Zwerftochten door de Woestijn, deel 2 — Sabbat, 18 april 2020

Les 3: Het verbond hersteld

Tekst om te onthouden

“Verder zeide de Heere tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt”

Exodus 34:27

“Op Gods bevel had hij (Mozes) twee stenen tafelen klaargemaakt en ze mee naar de bergtop genomen; en opnieuw ‘schreef de Here op de tafelen de woorden van het verbond’, de tien geboden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 291.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 284-293.

Zondag — 12 april

1. Mozes breekt de stenen tafelen

A. Wat bracht Mozes met zich mee, toen hij van de berg afkwam, en hoe legden Jozua en Mozes elk het lawaai uit, dat zij in het kamp hoorden?

Exodus 32:17-18.

Exodus 32:17: Toen nu Jozua des volks stem hoorde, als het juichte, zo zeide hij tot Mozes: Er is een krijgsgeschrei in het leger. Exodus 32:18: Maar hij zeide: Het is geen stem des geroeps van overwinning, het is ook geen stem des geroeps van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte.

B. Beschrijf de reactie van Mozes op de afgoderij in het kamp en Aärons ijdele poging tot zelfrechtvaardiging.

Exodus 32:19-24.

Exodus 32:19: En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelve beneden aan den berg verbrak. Exodus 32:20: En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het den kinderen Israels drinken. Exodus 32:21: En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk een grote zonde over hetzelve gebracht hebt? Exodus 32:22: Toen zeide Aaron: De toorn mijns heren ontsteke niet! gij kent dit volk, dat het in den boze ligt. Exodus 32:23: Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij. Exodus 32:24: Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen.

“Toen Mozes bij zijn terugkeer in de legerplaats voor de opstandelingen stond, waren zijn verwijten en verontwaardiging, die hij openbaarde door de geheiligde tafelen der wet te breken voor de ogen van het volk in schrille tegenstelling met de aangename woorden en het waardige gedrag van zijn broer; hun sympathie ging dan ook uit naar Aäron. Om zich te rechtvaardigen had Aäron getracht het volk verantwoordelijk te stellen voor zijn zwakheid in het toegeven aan hun eisen; maar ondanks dit alles waren ze vol bewondering voor zijn zachtaardigheid en geduld. God ziet echter anders dan de mens. De meegaande geest van Aäron en zijn verlangen om het volk te behagen, hadden zijn ogen gesloten voor de grootte van de misdaad, die hij goedkeurde. Het feit, dat hij door zijn invloed in Israël de zonde goedkeurde, kostte aan duizenden mensen het leven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 286.

Maandag — 13 april

2. Oordeel over de overtreders

A. Hoe aanstootgevend was de houding van Aäron in de ogen van God?

Deuteronomium 9:20.

Deuteronomium 9:20: Ook vertoornde Zich de HEERE zeer tegen Aaron, om hem te verdelgen; doch ik bad ook ter zelver tijd voor Aaron.

“Als Aäron de moed had gehad om op te komen voor het recht, zonder rekening te houden met de gevolgen, had hij die afval kunnen tegengaan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 286.

B. Welke oproep deed Mozes, nadat hij zijn broer had berispt, en wat was het gevolg?

Exodus 32:26-29.

Exodus 32:26: Zo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi. Exodus 32:27: En hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste! Exodus 32:28: En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op dien dag, omtrent drie duizend man. Exodus 32:29: Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!

“Het was noodzakelijk om de zonde te bestraffen, als een getuigenis voor de omringende volken, dat God vertoornd was over afgodendienst. Door gerechtigheid te beoefenen jegens de schuldigen moest Mozes, als Gods werktuig, een verslag nalaten van een plechtig en openbaar protest tegen hun misdaad. Wanneer de Israëlieten later de afgoderij van de hen omringende stammen zouden veroordelen, zouden hun vijanden hun de beschuldiging voor de voeten gooien, dat het volk, dat Jehova als hun God erkende, een kalf had gemaakt en dit had aanbeden bij de Horeb. Dan kon Israël, hoewel ze gedwongen zouden zijn deze onaangename waarheid te erkennen, wijzen op het vreselijke lot van de overtreders, als bewijs dat hun zonde niet goedgekeurd of verontschuldigd kon worden.

Zowel liefde als gerechtigheid eisten, dat het oordeel op deze zonde zou volgen. God is de Bewaker van, maar ook de Heerser over Zijn volk. Hij verdelgt hen, die vasthouden aan hun opstand, zodat ze anderen niet naar de ondergang kunnen leiden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 287-288.

C. Wat maakte Mozes bekend aan hen, die spijt hadden van hun zonde, en hoe communiceerde hij later met God voor hen?

Exodus 32:30-35.

Exodus 32:30: En het geschiedde des anderen daags, dat Mozes tot het volk zeide: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde. Exodus 32:31: Zo keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. Exodus 32:32: Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt. Exodus 32:33: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt. Exodus 32:34: Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken! Exodus 32:35: Aldus plaagde de HEERE dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aaron gemaakt had.

“Mozes was zich van het vreselijk lot van de zondaar bewust; en toch wenste hij, als het volk Israël door de Here verworpen zou worden, dat ook zijn naam, samen met de hunne, zou uitgewist worden; hij kon niet verdragen, dat Gods oordelen zouden vallen op hen, die zo wonderlijk gered waren. De tussenkomst van Mozes ten behoeve van Israël toont het middelaarswerk van Christus ten behoeve van zondige mensen. Maar de Here liet Mozes niet de schuld dragen van de zondaar, zoals Christus eens zou doen. ‘Wie tegen Mij gezondigd heeft’, zei Hij, ‘zal Ik uit Mijn boek delgen’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 289.

Dinsdag — 14 april

3. God accepteert het berouw

A. Hoe reageerde het volk, toen zij hoorden, dat de Heer hen niet naar Kanaän zou leiden vanwege hun zonde?

Exodus 33:1-6.

Exodus 33:1: Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven; Exodus 33:2: En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaanieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten), Exodus 33:3: Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere. Exodus 33:4: Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. Exodus 33:5: En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. Exodus 33:6: De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.

B. Waar sloeg Mozes de tabernakel op na deze vreselijke ervaring? Welk teken toonde hoop voor hen, die de Heer zochten?

Exodus 33:7-10.

Exodus 33:7: En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was. Exodus 33:8: En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was. Exodus 33:9: En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes. Exodus 33:10: Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.

“De tent werd buiten de legerplaats opgeslagen, maar Mozes noemde het de ‘tent der samenkomst’. Allen, die oprecht berouw hadden en tot de Here wilden terugkeren, kregen opdracht daarheen te gaan om hun zonden te belijden en Zijn barmhartigheid te zoeken. Toen ze naar hun tenten terugkeerden, ging Mozes de tent binnen. Met pijnlijke belangstelling wachtte het volk op een of ander teken, waaruit zou blijken dat zijn pleiten voor hen zou worden aanvaard. Als God Zich zou verwaardigen om met hem samen te komen, konden ze hopen, dat ze niet volledig verdelgd zouden worden. Toen de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef rusten, weende het volk van blijdschap, ‘het stond op en boog zich neder, ieder aan de ingang van zijn tent’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 290.

C. Welke verzekering kreeg Mozes van de Heer?

Exodus 33:11-17.

Exodus 33:11: En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent. Exodus 33:12: En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen! Exodus 33:13: Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is! Exodus 33:14: Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? Exodus 33:15: Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken! Exodus 33:16: Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is. Exodus 33:17: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.

Hoe kunnen wij dezelfde zekerheid krijgen?

“Deze ervaring, en vooral de belofte, dat Gods tegenwoordigheid hem zou vergezellen, was voor Mozes een verzekering van succes in het werk, dat nog voor hem lag; en hij achtte het van oneindig grotere waarde dan alle wetenschap van Egypte of alles wat hij als staatsman of militair aanvoerder bereikt had. Er is geen aardse kennis, macht of wetenschap, die de plaats van Gods blijvende tegenwoordigheid kan vervangen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 292.

“Ga naar God en zeg Hem, zoals Mozes deed: “Ik kan dit volk niet leiden, tenzij Uw tegenwoordigheid met mij zal gaan”. En vraag dan nog meer; bid met Mozes: ‘Toon mij uw heerlijkheid’. Wat is deze heerlijkheid? Het karakter van God. Dat is, wat Hij verkondigde aan Mozes. Laat de ziel, in levend geloof, zich aan God vastmaken. Laat de tong Zijn lof spreken. Wanneer u met elkaar omgaat, laat de geest zich dan eerbiedig wenden tot de overdenking van eeuwige werkelijkheden. Zo zult u elkaar helpen tot een geestelijke gezindheid. Wanneer uw wil in harmonie is met de goddelijke wil, zult u in harmonie zijn met elkaar; u zult Christus aan uw zijde hebben als raadgever.” –Testimonies to Ministers, blz. 499.

Woensdag — 15 april

4. Een glimp van Gods karakter

A. Welk verder verzoek deed Mozes en wat was het antwoord van de Heer?

Exodus 33:18-19.

Exodus 33:18: Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid! Exodus 33:19: Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.

Hoe verkondigde de Heer Zijn naam aan Mozes?

Exodus 34:5-7.

Exodus 34:5: De HEERE nu kwam nederwaarts in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem; en Hij riep uit den Naam des HEEREN. Exodus 34:6: Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Exodus 34:7: Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.

“Het is ons voorrecht om hoger en steeds hoger te reiken voor duidelijker openbaringen van Gods karakter. Toen Mozes bad: ‘Ik smeek U, doe mij toch uw heerlijkheid zien’, vermaande God hem niet, maar vervulde zijn gebed. Hij zei tot Mozes: ‘Ik zal Mijn luister aan u doen voorbijgaan, en de naam des Heeren voor u uitroepen’ (Exodus 33:18-19.

Het is de zonde, die ons denken verduistert en onze opmerkingsgave benevelt. Als de zonde uit onze harten weggewassen wordt, zal het licht van de kennis van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus Zijn woord verlichten, en wij zullen weerkaatst in de natuur, Hem meer en meer zien als ‘barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw’ (Exodus 34:6).” –De Weg tot Gezondheid, blz. 399.

B. Waar bad Mozes voor, nadat God Zijn heerlijkheid aan Mozes openbaarde, en hoe antwoordde God?

Exodus 34:8-17,

Exodus 34:8: Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich. Exodus 34:9: En hij zeide: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! Exodus 34:10: Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe. Exodus 34:11: Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten. Exodus 34:12: Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoners des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Exodus 34:13: Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen. Exodus 34:14: (Want gij zult u niet buigen voor een anderen god; want des HEEREN Naam is Ijveraar! een ijverig God is Hij!) Exodus 34:15: Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande etet. Exodus 34:16: En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochteren; en hun dochteren, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. Exodus 34:17: Gij zult u geen gegoten goden maken.

Exodus 34:27.

Exodus 34:27: Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israel gemaakt.

“Mozes vertrouwde God volkomen, omdat hij een echt geloof bezat. Hij had hulp nodig, en hij bad erom; in geloof legde hij er beslag op en vervlocht het geloof, dat God voor hem zorgde, met zijn dagelijks leven. Hij geloofde, dat God op bijzondere wijze leiding gaf aan zijn leven. Hij zag en erkende God in elk detail van zijn leven en besefte, dat hij gezien werd door het oog van de Alziende, die motieven weegt en het hart beproeft. Hij zag op God en vertrouwde op Hem voor kracht om hem onverdorven door elke vorm van verzoeking te dragen… De aanwezigheid van God was voldoende om hem door de meest beproevende situaties, waarvoor een mens maar geplaatst kon worden, te leiden.

Mozes dacht niet alleen maar aan God, hij zag Hem. God stond hem als een voortdurend visioen voor ogen; hij verloor Zijn gezicht nooit uit het oog. Hij zag Jezus als zijn Verlosser, en hij geloofde, dat de verdiensten van de Verlosser hem zouden worden toegerekend. Dit geloof was voor Mozes geen veronderstelling, het was een realiteit. Dit is het soort geloof, dat wij nodig hebben, een geloof dat de toets zal doorstaan.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 529.

Donderdag — 16 april

5. Het aangaan van het verbond van genade

A. Wat konden de kinderen van Israël nu waarderen over de zegeningen, die werden aangeboden onder het verbond met Abraham in tegenstelling tot hun eerste verbond met God?

Psalm 103:8;

Psalmen 103:8: Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.

Hebreeën 7:19;

Hebreeën 7:19: Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.

Jeremia 31:33-34.

Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

“Ze (de kinderen van Israël) hadden gezien, hoe de wet in ontzagwekkende majesteit was verkondigd, en beefden van ontzetting aan de voet van de berg; en toch verstreken er slechts enkele weken voor ze hun verbond met God verbraken en zich bogen voor een gegoten beeld. Ze konden niet rekenen op de gunst van God op grond van een verbond, dat ze verbroken hadden; en nu ze hun eigen zondigheid en hun behoefte aan vergiffenis zagen, kwamen ze ertoe te verlangen naar een Heiland, die in het verbond met Abraham was geopenbaard en die in de offerdiensten werd afgebeeld. Nu werden ze door geloof en liefde met God verbonden als hun Bevrijder van de slavernij der zonde. Nu waren ze in staat de zegeningen van het nieuwe verbond op prijs te stellen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 335.

B. Wat bracht Mozes mee van de berg na veertig dagen, en hoe voelde het volk zich, toen zij hem zagen?

Exodus 34:28-30,

Exodus 34:28: En hij was aldaar met den HEERE, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden des verbonds, de tien woorden. Exodus 34:29: En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinai afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak. Exodus 34:30: Als nu Aaron en al de kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.

Exodus 34:33.

Exodus 34:33: Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.

“De heerlijkheid op het gelaat van Mozes illustreert de zegeningen, die het geboden-houdend volk van God ontvangt door het middelaarswerk van Christus. Het laat zien, dat hoe nauwer onze gemeenschap is met God en hoe duidelijker ons begrip is van Zijn eisen, we meer het goddelijke beeld gelijkvormig worden, en we meer deelhebbers van de goddelijke natuur zullen zijn.” –Patriarchen en Profeten, blz. 292.

Vrijdag — 17 april

Terugblik

1. Waarom verachten wij vaak degene, die de zonde berispt en bewonderen de zachtaardige en meegaande?

2. Waarom was de zonde van het aanbidden van het gouden kalf zo groot?

3. Wat was voor Mozes waardevoller dan zijn vaardigheden als een staatsman of een militaire leider? Waarom?

4. Als Jezus het hart reinigt van zonde, wat zullen wij dan uit Zijn Woord zien schijnen en weerspiegeld zien in de natuur?

5. Welke twee dingen zullen mij ertoe leiden, dat ik vollediger aangepast word aan Gods beeld? Hoe?