Zwerftochten door de Woestijn, deel 2 — Sabbat, 2 mei 2020

Les 5: De Sinaï verlaten

Tekst om te onthouden

“En al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn”

1 Korintiërs 10:11

“Het herhaalde mopperen van de Israëlieten en de beproevingen van Gods toorn vanwege hun overtredingen, zijn opgeschreven in de heilige geschiedenis ten nutte van Gods volk, dat naderhand op aarde zal leven, maar meer in het bijzonder om een waarschuwing te zijn voor hen, die zullen leven dichtbij het einde van de tijd.” –The Story of Redemption, blz. 152.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 338-349.

Zondag — 26 april

1. Reizen door de woestijn

A. Waarom nodigde Mozes Hobab uit om het volk van Israël te vergezellen? Nam hij de uitnodiging aan?

Numeri 10:29-31;

Numeri 10:29: Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken. Numeri 10:30: Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan. Numeri 10:31: En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.

Richteren 1:16;

Richteren 1:16: De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.

Rechters 4:11.

Richteren 4:11: Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kain, uit de kinderen van Hobab, Mozes schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan den eik in Zaanaim, die bij Kedes is.

“De zwager van Mozes, Chohab, die de Israëlieten op hun woestijnreis had verzegeld, en door zijn kennis van het land voor hen van onschatbare ware was geweest, had tot deze stam (van de Kenieten) behoord.” –Patriarchen en Profeten, blz. 573.

B. Welke gebeden bood Mozes aan, toen de wolk zich verhief en de ark vooruit ging en toen hij weer rustte?

Numeri 10:35-36.

Numeri 10:35: Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden! Numeri 10:36: En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!

“God Zelf leidde de Israëlieten op al hun reizen. De plaats, waar ze zich moesten legeren, werd aangegeven, doordat de wolkkolom neerdaalde; en zolang ze in het legerkamp moesten blijven, rustte de wolk boven de tabernakel. Wanneer ze hun tocht moesten voortzetten, verhief de wolk zich hoog boven het heiligdom. Een plechtige oproep kenmerkte zowel de aankomst als het vertrek.” –Patriarchen en Profeten, blz. 340.

Maandag — 27 april

2. Opnieuw klagen

A. Door wat voor land reisde het volk Israël, nadat zij de Sinaï verlieten? Waarom?

Deuteronomium 8:15-16;

Deuteronomium 8:15: Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Deuteronomium 8:16: Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;

Jeremia 2:6.

Jeremia 2:6: En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?

“Bij het verder trekken werd de weg moeilijker. Hun weg voerde door steenachtige ravijnen en woeste vlakten. Rondom hen was een uitgestrekte woestijn, ‘een land van steppen en kuilen, een land van droogte en diepe duisternis, een land, waar niemand door trekt en geen mens woont’ (Jeremia 2:6). De rotsachtige passen waren over een grote afstand bedekt met mannen, vrouwen en kinderen, met vee en wagens en lange rijen kudden en herders. Vanzelfsprekend ging de stoet maar langzaam voorwaarts; ook waren de menigten na hun langdurige legering niet voorbereid op de gevaren en ongemakken van de weg.” –Patriarchen en Profeten, blz. 341.

B. Wat gebeurde er, toen de mensen begonnen te klagen over de ongemakken onderweg?

Numeri 11:1-3.

Numeri 11:1: En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers. Numeri 11:2: Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt. Numeri 11:3: Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.

“Na een tocht van drie dagen werden openlijke klachten vernomen. Deze vonden hun oorsprong bij de menigten van allerlei slag, waarvan velen het niet volledig eens waren met Israël, en die steeds uitzagen naar een reden om te klagen. Ze waren niet tevreden over de richting, die ze volgden, en steeds hadden ze kritiek op de weg, waarin Mozes hen leidde, hoewel ze heel goed wisten, dat hij evenals zij de wolk volgde, die hen voorging. Ontevredenheid is aanstekelijk, en spoedig verbreidde ze zich in heel het leger.” –Patriarchen en Profeten, blz. 341.

“Ze hadden groot licht ontvangen, toen ze de majesteit, de macht en de barmhartigheid van God hadden aangeschouwd; en hun ongeloof en ontevredenheid maakte hun schuld des te groter. Meer nog, ze hadden beloofd Jehova als hun Koning te aanvaarden en zich te onderwerpen aan Zijn gezag. Hun morren was nu opstand, en als zodanig moest het direct en duidelijk bestraft worden, zodat Israël gespaard zou blijven voor anarchie en ondergang. ’Het vuur des Heren ontbrandde onder hen en woedde aan de rand van de legerplaats’. De grootste schuldigen onder de klagers werden door de bliksem vanuit de wolk gedood.” –Patriarchen en Profeten, blz. 342-343.

Dinsdag — 28 april

3. Verlangen naar vlees

A. Waarover klaagden de Israëlieten vervolgens en tegen wie begon het gemopper?

Numeri 11:4-6;

Numeri 11:4: En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 11:5: Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook. Numeri 11:6: Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!

Psalm 78:18-20.

Psalmen 78:18: En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust. Psalmen 78:19: En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? Psalmen 78:20: Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?

“Gedurende hun dienstbaarheid in Egypte hadden de Israëlieten zich tevreden moeten stellen met het eenvoudigste voedsel; maar de eetlust, die veroorzaakt werd door ontberingen en harde arbeid, had het begeerlijk gemaakt. Velen van de Egyptenaren echter, die nu met hen waren, waren gewoon geweest aan overvloediger voedsel; en zij waren het, die het eerst begonnen te klagen. Kort voor hun aankomst bij de Sinaï had de Here hen, toen Hij hun het manna gaf, voorzien van vlees in antwoord op hun eisen; maar dat was slechts voor een enkele dag geweest.

God had hen evengoed van vlees als van manna kunnen voorzien, maar Hij legde hen voor hun bestwil een beperking op. Het was Zijn bedoeling, dat ze beter voedsel kregen dan het prikkelend dieet, waaraan velen zich in Egypte hadden gewend. Hun bedorven smaak moest in een gezondere leefwijze veranderen, opdat ze konden genieten van het voedsel, dat God oorspronkelijk voor de mens had bestemd, de vruchten der aarde, die God in het paradijs aan Adam en Eva gegeven had. Om deze reden was Israël in grote mate van dierlijk voedsel verstoken gebleven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 341.

“De geestesgesteldheid heeft veel te maken met de lichamelijke gezondheid, vooral met de gezondheid van de spijsverteringsorganen. Algemeen gezien gaf de Heere Zijn volk geen vleesvoedsel in de woestijn, omdat Hij wist, dat het gebruik van dit dieet ziekten en ongehoorzaamheid zouden doen toenemen. Om de gesteldheid te veranderen en de betere krachten van het verstand te activeren nam Hij het vlees van dode dieren van hen weg. Hij gaf hun het brood der engelen, het manna uit de hemel.” –Bijbelkommentaar, blz. 54.

B. Hoe werd hun vraag naar vleesvoedsel ingewilligd en wat waren de gevolgen?

Numeri 11:31-34;

Numeri 11:31: Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde. Numeri 11:32: Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger. Numeri 11:33: Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag. Numeri 11:34: Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.

Psalm 78:26-32.

Psalmen 78:26: Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte; Psalmen 78:27: En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen; Psalmen 78:28: En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen. Psalmen 78:29: Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht. Psalmen 78:30: Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond, Psalmen 78:31: Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde. Psalmen 78:32: Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

“God gaf het volk datgene, wat niet voor hun bestwil was, omdat ze aanhielden in het vragen ervan; ze waren niet tevreden met die dingen, die goed waren voor hen. Hun opstandige wensen werden bevredigd, maar ze moesten lijden onder de gevolgen. Ze aten zonder zich te beperken, en al spoedig kwam de straf op hun vraatzucht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 345.

Woensdag — 29 april

4. Een les voor ons

A. Welke voorafgaande waarschuwing negeerden de Israëlieten, omdat zij al gewend waren aan puur, eenvoudig voedsel?

Exodus 23:2 (eerste deel).

[Exod.23.2.a]

Wat moeten wij doen, als wij in de verleiding komen te morren en te klagen over Gods wegen?

Psalm 107:21-22;

Psalmen 107:21: Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen. Psalmen 107:22: En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.

Filippensen 4:6-7.

Filippenzen 4:6: Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; Filippenzen 4:7: En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus.

B. Welke andere les moeten wij leren van het opstandige gedrag van Israël in de woestijn?

1 Korinthe 10:5-6.

1 Korinthe 10:5: Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 1 Korinthe 10:6: En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.

“God had de Israëlieten uit Egypte geleid om hen te vestigen in het land Kanaän, als een rein, heilig en gelukkig volk. In de uitvoering van dit plan onderwierp Hij hen aan een bepaalde tucht, zowel voor hun eigen bestwil als voor het bestwil van hun nakomelingen. Als ze bereid waren geweest hun eetlust te beheersen, gehoorzaam aan Zijn wijze beperkingen, zouden zwakten en ziekten bij hen onbekend gebleven zijn. Hun nakomelingen zouden zowel lichamelijke als geestelijke kracht gehad hebben. Ze zouden een duidelijk begrip hebben gehad van waarheid en plicht, een helder onderscheidingsvermogen en een gezond oordeel. Maar hun onwil om zich te ontwerpen aan de beperkingen en eisen van God verhinderde hen voor een groot deel om de hoge maatstaf te bereiken, die God voor hen bedoelde, en ze misten de zegeningen, die Hij overvloedig wilde schenken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 342.

C. Wat moeten wij eerst doen om ervoor te zorgen, dat wij geen slechte dingen begeren?

Romeinen 13:14.

Romeinen 13:14: Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.

“Wij moeten vechten tegen de zonden, die oorlog voeren tegen de ziel. U kunt dit werk niet in uw eigen kracht doen, maar kom in geloof tot Jezus. Hij zal u helpen en versterken om kwade neigingen weg te doen, en zal u schikken in de ware schoonheid van Zijn karakter. Wij worden aangespoord om de Heer Jezus aan te doen. Eenvoudig geloof en gehoorzaamheid gaan hand in hand. Uw geloof zonder gehoorzaamheid aan Gods heilige wet is waardeloos, maar gehoorzaamheid aan God en geloof in het Grote aangeboden Offer, dat Zijn bloed voor u vergoten is, en u de gerechtigheid van Christus zult aannemen, zal u tot een overwinnaar maken. Stel uw vertrouwen in Jezus Christus en Hij zal u meer dan overwinnaar maken.” –The Youth’s Instructor, 18 augustus 1886.

Donderdag — 30 april

5. Het gif van afgunst

A. Wat gebeurde er in Hazeroth, waardoor de karakters van Aäron en Mirjam werden onthuld in tegenstelling tot dat van Mozes?

Numeri 12:1-9.

Numeri 12:1: Mirjam nu sprak, en Aaron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen. Numeri 12:2: En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het! Numeri 12:3: Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren. Numeri 12:4: Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes, en tot Aaron, en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der samenkomst! En zij drie kwamen uit. Numeri 12:5: Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aaron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit. Numeri 12:6: En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Numeri 12:7: Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is. Numeri 12:8: Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Numeri 12:9: Zo ontstak des HEEREN toorn tegen hen, en Hij ging weg.

“God had Mozes uitgekozen en zijn Geest op hem gelegd; en Mirjam en Aäron waren door hun morren schuldig aan ontrouw, niet alleen aan hun gekozen leider, maar ook aan God Zelf. De oproerige fluisteraars werden naar de tabernakel geroepen en voor Mozes gebracht… Hun aanspraak op de profetische gave werd niet geloochend; God had tot hen door middel van visioenen en dromen kunnen spreken. Maar Mozes, van wie de Here Zelf verklaarde, dat hij getrouw was in heel zijn huis, hij had een nauwer contact met God. Met hem sprak God van aangezicht tot aangezicht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 348.

B. Hoe toonde de Heer Zijn ongenoegen en hoe werd Mirjams straf verlicht, toen Mozes voor haar pleitte?

Numeri 12:10-16.

Numeri 12:10: En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats. Numeri 12:11: Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! Numeri 12:12: Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is! Numeri 12:13: Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God! heel haar toch! Numeri 12:14: En de HEERE zeide tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! Numeri 12:15: Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd. Numeri 12:16: Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.

“Afgunst is een van de meest satanische trekken, die in het menselijk hart kunnen opkomen en heeft uiterst nadelige gevolgen. De wijze man zegt: ‘Gramschap is wreed en toorn is overstelpend, maar wie zal voor jaloersheid bestaan?’ (Spreuken 27:4) …

Men moet kwaadspreken jegens anderen of oordelen over de drijfveren of daden van anderen niet licht achten…

We moeten hen eren, die door God geëerd worden. Het oordeel, waardoor Mirjam getroffen werd, moet een bestraffing zijn voor allen, die aan afgunst toegeven en die morren tegen hen, op wie God de last van Zijn werk heeft gelegd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 348-349.

Vrijdag — 1 mei

Terugblik

1. Hoe leidde God Zijn volk tijdens hun reizen? Hoe leidt Hij ons nu?

2. Waarom was het zo zondig voor de Israëlieten om te klagen over, hoe Mozes hen leidde?

3. Waarom wil God, dat wij nu een eenvoudig, vegetarisch dieet volgen?

4. Welke zegeningen komen voort uit het zelf-verloochenen van de eetlust?

5. Hoe zijn wij soms afgunstig op eenzelfde manier op Mirjam?

Eerste Sabbatgaven voor een Kapel in Mayiladuthurai, Tamil Nadu, India

Mayiladuthurai is een grote stad in het district Nagapattinam van Tamil Nadu in het zuidelijkste deel van India. Het is het hoofdkwartier van de Mayiladuthurai taluk (administratief district) Mayiladuthurai dient als een belangrijke kruising langs de hoofdlijn, die de stad Chennai verbindt met Tiruchirappalli (ook bekend als Trichy). Mayiladuthurai bevindt zich op een afstand van 281 kilometer van Chennai en 130 kilometer van Tiruchirappalli, in een gebied van 11,27km². Gelegen op een afstand van slechts 24 kilometer van de kust van de Baai van Bengalen, ligt de stad amper 10 meter boven het gemiddelde zeeniveau. De Kaveri Rivier stroomt erdoor en snijdt deze in tweeën, in Uttara Mayuram en de echte Mayuram. Landbouw wordt het meest beoefend in deze tropische regio, met ongeveer 15% van de totale werkende bevolking, die zich bezighoudt met handel en 25% met andere commerciële activiteiten.

Volgens de telling in 2011 had Mayiladuthurai een bevolking van ongeveer een miljoen. Hindoeïsme is de belangrijkste godsdienst in Mayiladuthurai en Tamil is de belangrijkste gesproken taal. Volgens de religieuze volkstelling van 2011 had Mayiladuthurai 88,69% hindoes, 6,38% moslims, 4,19% christenen, 0,04% Sikhs, 0,03% Boeddhisten, 0,32% Jains en 0,35% andere godsdiensten.

De eerste engelboodschap van Openbaring 14:6 heeft ‘het eeuwige evangelie, om te verkondigen aan hen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk.’ Om het werk van de Heer voort te zetten, om te schijnen als een licht voor dit hoofdzakelijk heidense gebied, hebben de broeders hier al een klein stuk land gekocht met onze eigen middelen. We bevorderen de vooruitgang van de belangrijke boodschap om het evangelie voorwaarts te brengen, het evangelie samen met medisch zendingswerk om te dienen als Gods helpende hand in het dienen van zielen, gekweld en in duisternis.

Gezien de dringende behoefte aan financiële middelen om dit project te voltooien, vragen wij ootmoedig in de liefde van Jezus Christus om hulp, zodat wij dit gemeentegebouw voor aanbidding en genezen van zieken kunnen bouwen. We vragen onze broeders en zusters om genereus te geven voor dit project. Moge de Heer u allen zegenen voor uw vriendelijke hulp.

Bij voorbaat bedanken wij u voor uw bijdragen.

Uw broeders en zusters uit Mayiladuthurai.