Lessen uit het leven van Jakob — Sabbat, 8 augustus 2020

Les 6: Het kwaad van begeren

Tekst om te onthouden

“Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid”

Psalm 119:36

“Wat we moeten leren, is in alle getrouwheid het beste gebruik te maken van de talenten en kansen, die we hebben, en tevreden te zijn met het lot, ons door de Heiland opgelegd.” –Karaktervorming, blz. 116.

Aanvullende studie:: -Het Bijbels Gezin, blz. 209-212.

Zondag — 2 augustus

1. De benarde toestand van Lea

A. Hoewel God ernaar streefde het leven van Lea op te vrolijken, welke woorden van haar tonen desalniettemin de pijn van rivaliteit in het gezin?

Genesis 29:31-34.

Genesis 29:31: Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. Genesis 29:32: En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. Genesis 29:33: En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon. Genesis 29:34: En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.

“Maar de zelfzuchtige en gierige Laban, die zulk een waardevolle helper graag wilde vasthouden, bedroog Jakob op wrede wijze door Lea te geven in plaats van Rachel. Het feit, dat Lea meewerkte aan dit bedrag, was oorzaak, dat Jakob niet van haar kon houden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 159.

B. Wat kunnen wij leren van een moment, wanneer Lea een dieper geloof en vertrouwen uitte, zonder een begeleidende klacht erbij?

Genesis 29:35.

Genesis 29:35: En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

“Ons gesprek moet heilig en zonder morren zijn.” –The Review and Herald, 7 mei 1889.

“Prijs de Heer te allen tijde. Kijk naar de zonnige kant van de omstandigheden, niet naar de donkere zijde. Wees waakzaam en bid, en de Heer zal u zegenen, leiden en versterken.” –This Day With God, blz. 234.

Maandag — 3 augustus

2. Teleurstelling en dwaasheid

A. Waarom begeerde Rachel, in plaats van te rusten in de voorkeursbehandeling van haar man, de zegeningen, die God haar zuster had geschonken?

Genesis 30:1;

Genesis 30:1: Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.

Spreuken 30:15-16.

Spreuken 30:15: De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg! Spreuken 30:16: Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!

B. Waarom was dit een onaangename bron van moeilijkheden voor Jakob?

Genesis 30:2.

Genesis 30:2: Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?

C. Welke plannen stelde Rachel wanhopig in werking om met haar rivaal te kunnen wedijveren, waardoor de huwelijksrelatie verder werd aangetast?

Genesis 30:3-8.

Genesis 30:3: En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieen bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. Genesis 30:4: Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in. Genesis 30:5: En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. Genesis 30:6: Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan. Genesis 30:7: En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon. Genesis 30:8: Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.

D. Hoe verhevigde Lea de strijd nog meer?

Genesis 30:9-13.

Genesis 30:9: Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. Genesis 30:10: En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon. Genesis 30:11: Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad. Genesis 30:12: Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon. Genesis 30:13: Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser.

E. Wat bleef het gezinsleven van de familie plagen?

Genesis 30:14-20.

Genesis 30:14: En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. Genesis 30:15: En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. Genesis 30:16: Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar. Genesis 30:17: En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon. Genesis 30:18: Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar. Genesis 30:19: En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon. Genesis 30:20: En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.

F. Hoe toonde God te midden van de chaos genade aan Rachel?

Genesis 30:22-24.

Genesis 30:22: God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder. Genesis 30:23: En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen! Genesis 30:24: En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.

G. Maar wat was in het algemeen de oorzaak van heel dit conflict en hoe werd iedereen in het huishouden onvermijdelijk getroffen?

Spreuken 13:10;

Spreuken 13:10: Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

Spreuken 27:4;

Spreuken 27:4: Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?

Jakobus 3:16.

Jakobus 3:16: Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.

“Door ruzie over onbelangrijke dingen ontstaat een geest van bitterheid. Open meningsverschillen en twist brengen een onbeschrijflijke ellende in huis. Mensen, die door liefdesbanden verenigd zouden moeten zijn, worden uit elkaar gedreven.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 429.

Dinsdag — 4 augustus

3. Tijd om weg te gaan

A. Nadat Jakob voor Laban 20 jaar ijverig dienstbetoon had verricht, welk gesprek hadden die twee toen eindelijk?

Genesis 30:25-30.

Genesis 30:25: En het geschiedde, Als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. Genesis 30:26: Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, die ik u gediend heb. Genesis 30:27: Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft. Genesis 30:28: Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal. Genesis 30:29: Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is. Genesis 30:30: Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?

B. Wat werd er afgesproken over het loon van Jakob?

Genesis 30:31-34.

Genesis 30:31: En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren. Genesis 30:32: Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn. Genesis 30:33: Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij getuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. Genesis 30:34: Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!

C. Leg Jakobs volgende stappen uit en hoe zij werden gezegend.

Genesis 30:35-43.

Genesis 30:35: En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen. Genesis 30:36: En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban. Genesis 30:37: Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanjen; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was. Genesis 30:38: En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. Genesis 30:39: Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. Genesis 30:40: Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban. Genesis 30:41: En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. Genesis 30:42: Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen. Genesis 30:43: En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.

D. Hoe toonde het jaloerse, prestatiegerichte karakter van het gezin van Laban, dat het tijd was voor Jakob om weg te gaan van zijn schoonvader?

Genesis 31:1-5.

Genesis 31:1: Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt. Genesis 31:2: Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren. Genesis 31:3: En de HEERE zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn. Genesis 31:4: Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde; Genesis 31:5: En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.

E. Wat legde Jakob aan zijn vrouwen uit over het leven, dat hij als herder over Labans kudden had geleefd?

Genesis 31:6-7.

Genesis 31:6: En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb. Genesis 31:7: Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.

“Jakob bleef gedurende twintig jaar in Mesopotamië. Al die tijd diende hij Laban, die er steeds op uit was zichzelf te bevoordelen, zonder rekening te houden met de bloedverwantschap. Veertien jaar dienst eiste hij voor zijn beide dochters en de resterende zes jaar werd het loon van Jakob keer op keer veranderd. Toch bleef Jakob trouw en ijverig in zijn werk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 160.

F. Waarom stemden de zusters er gemakkelijk mee in de atmosfeer te verlaten, waar zij waren opgegroeid, en hoe worden wij op dezelfde wijze aangemoedigd om gretig te ontsnappen aan een hebzuchtige omgeving?

Genesis 31:14-16;

Genesis 31:14: Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis onzes vaders? Genesis 31:15: Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd. Genesis 31:16: Want al de rijkdom, welke God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.

Psalm 119:36.

Psalmen 119:36: Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.

Woensdag — 5 augustus

4. Zorgen voor de kudde

A. Beschrijf het leven van de getrouwe herder.

Lukas 15:4.

Lukas 15:4: Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde?

“De herder was verplicht dag en nacht te waken over zijn kudde. Deze stond bloot aan de gevaren van rovers en van wilde dieren, die vrij veel voorkwamen en dikwijls grote schade toebrachten aan een kudde, waarvoor niet goed werd gezorgd. Jakob had heel wat helpers om te zorgen voor de talrijke kudden van Laban, maar hij was verantwoordelijk voor al deze kudden. Bepaalde tijden van het jaar moest hij persoonlijk bij de kudden aanwezig zijn, om ze in het droge jaargetijde te behoeden tegen dorst, en gedurende de koude maanden tegen de kilheid van de nachten. Jakob was de voornaamste herder; zijn bedienden waren de onderherders. Als er een schaap werd gemist, leed de opperherder het verlies. Hij eiste van zijn dienstknechten, dat ze zo goed mogelijk zorgden voor de kudden, die aan hun zorg waren toevertrouwd, terwijl hij van hen verantwoording eiste, als de kudden niet in goede staat verkeerden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 160.

B. Waarom spreekt de Schrift veel over schapen hoeden?

Johannes 10:11-15;

Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Johannes 10:12: Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen. Johannes 10:13: En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. Johannes 10:14: Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Johannes 10:15: Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.

Ezechiël 34:16,

Ezechiël 34:16: Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.

Ezechiël 34:22.

Ezechiël 34:22: Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.

“Het ijverige en zorgelijke leven van de herder, zijn zorg en medegevoel voor de hulpeloze dieren, die aan zijn hoede waren toevertrouwd, is door de geïnspireerde schrijvers gebruikt om enkele van de belangrijkste waarheden van het evangelie te verduidelijken. In zijn verhouding tot Zijn volk wordt Christus vergeleken met een herder. Na de zondeval zag Hij, hoe Zijn schapen gedoemd waren om te komen in de duisternis van de zonde. Om deze afgedwaalden te redden verliet Hij de eer en de heerlijkheid van het huis van Zijn Vader… Zijn zorg voor de kudde blijft dezelfde. Hij sterkt de zwakken, verlicht de lijdenden, neemt de lammeren in zijn armen en draagt ze aan zijn boezem. Zijn schapen hebben hem lief…

Christus heeft, als de overste Herder, de zorg over Zijn kudde toevertrouwd aan Zijn dienstknechten als onderherders; en Hij wenst, dat ze dezelfde belangstelling tonen, die Hij heeft geopenbaard; dat ze dezelfde verantwoordelijkheid beseffen voor de taak, die hun is toevertrouwd door Hem. Hij heeft hen ernstig bevolen getrouw te zijn, de kudde te voeden, de zwakken te sterken, de vermoeiden op te beuren en hen te beschermen tegen verscheurende wolven.

Om Zijn schapen te redden legde Christus Zijn leven af. Hij wijst Zijn onderherders op deze liefde, om dit voorbeeld na te volgen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 160-162.

Donderdag — 6 augustus

5. De noodzaak om God te vertrouwen

A. Waarom had Jakob de begerige Laban niet eerder verlaten, en wat was de echte beslissende factor, die hem er uiteindelijk toe bracht weg te gaan?

Genesis 31:10-13.

Genesis 31:10: En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig. Genesis 31:11: En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik! Genesis 31:12: En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet. Genesis 31:13: Ik ben die God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.

“Als Jakob niet bevreesd was geweest Esau te ontmoeten, was hij reeds veel eerder vertrokken. Nu echter voelde hij zich in gevaar door de zonen van Laban, die, afgunstig op zijn rijkdom, zouden kunnen trachten deze met geweld hem afhandig te maken. Hij geraakte in grote zorg en wist niet, wat hij moest doen. Maar gedachtig aan Gods belofte in Betel, legde hij de zaak aan God voor en vroeg Hem om raad. In een droom kreeg hij antwoord op zijn gebed: ‘Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en Ik zal met u zijn’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 163-164.

B. Wat toont een ernstig geestelijk gebrek in het karakter van de geliefde Rachel bij het inpakken om te vertrekken, en hoe is dit een waarschuwing voor ons?

Genesis 31:17-19.

Genesis 31:17: Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kemelen. Genesis 31:18: En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn have, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan-Aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaan. Genesis 31:19: Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.

“Het moderne Israël staat in een groter gevaar God te vergeten en tot afgoderij te worden geleid dan Zijn volk uit de oudheid was. Veel afgoden worden aanbeden, zelfs door belijdende Sabbathouders. God droeg vooral Zijn volk in de oudheid op zich te hoeden voor afgoderij, want als zij zouden worden afgeleid van het dienen van de levende God, zou Zijn vloek op hen rusten…

Een zegen of een vloek is nu voor het volk van God, een zegen als ze uit de wereld komen en zich afscheiden en het pad van nederige gehoorzaamheid bewandelen; en een vloek als zij zich verenigen met de afgodendienaars, die de hoge eisen van de hemel met voeten treden.” –Testimonies 1, blz. 609.

Vrijdag — 7 augustus

Terugblik

1. Hoe lijken wij te vaak op Rachel en Lea in onze kijk op het leven?

2. Welke prenatale invloeden hebben waarschijnlijk meegespeeld bij de zonen van Jakob vóór de geboorte?

3. Waarom was het een goed idee voor Jakob om bij Laban weg te gaan?

4. Hoe kan ik de eigenschappen van een herder uitdragen tegenover hen, die mij omringen?

5. Hoe heeft God in moeilijke tijden Zijn zorg voor mij getoond, net als bij Jakob?