“Wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken”
Psalm 37:5
“Het rustig vertrouwen van hun leider schonk het volk vertrouwen in God. Ze lieten alles over aan Zijn almacht, en Hij liet hen niet in de steek. Geen machtige reuzen of ommuurde steden, gewapende scharen of rots vestingen konden weerstand bieden aan de Vorst van het heer des Heren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 396.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 393-397.
A. Welke aanwijzingen ontvingen de Israëlieten met betrekking tot de Moabieten en de Ammonieten?
Deuteronomium 2:9,
Deuteronomium 2:19.
B. Toen Israël het land van de Amorieten bereikte, welke boodschap zond Mozes naar hun koning Sihon, en wat was zijn antwoord?
Deuteronomium 2:26-30;
Numeri 21:21-23.
“Hij ontving een besliste weigering, en heel het leger der Amorieten werd opgeroepen om de opmars der invallers tot stand te brengen. Dit geduchte leger joeg de Israëlieten angst aan, want ze waren slecht voorbereid op een ontmoeting met goed gewapende en bedreven troepen. Wat betreft ervaring in het oorlogvoeren hadden hun vijanden een voorsprong. Van menselijk standpunt uit bezien zou het spoedig met Israël gedaan zijn.
Maar Mozes hield zijn blik op de wolkkolom, en bemoedigde het volk met de gedachte, dat het teken van Gods tegenwoordigheid nog steeds bij hen was. Terzelfdertijd beval hij om alles te doen, wat menselijke inspanning vermocht om zich op de strijd voor te bereiden. Hun vijanden verlangden naar het begin van de slag, verzekerd dat ze de ongeoefende Israëlieten uit het land zouden verdrijven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 393-394.
A. Welke opdracht kwam van de Bezitter van alle landen aan de leider van Israël?
Deuteronomium 2:31.
B. Wat was er geprofeteerd over de Amorieten in de tijd van Abraham?
Genesis 15:16.
“Hoewel de Amorieten afgodendienaars waren, die hun leven verbeurd hadden door hun goddeloosheid, spaarde God hen nog vierhonderd jaar om hun een onmiskenbaar bewijs te geven, dat Hij de enig ware God is, de Schepper van hemel en aarde. Al Zijn wonderen, die Hij gedaan had, toen Hij Israël uit Egypte leidde, waren hun bekend. Ze hadden voldoende bewijzen gekregen; ze hadden de waarheid kunnen weten, als ze bereid waren geweest zich af te wenden van hun afgoderij en losbandigheid. Maar ze verwierpen het licht en hielden zich vast aan hun afgoden.
Toen de Heere Zijn volk voor de tweede maal aan de grenzen van Kanaän voerde, kregen deze heidense volken nog meer bewijzen van Zijn macht. Ze zagen, dat God met Israël was, toen ze de overwinning behaalden over Arad en over de Kanaänieten. Ze hadden gehoord van de wonderlijke redding van hen, die door de vurige slangen gebeten waren. Hoewel de Israëlieten niet door het land Edom hadden mogen trekken…, hadden ze toch geen vijandschap getoond tijdens hun reis langs de grenzen van Edom, Moab en Ammon, en de volken en hun bezittingen ongemoeid gelaten. Toen ze de grens van het land der Amorieten bereikten, hadden de Israëlieten toestemming gevraagd om door het land te trekken, met de belofte zich te houden aan de regels, die hun omgang met andere volken hadden gekenmerkt. Toen de koning der Amorieten dit beleefd verzoek weigerde en uitdagend zijn legers in slagorde stelde, was de maat hunner ongerechtigheid vol en nu zou God Zijn macht tonen in hun ondergang.” –Patriarchen en Profeten, blz. 394-395.
C. Wat was het gevolg van de strijd?
Deuteronomium 2:32-35;
Numeri 21:24.
“De Israëlieten staken de beek over en trokken de vijand tegemoet. Er vond een treffen plaats, waarin de legers van Israël de overwinning behaalden; en door gebruik te maken van het verkregen voordeel waren ze spoedig in het bezit van het land der Amorieten. De Vorst van het leger des Heeren had de vijanden van Zijn volk verslagen; dit had Hij achtendertig jaar geleden reeds willen doen, als Israël op Hem had vertrouwd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 395.
A. Hoe beschrijft David passend de houding, die Mozes zou hebben gehad bij het horen van de grote legers van Kanaän?
Psalm 112:7-8.
“Ondersteuning en genade, voldoende voor elke omstandigheid, worden beloofd door Hem, wiens woord waarheid is. Zijn eeuwige armen omvangen de ziel, die zich tot Hem wendt om hulp. In Zijn hoede kunnen we veilig rusten. Zeggende: ‘Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U’ (Psalm 56:4). Aan allen, die in Hem hun vertrouwen stellen, zal God Zijn belofte waarmaken.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 344.
B. Wat kon Mozes met vertrouwen zeggen na het overwinnen van Sihon, koning van Hesbon?
Deuteronomium 2:36.
Hoe werd het volk geïnspireerd?
“De Hebreeën herinnerden zich, hoe ze vroeger, toen ze de strijd hadden aangebonden, verslagen waren en dat duizenden waren gedood. Maar toen hadden ze gehandeld in strijd met Gods bevel. Ze waren uitgetrokken zonder Mozes, de door God aangewezen leidsman, zonder de wolkkolom, het beeld van Gods tegenwoordigheid, en zonder de ark. Nu echter was Mozes bij hen, die hun harten sterkte met woorden vol hoop en geloof; Gods Zoon, gehuld in de wolkkolom, ging voor, en de heilige ark was bij het leger.” –Patriarchen en Profeten, blz. 397.
C. Waarvan kunnen wij overtuigd zijn, als wij door het leven op deze aarde reizen?
Filippensen 1:6.
“Degenen, die te midden van de gevaren van de laatste dagen leven, kunnen beseffen, dat net als bij het begin van hun leven de waarheid hen met de Verlosser verenigde, zo zal Hij, die de auteur en voleinder van hun geloof is, het werk volmaken, dat Hij voor hen is begonnen. God is trouw, door wie wij geroepen zijn om omgang met Zijn Zoon te hebben. Terwijl mannen en vrouwen samenwerken met God bij het doen van het werk, dat Hij hun heeft gegeven, gaan zij voorwaarts van kracht naar grotere kracht. Terwijl zij eenvoudig geloof oefenen, dag in dag geloven, dat God niet zal nalaten hen in Christus te vestigen, zegt God tot hen, zoals Hij deed tegen het oude Israël: ‘Want gij zijt de Heere, uw God, een heilig volk; u heeft de Heere, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk ten eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn’ (Deuteronomium 7:6).” – Our High Calling, blz. 24.
A. Wat was het volgende doel van de Israëlieten na de overwinning op Sihon?
Deuteronomium 3:1.
Beschrijf het land en het volk van Basan.
“Vol hoop en moed trok het leger van Israël voorwaarts, tot ze verder naar het noorden een land bereikten, waar hun moed en hun geloof in God op de proef zouden worden gesteld. Voor hen lag het machtige en volkrijke Basan, bedekt met grote ommuurde steden, die zelfs nu nog de verbazing wekken van de wereld, ’zestig steden … met hoge muren met deuren en grendels, ongerekend zeer vele onversterkte steden.’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 395.
B. Welke boodschap zond de Heer aan Mozes over Og en zijn leger, en wat was het gevolg van de strijd?
Numeri 21:34-35;
Deuteronomium 3:2-7.
“Geen machtige reuzen of ommuurde steden, gewapende scharen of rots vestingen konden weerstand bieden aan de Vorst van het heer des Heren.
De Here leidde het leger; de Here verwarde de vijand; de Here overwon door Israël. De reuzenkoning en zijn leger werden vernietigd. En de Israëlieten namen het hele land in bezit. Zo werd dit vreemde volk uitgeroeid van de aardbodem, omdat ze zich hadden overgegeven aan ongerechtigheid en afgrijselijke afgodendienst.” –Patriarchen en Profeten, blz. 396.
C. Hoe hielp de Heer Zijn volk in de oorlog tegen de twee Amoritische koningen, Sihon en Og?
Jozua 24:12.
Hoe zag de nieuwe generatie Israëlieten de fout van hun vaderen?
“Bij het veroveren van Gilead en Basan herinnerden velen zich de gebeurtenissen, die bijna veertig jaar geleden aanleiding waren geweest, dat Israël gedoemd was rond te zwerven in de woestijn. Ze zagen, dat het bericht van de verspieders aangaande het beloofde land in vele opzichten juist was geweest. De steden waren ommuurd en zeer groot, en bewoond door reuzen, waarbij de Hebreeën vergeleken slechts dwergen waren. Maar ze zagen ook de noodlottige vergissing van hun vaderen, omdat deze geen vertrouwen gesteld hadden in God. Alleen dit had hen verhinderd het goede land binnen te gaan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 396.
A. Welke les kunnen wij leren, als wij zien, hoe Israël, sterk in de minderheid vanuit menselijk oogpunt, triomfeerde over hun vijanden?
Zacharia 4:6.
“Vergeleken met de miljoenen aardbewoners zal Gods volk, als altijd, een kleine kudde zijn. Maar als de gelovigen vast staan in de waarheid, zoals deze in Zijn Woord is geopenbaard, zal God hun toevlucht zijn. Ze staan onder bescherming van de Almachtige. God heeft altijd de meerderheid.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 429.
“Is God een meerderheid? Als wij aan de kant van God staan, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, staan wij dan niet aan de kant van de meerderheid? Wij hebben de engelen, die uitblinken in kracht aan onze zijde.” –Temperance, blz. 258.
B. Welke les leert deze gebeurtenis ons?
Psalm 37:1-3,
Psalmen 37:5.
“Deze ervaring leert ons een les. De machtige God van Israël is onze God. We mogen ons vertrouwen in Hem stellen, en als we Hem gehoorzaam zijn, zal Hij op dezelfde wijze voor ons werken als voor Zijn volk in vroeger tijd. Iedereen, die zijn plicht wil doen, zal van tijd tot tijd overvallen worden door twijfel en ongeloof. Soms zal de weg zó versperd zijn door hinderpalen, die schijnbaar onoverkomelijk zijn, dat men zich zal overgeven aan moedeloosheid; maar tot hen zegt God: Ga voorwaarts. Doe uw plicht ten koste van alles. De moeilijkheden, die zo onoverkomelijk lijken, die u vervullen met vrees, zullen oplossen, als u voorwaarts gaat op de weg van gehoorzaamheid, in nederig vertrouwen op God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 397.
1. Hoe toonde Israël bij de voorbereiding van het gevecht tegen de Amorieten een geloof, dat werkt?
2. Waarom spaart God nu nog de goddeloze inwoners van deze wereld?
3. Net zoals God Israël in Kanaän wilde vestigen, waar wil Hij ons nu vestigen? Wat betekent dit?
4. Wat besefte de volgende generatie Israëlieten over de focus van hun vaderen?
5. Wat zal er gebeuren, als wij onze plicht doen, ongeacht de obstakels op onze weg?