“Derhalve zeide de Heere tot Mozes en tot Aäron: Omdat gij Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult gij deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb”
Numeri 20:12
“Om voor altijd bij de Israëlieten de gedachte weg te nemen, dat ze door een mens waren geleid, vond God het nodig, dat hun leider stierf, eer ze het land Kanaän konden binnengaan.” –Bijbelkommentaar, blz. 60.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 374-382.
A. Hoe werden de Israëlieten van water voorzien tijdens hun woestijnzwerftochten?
Psalm 105:41;
Jesaja 48:21.
“Uit de geslagen rotssteen te Horeb stroomde het eerste levende water, waarmee Israël in de woestijn zijn dorst leste. Tijdens al hun omzwervingen kregen ze door een wonder van goddelijke barmhartigheid water, als ze dit nodig hadden. Het water stroomde hen echter niet van Horeb af achterna. Wanneer ze tijdens hun reizen water nodig hadden, stroomde het uit de kloven in de rotsen bij hun legerplaats.” –Patriarchen en Profeten, blz. 374.
B. Wie was de bron van al hun tijdelijke en ook hun geestelijke zegeningen?
1 Korinthe 10:4.
“Hij (Christus) is de bron van alle macht, de gever van alle tijdelijke en geestelijke zegeningen. Hij gebruikt menselijke wezens als medewerkers, en geeft hun een deel om met Hem te handelen, als Zijn helpende hand. Wij moeten van Hem ontvangen, niet hamsteren voor eigen genoegen, maar om aan anderen uit te delen.” –The Review and Herald, 4 april 1907.
A. Welke geloofstest had het volk van God, toen zij weer in Kades kwamen, en wat was hun reactie?
Numeri 20:1-5.
“Kort voordat het leger der Hebreeën Kades bereikte, droogde de levende stroom op, die gedurende zovele jaren langs hun legerplaats gevloeid had. Het was Gods bedoeling Zijn volk opnieuw op de proef te stellen. Hij wilde weten of ze Zijn voorzienigheid vertrouwden of wel het ongeloof van hun vaderen navolgden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 376.
“Eer God hun toestand het land Kanaän binnen te gaan, moesten ze tonen, dat ze Zijn belofte geloofden. Het water droogde op, eer ze Edom bereikt hadden. Hier lag voor hen de kans om gedurende korte tijd te wandelen door geloof, en niet door aanschouwen. Maar de eerste beproeving openbaarde dezelfde opstandige, ondankbare geest, die hun vaderen hadden getoond. Zodra de roep om water in hun legerplaats werd vernomen, vergaten ze de hand, die in al die jaren in hun behoefte had voorzien, en in plaats van zich tot God te wenden om hulp, morden ze tegen Hem.” –Patriarchen en Profeten, blz. 377.
B. Wat deden Mozes en Aäron, toen zij de klachten van het volk hoorden?
Numeri 20:6.
C. Op wat werden Mozes en Aäron gewezen om aan de behoeften van het volk te voldoen?
Numeri 20:7-8.
Welke verkeerde gedachte, nog steeds gekoesterd door het volk, probeerde de Heer te verbeteren?
“Tijdens al hun zwerftochten waren de kinderen Israëls geneigd om aan Mozes het speciale werk van God toe te schrijven, alsook de machtige wonderen, die gedaan waren om hen te bevrijden van Egyptische slavernij. Ze beschuldigden Mozes, dat hij hen uit het land Egypte had geleid. Het was waar, dat God Zich op wonderbare wijze had geopenbaard. Hij had hem in het bijzonder begunstigd met Zijn tegenwoordigheid. Aan hem had God Zijn uitnemende heerlijkheid geopenbaard. Op de berg had Hij hem heel dicht in Zijn nabijheid gebracht en met hem gesproken, zoals een man spreekt met zijn vriend. Maar de Heere had telkens weer het bewijs gegeven, dat Hijzelf voor hun bevrijding werkte.” –Bijbelkommentaar, blz. 59.
A. Hoe onteerde Mozes God, toen hij de mensen toesprak?
Numeri 20:9-11.
“Door zijn overhaaste daad ontnam Mozes de kracht aan de les, die God het volk had willen leren. De rots, die een beeld was van Christus, was eenmaal geslagen, zoals Christus eenmaal opgeofferd zou worden. De tweede maal moest slechts tot de rots gesproken worden, evenals wij slechts om zegeningen behoeven te vragen in de naam van Jezus. Doordat de rots voor de tweede maal werd geslagen, ging dit prachtig beeld van Christus verloren.
Meer nog, Mozes en Aäron hadden zich macht aangematigd, waarop God alleen recht had. De noodzaak aan goddelijke tussenkomst maakte dit een bijzondere gebeurtenis, en de leiders van Israël hadden deze gebeurtenis moeten aanwenden om het volk te doordringen van eerbied voor God en om hun geloof in Zijn macht en goedheid te versterken. Toen ze boos uitriepen: ‘Zullen wij uit deze rots voor u water tevoorschijn doen komen?’ stelden ze zich op de plaats van God, alsof zij, zwakke en hartstochtelijke stervelingen, de macht bezaten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 378-379.
B. Welke straf brachten Mozes en Aäron over zichzelf? Waarom?
Numeri 20:12;
Deuteronomium 3:23-27.
“Bij deze gelegenheid sprak God geen oordeel uit over hen, die door hun goddeloze houding Mozes en Aäron tot toorn hadden verwekt. Alleen de leidslieden werden bestraft… Mozes en Aäron hadden zich beledigd gevoeld, en uit het oog verloren, dat het morren van het volk niet tegen hen, maar tegen God was gericht. Door op zichzelf te zien en medelijden te hebben met zichzelf, vielen ze ongemerkt in zonde, en lieten na om het volk hun grote schuld tegenover God voor ogen te houden.
Bitter en vernederend was het vonnis, dat onmiddellijk werd uitgesproken… Ze moesten met de opstandige Israëlieten sterven in plaats van de Jordaan over te steken…
Heel de vergadering was van de overtreding op de hoogte; en als deze door de vingers was gezien, zou de indruk zijn gevestigd, dat ongeloof en ongeduld onder moeilijke omstandigheden te verontschuldigen waren in mannen, die een verantwoordelijke plaats bekleedden. Maar toen bekendgemaakt werd, dat op grond van een enkele zonde Mozes en Aäron Kanaän niet mochten binnengaan, begreep het volk, dat God de persoon niet aanziet, en dat Hij voorzeker de overtreder zal straffen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 379-380.
A. Van wie was de geslagen rots een zinnebeeld, en waarom was het verkeerd om de rots opnieuw te slaan?
Jesaja 53:3-5.
“De geslagen rots was een beeld van Christus, en door dit beeld worden uiterst kostbare geestelijke lessen geleerd. Zoals het leven-gevende water vloeide uit de geslagen rots, stroomt uit Christus, de ‘door God geslagene’, ‘doorboord om onze overtredingen’, ‘om onze ongerechtigheden verbrijzeld’ (Jesaja 53:4-5), de stroom van zaligheid voor een verloren mensdom. Zoals de rots eenmaal geslagen was, zou ook Christus eenmaal geofferd worden ‘om veler zonden op Zich te nemen’ (Hebreeën 9:28). Onze Heiland zou geen tweede keer geofferd worden; en allen, die de zegeningen van Zijn genade zoeken, behoeven deze slechts te vragen in de naam van Jezus, terwijl ze het verlangen van hun hart uiten in een ootmoedig gebed. Zulk een bede herinnert de Here der heerscharen aan de wonden van Jezus, en opnieuw vloeit het leven-gevende bloed, zoals het werd afgebeeld door het vloeien van het levend water door Israël.” –Patriarchen en Profeten, blz. 374.
B. Bij welke gelegenheid en hoe werd het stromende water uit de rots herdacht door het Joodse volk in de dagen van Christus?
Johannes 7:37-39.
“Het ontspringen van het water aan de rots in de woestijn werd door de Israëlieten na hun vestiging in Kanaän herdacht onder groot vreugdebetoon. In de dagen van Christus was deze feestviering een indrukwekkende dienst geworden. Het vond plaats tijdens het Loofhuttenfeest, als het volk uit geheel het land bijeen was in Jeruzalem. Tijdens elk van de zeven dagen van het feest gingen de priesters, vergezeld door muziek en een koor van Levieten, water halen in een gouden kruik, uit de bron van Siloam. Ze werden gevolgd door een schare aanbidders, en zovelen bij het water konden komen, dronken eruit onder het gejuich: ‘Met vreugde zult gij water scheppen uit de bronnen des heils’ (Jesaja 12:3). Dan werd het water door de priesters naar de tempel gebracht onder het geklank der trompetten en het zingen van het lied: ‘Onze voeten staan in uw poorten, o Jeruzalem’ (Psalm 122:2). Het water werd uitgegoten op het brandofferaltaar, terwijl lofliederen weerklonken en de scharen instemden met het triomfantelijk koorgezang, begeleid door muziekinstrumenten en diep-klinkende trompetten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 374-375.
A. Welke les moeten wij leren van de fout van Mozes?
Psalm 106:33.
“Vanuit menselijk standpunt bezien beging Mozes geen ernstige misdaad; zijn zonde was een gewoon verschijnsel. De Psalmist zegt dat ‘hij onbezonnen sprak met zijn lippen’ (Psalm 106:33). Voor de mens mag dit onbetekenend schijnen; maar als God deze zonde zo streng bestrafte in Zijn meest getrouwe en geëerde dienstknecht, zal Hij dit in anderen niet door de vingers zien… Hoe belangrijker iemands positie is en hoe groter zijn invloed is, des te groter is de noodzaak, dat zo iemand geduld en nederigheid moet beoefenen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 381.
B. Welke waarschuwingen worden gerekend om ons te behoeden voor zelfverheffing?
Jakobus 4:6-7;
1 Korinthe 10:12.
“Hoe groot daarom ook het geestelijke licht van iemand mag zijn, hoezeer hij ook deelt in Gods gunst en zegen, hij moet steeds ootmoedig wandelen voor God, en in geloof smeken, dat God elke gedachte zal besturen en elke drijfveer zal beheersen…
Hoe groot de druk ook mag zijn op de ziel, overtreding is onze eigen daad. Geen macht op aarde kan iemand ertoe dwingen zonde te doen. Satan valt ons aan op onze zwakke punten, maar we behoeven ons niet te laten overweldigen. Hoe zwaar of onverwacht de aanvechting ook mag zijn, God heeft Zijn hulp beschikbaar gesteld, en in Zijn kracht kunnen we de overwinning behalen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 381-382.
1. Hoe voorzag God water voor de Israëlieten tijdens hun reis? Hoe voorziet Hij nu in onze behoeften?
2. Hoe reageerde het volk, toen God hun geloof op de proef stelde? Wat doe ik?
3. Waar lag de focus van Mozes en Aäron, toen zij faalden? Waar ligt mijn focus en wat zal het gevolg zijn?
4. Hoe werd de mooie les van de geslagen Rots vernietigd door Mozes?
5. Hoe kan ik bewaard blijven voor zelfverheffing?