Lessen uit het leven van Jakob — Sabbat, 19 september 2020

Les 12: Het resultaat van volhardend gebed

Tekst om te onthouden

“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen”

Psalm 103:13

“Aardse ouders kunnen niet zó geduldig zijn met de fouten en gebreken van hun kinderen, als God is met hen, die Hij wil redden.” –Schreden naar Christus, blz. 43.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 192-208.

Zondag — 13 september

1. Een tijd van rouwen

A. Beschrijf de diepte van Jakobs verdriet, toen hij dacht, dat Jozef dood was, en de indruk die dit maakte op zijn schuldige zonen.

Genesis 37:33-35.

Genesis 37:33: En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd! Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. Genesis 37:35: En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.

“Met angstige voorgevoelens hadden ze (Jakobs zonen) naar dit moment uitgezien, maar ze waren niet voorbereid op de hartverscheurende droefheid, de uitingen van smart, waarvan ze getuige waren. ‘Het is het kleed van mijn zoon’, zei Jakob; ‘een wild dier heeft hem verslonden; Jozef is stellig verscheurd’. Tevergeefs trachten zijn zonen en dochters hem te troosten. Hij scheurde zijn klederen en deed een rouwgewaad om zijn heupen en treurde lange tijd over zijn zoon. De tijd scheen zijn verdriet niet te verzachten. ‘Rouw dragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen’, was zijn wanhopige kreet. De mannen, ontzet over hetgeen ze gedaan hadden en bang voor de verwijten van hun vader, verborgen hun schuldbesef, die zelfs in hun eigen ogen zeer groot scheen, in hun hart.” –Patriarchen en Profeten, blz. 181.

B. Wat moet verdriet in ons ontwikkelen?

Jakobus 1:3-4.

Jakobus 1:3: Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Jakobus 1:4: Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.

“God staat toe, dat wij onder omstandigheden worden geplaatst, die ons zullen beproeven, om onze liefde toe te nemen en om ons vertrouwen in Hem te vervolmaken… Beproevingen zullen komen, maar zij zijn een bewijs, dat wij kinderen van God zijn.” –Gospel Workers, blz. 441 (1892).

Maandag — 14 september

2. Groeien in genade

A. Hoe was Jakobs karakter gegroeid sinds zijn kwellende nacht in gebed voor zichzelf en zijn gezin te Bethel?

Psalm 92:13-16.

Psalmen 92:13: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon. Psalmen 92:14: Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. Psalmen 92:15: In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, [ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]

“Jakob had de erfenis des geloofs gekozen. Hij had getracht deze te verkrijgen door sluwheid, door verraad en bedrog; maar God had toegelaten, dat zijn zonde haar vruchten droeg. Toch had Jakob in zijn latere leven nooit zijn doel uit het oog verloren of zijn keus losgelaten, ondanks de bittere ervaringen, die zijn deel waren. Hij had begrepen, dat hij tegen God had gestreden, toen hij zijn toevlucht nam tot menselijk vernuft en sluwheid. Na de nacht van worsteling bij de Jabbok was Jakob een ander mens geworden. Zijn zelfvertrouwen was aan het wankelen gebracht. Van nu af ontdekte men bij hem niets meer van de vroegere sluwheid. In plaats van list en bedrog werd zijn leven gekenmerkt door eenvoud en waarheid. Hij had geleerd te vertrouwen op de Almachtige arm, en te midden van verdrukking en beproeving boog hij ootmoedig voor de wil van God. De minderwaardige elementen van zijn natuur werden verteerd in de oven der beproeving; het zuivere goud werd verfijnd, tot het geloof van Abraham en Isaak duidelijk zichtbaar was in Jakob.” –Patriarchen en Profeten, blz. 177.

B. Welke erfenis van Jakob heeft God bestemd voor onze gezinnen?

Jesaja 8:16-18;

Jesaja 8:16: Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. Jesaja 8:17: Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten. Jesaja 8:18: Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.

Deuteronomium 29:29.

Deuteronomium 29:29: De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.

“De vader is in zekere zin de priester van het gezin, die ‘s morgens en ’s avonds op het altaar van God het offer brengt, terwijl de vrouw en de kinderen in gebed en lofprijzing zich verenigen. Bij zo’n gezin zal Jezus vertoeven, en door Zijn verkwikkende invloed zullen de vreugdevolle uitroepen van de ouders gehoord worden te midden van meer verheven scènes, zeggende: “Zie, ik en de kinderen, die de Heer mij heeft gegeven”. Gered, gered, eeuwig gered! Bevrijd van de verdorvenheid, die in de wereld is door begeerte, en door de verdiensten van Christus erfgenamen van onsterfelijkheid gemaakt! Ik zag, dat maar weinig vaders hun verantwoordelijkheid beseffen. Zij hebben niet geleerd zichzelf te beheersen, en totdat deze les is geleerd, zullen zij slecht weinig werk leveren bij het besturen van hun kinderen. Volmaakte zelfbeheersing zal handelen als een bekoorlijke eigenschap op het gezin. Wanneer dit is bereikt, is een grote overwinning behaald. Dan kunnen zij hun kinderen leren zichzelf te beheersen.” –Testimonies 1, blz. 547.

Dinsdag — 15 september

3. Het zwakke geloof van het gezin

A. Wat toonde de verandering in hun houding, toen Jakobs zonen voor de leider van Egypte stond (die, buiten hun medeweten, eigenlijk Jozef was)?

Genesis 42:21.

Genesis 42:21: Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.

“Tijdens de jaren, waarin Jozef van zijn broers gescheiden was geweest, was het karakter van de zonen van Jakob veranderd. Ze waren afgunstig, gewelddadig, bedrieglijk, wreed en wraaklustig geweest, maar nu door tegenspoed op de proef gesteld, bleek dat ze onzelfzuchtig, trouw aan elkaar en toegewijd aan hun vader waren geworden; hoewel ze mannen waren van middelbare leeftijd, erkenden ze zijn gezag.” –Patriarchen en Profeten, blz. 193.

“Hij (Jozef) had bij zijn broers de vruchten van oprechte bekering gezien.” –Patriarchen en Profeten, blz. 198.

B. Waar werd de volhardende patriarch uiteindelijk naartoe geroepen, na zoveel jaren van beproeving in het leven van Jakob en zijn kinderen?

Genesis 45:9,

Genesis 45:9: Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.

Genesis 45:25-28.

Genesis 45:25: En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaan tot hun vader Jakob. Genesis 45:26: Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. Genesis 45:27: Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig. Genesis 45:28: En Israel zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!

C. Hoe alleen wist Jakob zeker, dat dit een stap was, die hij moest zetten, en waarom regelde de Heer het?

Genesis 46:1-5;

Genesis 46:1: En Israel verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak. Genesis 46:2: En God sprak tot Israel in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik! Genesis 46:3: En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. Genesis 46:4: Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. Genesis 46:5: Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israel voerden Jakob hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.

Psalm 103:13.

Psalmen 103:13: Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.

“De belofte was aan Abraham gegeven, dat zijn nageslacht talrijk zou zijn als de sterren, maar tot dusver was het uitverkoren volk slechts langzaam gegroeid. En het land Kanaän bood op dat moment geen plaats voor de ontwikkeling van een volk, zoals dat voorzegd was. Het was in het bezit van machtige heidense volken, die pas in ‘het vierde geslacht’ verdreven zouden worden… En als ze zich met de Kanaänieten zouden vermengen, zou het gevaar bestaan, dat ze tot afgoderij zouden vervallen. Egypte bood echter de voorwaarden, die noodzakelijk waren om de goddelijke belofte in vervulling te doen gaan. Een deel van het land, waar overvloedig water en vruchtbare grond was, stond voor hen open en bood de gelegenheid voor een snelle groei. En de tegenzin, die ze in Egypte zouden ondervinden vanwege hun beroep, want elke herder was een gruwel voor de Egyptenaren, zou hen in staat stellen een apart en afgescheiden volk te blijven en zou verhinderen, dat ze deel hadden aan de afgoderij van Egypte.” –Patriarchen en Profeten, blz. 200.

Woensdag — 16 september

4. Gezegende momenten

A. Beschrijf de hereniging van Jakob en Jozef.

Genesis 46:28-30.

Genesis 46:28: En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen. Genesis 46:29: Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israel tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals. Genesis 46:30: En Israel zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!

“Bij het bereiken van Egypte trok het gezelschap rechtstreeks naar het land Gosen. Jozef kwam in zijn wagen daarheen, begeleid door een koninklijke stoet. De pracht van zijn omgeving en de waardigheid van zijn positie waren vergeten; slechts één gedachte vervulde hem, één verlangen doortrilde zijn hart. Toen hij de reizigers naderbij zag komen, kon hij de liefde, die zo lange jaren onderdrukt was, niet langer inhouden. Hij sprong van zijn wagen en haastte zich naar voren om zijn vader te begroeten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 200.

B. Vertel de ontmoeting tussen Jakob en de koning.

Genesis 47:7-10.

Genesis 47:7: En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao. Genesis 47:8: En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens! Genesis 47:9: En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen. Genesis 47:10: En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.

“De patriarch was een vreemdeling aan een koninklijk hof; maar te midden van de verhevenheid van de natuur had hij omgang gehad met een machtiger Vorst. En nu, zich ervan bewust, dat hij de meerdere was, hief hij zijn handen op en zegende Farao.” –Patriarchen en Profeten, blz. 201.

C. Wat was Jakobs ervaring in Egypte?

Genesis 47:27-28.

Genesis 47:27: Zo woonde Israel in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer. Genesis 47:28: En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.

“Bij zijn eerste begroeting van Jozef had Jakob zich geuit alsof hij, na deze blijde beëindiging van zijn lange onrust en smart, gereed was om te sterven. Maar het werd hem gegund nog zeventien jaar te leven in de vredige omgeving van Gosen. Deze jaren vormden een gelukkig contrast met de voorgaande jaren. In zijn zonen had hij blijken gezien van waarachtige bekering; hij zag zijn gezin omgeven door alle voorwaarden, die nodig waren om uit te groeien tot een grote natie. Zijn geloof legde beslag op de zekerheid van de belofte, dat ze zich in de toekomst in Kanaän zouden vestigen. Zelf was hij omringd met alle mogelijke blijken van liefde en gunst, die de eerste minister van Egypte hem kon betonen. Gelukkig nu weer te zijn bij zijn zoon, die zo lang verloren was geweest, bracht hij rustig en vredig de laatste dagen door, die hem nog scheidden van het graf.” –Patriarchen en Profeten, blz. 201.

D. Welk ernstig verzoek toonde, ondanks Jakobs prettige tijd in Egypte, hoe sterk zijn doel was om op Gods beloften te vertrouwen?

Genesis 47:29-31.

Genesis 47:29: Als nu de dagen van Israel naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; Genesis 47:30: Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord! Genesis 47:31: En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israel boog zich ten hoofde van het bed.

Donderdag — 17 september

5. Zich op de toekomst richten

A. Wat toont Jakobs profetisch inzicht aangaande de zonen van Jozef?

Hebreeën 11:21;

Hebreeën 11:21: Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.

Genesis 48:8-9,

Genesis 48:8: En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze? Genesis 48:9: En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!

Genesis 48:17-19.

Genesis 48:17: Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen. Genesis 48:18: En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. Genesis 48:19: Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.

B. Hoe zou deze profetie spoedig vervuld worden?

Numeri 1:33-35;

Numeri 1:33: Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd; Numeri 1:34: Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, Numeri 1:35: Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

Numeri 2:21,

Numeri 2:21: Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

Numeri 2:24;

Numeri 2:24: Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.

Deuteronomium 33:16-17.

Deuteronomium 33:16: En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen! Deuteronomium 33:17: Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraim, en dezen zijn de duizenden van Manasse!

C. Hoe moet het leven van Jakob en zijn zonen ons nu motiveren?

Romeinen 12:1-2.

Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Romeinen 12:2: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.

“De kracht van het kwaad in zijn (Jakobs) eigen natuur was gebroken, zijn karakter had een verandering ondergaan…

Toen Jakob een terugblik in zijn leven wierp, zag hij de steunende kracht Gods, ‘God, die mij als herder geleid heeft, mijn hele leven lang tot op deze dag; de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood’ (Genesis 48:15-16).

Dezelfde ervaring is te zien in de geschiedenis van Jakobs zonen, zonde, die vergelding verkreeg en berouw, dat vrucht der gerechtigheid ten leven voortbracht.

God doet Zijn wetten niet teniet. Hij werkt niet lijnrecht daartegen in. Hij maakt het werk der zonde niet ongedaan. Maar Hij brengt een verandering teweeg. Door Zijn genade wordt de vloek ten zegen.” –Karaktervorming, blz. 147-148.

Vrijdag — 18 september

Terugblik

1. Wat kan het echte doel zijn van de beproeving, die ik tegenwoordig het hoofd moet bieden?

2. Beschrijf Gods plan voor de hedendaagse vaders.

3. Waarom was Egypte een geschikte plaats voor Gods volk, maar slechts tijdelijk?

4. Wat moet ik leren van het standpunt van Jakob, hoewel kort in Egypte?

5. Hoe kunnen eigenzinnige gezinsleden veranderen, zoals die van Jakob deden?