. Hoe vraagt Jezus ons om te volharden in gebed, zoals Jakob deed?

Lukas 18:1-8.

Lukas 18:1: En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Lukas 18:2: Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag. Lukas 18:3: En er was een zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij. Lukas 18:4: En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie; Lukas 18:5: Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. Lukas 18:6: En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Lukas 18:7: Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Lukas 18:8: Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

Woensdag — 19 augustus

4. De genade van de Almachtige

A. Waarom zou de machtige Engel des Verbonds niet overwinnen over een mens?

Job 23:6;

Job 23:6: Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.

Lukas 11:13.

Lukas 11:13: Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?

“’En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht’ (Genesis 32:25), de Majesteit des Hemels overwon niet een man van stof, een zondige sterveling! De reden is, dat de man de bevende hand van het geloof aan de belofte van God heeft vastgemaakt, en de goddelijke boodschapper kan hem, die berouwvol, huilend, hulpeloos aan Zijn nek hangt, niet in de steek laten. Zijn grote hart van liefde kan zich niet van de smekeling afwenden zonder aan zijn verzoek te voldoen. Christus wilde hem niet ongezegend achterlaten, toen zijn ziel in wanhoop gehuld was.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.

“Jakob had bevend beslag gelegd op Gods beloften, en het hart vol oneindige liefde kon geen weerstand bieden aan de smeekbede van de zondaar.” –Patriarchen en Profeten, blz. 168.

B. Leg het resultaat van Jakobs strijd uit en waarom zijn naam werd veranderd.

Genesis 32:27-32.

Genesis 32:27: En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Genesis 32:28: Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. Genesis 32:29: En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. Genesis 32:30: En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Genesis 32:31: En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup. Genesis 32:32: Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.

“De fout, die had geleid tot Jakob zijn zonde in het verkrijgen van het eerstgeboorterecht door bedrog, was nu open voor hem. Hij had God en Zijn beloften niet vertrouwd, zoals hij had moeten doen. Hij was ongeduldig geworden en had door zijn eigen pogingen getracht datgene te bewerkstelligen, dat God in Zijn eigen tijd en manier in staat was te vervullen.

De engel vroeg Jakob: ‘Hoe is uw naam?’ En toen Jakob antwoordde, zei Hij: ‘Uw naam zal voortaan niet Jakob (verdringer) heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht’ (Genesis 32:28). Jakob ontving de zegening, waarnaar zijn ziel had verlangd; zijn zonde als een verdringer en misleider was vergeven. De crisis in zijn leven was voorbij. God laat in Zijn omgang met Jakob zien, dat Hij niet de minste fout bij een van Zijn kinderen zal goedkeuren; evenmin zal Hij verwerpen en overlaten aan wanhoop en vernietiging degenen, die misleid en verleid en verraden zijn tot zonde. Twijfel, verbijstering en wroeging hadden Jakobs leven verbitterd; maar nu was alles veranderd, en hoe zoet was de rust en vrede in God, in de zekerheid van Zijn herstelde gunst.” –Historical Sketches, blz. 131-132.

Donderdag — 20 augustus

5. De opdracht van de andere engel

A. Wat gebeurde er, toen Jakob en Ezau elkaar ontmoetten, en waarom?

Genesis 33:1-4.

Genesis 33:1: En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden. Genesis 33:2: En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste. Genesis 33:3: En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam. Genesis 33:4: Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.

“Terwijl Jakob op die veelbewogen nacht met de engel worstelde, werd een andere engel, een van de schare, die de patriarch hem onderweg had zien bewaken, gestuurd om tijdens zijn slaap het hart van Ezau te bewegen. In zijn droom zag hij zijn broer, al twintig jaar verbannen uit het huis van zijn vader uit angst voor zijn woede; hij was getuige van zijn verdriet om zijn moeder dood te vinden; en hij zag hem omsingeld met de legerschare van God. Ezau vertelde deze droom aan zijn vierhonderd gewapende mannen en droeg hen op Jakob niet te verwonden, want de God van zijn vader was met hem...

Gesteund door zijn staf ging de patriarch voorwaarts om die groep krijgers te ontmoeten, waarbij hij zich herhaaldelijk diep boog als teken van respect, terwijl zijn kleine gevolg met grote bezorgdheid op de kwestie wachtte. Ze zagen, hoe de armen van Ezau om de nek van Jakob werden geslagen en hem, die hij zo lang met de meest grimmige wraak had bedreigd, aan zijn borst drukte. Wraak is nu veranderd in tedere genegenheid en hij, die eens naar het bloed van zijn broer dorstte, vergoot tranen van vreugde, zijn hart smolt met de zachtste uitingen van liefde en tederheid. Het leger van de soldaten van Ezau zag het gevolg van die nacht van huilen en gebed, maar ze wisten niets van de strijd en de overwinning. Ze begrepen de gevoelens van de patriarch, de echtgenoot en vader, voor zijn gezin en zijn bezittingen; maar ze konden niet zien de verbinding, die hij met God had, die het hart van Ezau had verkregen van Hem, die alle harten in Zijn hand heeft.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.

B. Hoe eindigde de ontmoeting?

Genesis 33:10-11,

Genesis 33:10: Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt. Genesis 33:11: Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.

Genesis 33:15-17.

Genesis 33:15: En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen! Genesis 33:16: Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe. Genesis 33:17: Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.

Vrijdag — 21 augustus

Terugblik

1. Welke tekenen van Gods gunst moet ik me, net als Jakob, herinneren wanneer ik in een crisis ben?

2. Hoe bereidde Jakob zich voor, naast het brengen van geschenken, om zijn broer te ontmoeten?

3. Hoe kan mijn gebedsleven meer op dat van Jakob lijken?

4. Leg de geestelijke gevolgen van Jakobs nacht van worstelen uit.

5. Welke mogelijkheid hebben engelen om het hart van iemand die ik ken te veranderen?