“En het geschiedde aan het einde van de vierhonderd dertig jaren, zo is het juist op dezelfde dag geschied, dat al de legers des Heeren uit Egypteland gegaan zijn”
Exodus 12:41
“Maar evenals de sterren in de vaste baan van hun aangewezen weg kennen ook Gods plannen geen haast en geen uitstel.” –De Wens der Eeuwen, blz. 20.
Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 245-247.
A. Wat vroegen de Israëlieten voor hun zware arbeid en lijden in Egypte, en waarom voldeden de Egyptenaren aan hun verzoek?
Exodus 12:33,
Exodus 12:35-36.
B. Beschrijf het gezelschap, dat Egypte verliet.
Exodus 12:37-39.
“Een groot aantal Egyptenaren werden ertoe gebracht om door de manifestaties van de tekenen en wonderen in Egypte te erkennen, dat de God van de Hebreeën de enige ware God was… En ze beloofden van die tijd af de God van Israël te kiezen als hun God. Ze besloten Egypte te verlaten en met de Israëlieten mee te gaan om hun God te aanbidden.” –Bijbelkommentaar, blz. 35-36.
“En ze gingen uit, ‘ongeveer zeshonderdduizend man te voet, ongerekend de kinderen. Ook trok de menigte van allerlei slag met hen mee’. In deze menigte waren niet alleen mensen, die gedreven werden door geloof in de God van Israël, maar een grote meerderheid, die alleen wenste te ontkomen aan de plagen, of die de wegtrekkende stoet volgde uit nieuwsgierigheid en sensatie. Dezen vormden steeds een hinder en een valstrik voor Israël.” –Patriarchen Profeten, blz. 245.
A. Hoe lang woonden Abraham en zijn nakomelingen onder vreemden, en in welke generatie eindigde hun verblijf in Egypte?
Exodus 12:40-41;
Genesis 15:13-16.
B. Hoe zijn wij ook bijwoners op deze aarde?
Hebreeën 11:13-16.
“Door hun werken getuigden zij (de discipelen) voortdurend, dat deze wereld niet hun thuis was; hun burgerschap was boven; zij zochten een beter land, ja een hemels. Hun gesprekken en genegenheden hadden betrekking op hemelse dingen. Zij waren in de wereld, maar niet van de wereld; in geest en praktijk waren zij gescheiden van haar normen en gewoonten. Hun dagelijkse voorbeeld getuigde, dat zij leefden voor de eer van God. Hun grote belang, zoals dat van hun Meester, was de redding van zielen.” –Lift Him Up, blz. 325.
C. Welke eis heeft God bij de herdenking van het Pascha gesteld aan de eerstgeborene van mens en dier?
Exodus 13:2,
Exodus 13:11-15;
Numeri 3:13.
Welke les leerde deze wet?
“Verder zouden de eerstgeborenen van mens en dier de Here toebehoren, en slechts door een losprijs vrijgekocht worden, als blijk van erkenning dat, toen de eerstgeborenen in Egypte omkwamen, die van Israël zeer terecht aan hetzelfde lot hadden blootgestaan, als ze niet door een genadig zoenoffer gespaard waren gebleven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 240.
“Nadat de tempeldienst was ingesteld, koos de Here de stam van Levi, in plaats van de eerstgeborenen van geheel Israël, om dienst te doen in het heiligdom. Maar de eerstgeborenen moesten nog als het eigendom des Heren worden beschouwd, en zij moesten door een losprijs worden teruggekocht.
Zo kreeg de wet voor de voorstelling van de eerstgeborenen een bijzondere betekenis. Terwijl het een herinnering was aan de wonderbaarlijke verlossing van de kinderen Israëls uit Egypte door de Here, duidde het ook op een grotere verlossing, die door de eniggeboren Zoon van God tot stand zou worden gebracht. Zoals het bloed, dat op de deurposten was gesprenkeld, de eerstgeborenen van Israël had gered, zo heeft ook het bloed van Christus macht om de wereld te redden.” –De Wens der Eeuwen, blz. 32.
A. Welk verlangen van Jozef vervulden de Israëlieten, toen zij uit Egypte vertrokken?
Genesis 50:25;
Exodus 13:19.
“Toen ze Egypte verlieten, namen de Israëlieten een kostbare erfenis mee, in het gebeente van Jozef, dat zo lang gewacht had op de vervulling van Gods belofte, en dat tijdens de duistere jaren van slavernij een gedenkteken aan Israëls bevrijding was geweest.” –Patriarchen en Profeten, blz. 246.
B. Waarom volgden zij een lange omweg in plaats van rechtstreeks naar het beloofde land te worden geleid?
Exodus 13:17-18.
“In plaats van de kortste weg te nemen naar Kanaän, die voerde door het land der Filistijnen, leidde de Here hen naar het zuiden, naar de oevers van de Rode Zee… Als ze getracht hadden door het land der Filistijnen te trekken, was hun voortgang wellicht gestuit, want de Filistijnen, die hen beschouwden als slaven, die aan hun meesters ontvlucht waren, zouden niet geaarzeld hebben hen te bestrijden. De Israëlieten waren jammerlijk toegerust voor een ontmoeting met dat machtige en krijgszuchtige volk. Ze wisten weinig van God en hadden slechts een klein geloof, en zouden verschrikt en ontmoedigd geworden zijn. Ze waren ongewapend en niet gewend aan de strijd, hun geest was neerslachtig door de lange slavernij, en ze werden gehinderd door vrouwen en kinderen, runderen en kleinvee. Door hen in de richting van de Rode Zee te leiden openbaarde de Here Zich zowel een God van medelijden als van een gezond oordeel.” –Patriarchen en Profeten, blz. 246.
C. Als God ons soms lijkt te leiden op een manier, die wij niet begrijpen, zoals Hij deed met de kinderen van Israël, wat moeten wij dan bedenken?
Johannes 13:7.
“Vaak lijken onze beproevingen bijna ondraaglijk, en zonder hulp van God zijn deze inderdaad ondraaglijk. Tenzij wij op Hem vertrouwen, zullen wij bezwijken onder de last van verantwoordelijkheden, die alleen droefheid en leed brengen. Maar als wij ons vertrouwen op Christus stellen, zullen wij niet onder beproeving bezwijken. Als alles donker en onverklaarbaar lijkt, moeten wij op Zijn liefde vertrouwen; wij moeten de woorden herhalen, die Christus gesproken heeft tot onze zielen: ‘Wat Ik doe, weet u nu niet; maar gij zult het later weten’.” –My Life Today, blz. 184.
A. Van welke plaats begonnen de kinderen van Israël hun reis? Waar maakten zij hun eerste en tweede stop?
Exodus 12:37;
Exodus 13:20.
B. Wat stuurde God om Zijn volk te begeleiden op hun reis overdag en ‘s nachts?
Exodus 13:21-22;
Psalm 105:39.
“De standaard van hun onzichtbare Leider ging steeds voor hen uit. Overdag wees de wolk hun de weg en breidde zich als een scherm uit boven het leger. Ze diende als bescherming tegen de brandende hitte, en verschafte door haar koelte en vochtigheid dankbare verfrissing in de verdroogde, dorstige woestijn. In de nacht werd ze een vuurzuil, die hun kamp verlichtte en hen bij voortduring verzekerde van Gods tegenwoordigheid.” –Patriarchen en Profeten, blz. 246.
C. Hoe laat Jesaja Gods zorg zien voor Zijn volk in de laatste strijd, als zij hun hemelse tehuis naderen?
Jesaja 4:5-6.
“In een van de mooiste en meest vertroostende gedeelten van de profetieën van Jesaja wordt verwezen naar de wolk- en vuurkolom om Gods zorg voor Zijn volk voor te stellen in de laatste strijd met de machten van het kwaad: ‘Dan zal de Here over het gehele gebied van de berg Sion en over de samenkomsten die daar gehouden worden, des daags een wolk scheppen en des nachts een schijnsel van vlammend vuur, want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn. En er zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een schuilplaats en een toevlucht tegen stortbui en regen’ (Jesaja 4:5-6).” –Patriarchen en Profeten, blz. 246-247.
“In de tijd der beproeving, die ons te wachten staat, zal Gods belofte ten aanzien der veiligheid geplaatst worden op hen, die het woord Zijner lijdzaamheid hebben bewaard… De leeuw van Juda, zo verschrikkelijk voor hen, die Zijn genade verwerpen, zal voor de gehoorzamen en getrouwen het Lam Gods zijn. De wolkkolom, die tot gramschap en schrik zal zijn voor de overtreders van Gods wet, betekent licht en genade en verlossing voor hen, die Zijn geboden hebben bewaard. De arm, die de opstandige zal neervellen, zal sterk zijn om de getrouwe te verlossen. Een ieder, die trouw gebleven is, zal zeker worden gered. ‘Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan’ (Matthéüs 24:31).” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 7.
A. Welke instructie en waarschuwing stuurde de Heer aan de Israëlieten met het oog op hun dreigend gevaar?
Exodus 14:1-4.
B. Met welke grote kracht achtervolgde Farao de voortvluchtigen, en waar overviel hij hen?
Exodus 14:5-9.
“De koning was vastbesloten de Israëlieten te intimideren door een vertoon van zijn macht. De Egyptenaren vreesden, dat hun gedwongen onderwerping aan de God van Israël hen tot een voorwerp van spot voor andere volken zou maken; maar als ze nu met een groot vertoon van macht zouden uittrekken en de vluchtelingen zouden terugbrengen, zouden ze zowel hun eer als de diensten van hun slaven herwonnen hebben.” –Patriarchen en Profeten, blz. 247.
C. Welke belofte moet ons in onze persoonlijke strijd voor bevrijding van de heerschappij van Satan inspireren met een zekerheid van bevrijding?
Jesaja 49:24-25.
“De geesten der duisternis zullen vechten voor de ziel, die eenmaal in hun macht is, maar de engelen van God zullen voor die ziel strijden met een overwinnende kracht. De Here zegt: ‘Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem, die in zijn recht is, ontkomen? Zo zegt de Here: Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit van een geweldige. Ikzelf zal strijden tegen uw bestrijders en Ikzelf zal uw zonen redden’ (Jesaja 49:24-25).” –De Wens der Eeuwen, blz. 211-212.
1. Hoe kunnen wij gelijk zijn aan de gemengde menigte in onze motieven om God te dienen?
2. Hoe kunnen wij laten zien, dat wij alleen bijwoners op deze aarde zijn?
3. Waarom moesten de Israëlieten aan het begin van hun reis de langere weg nemen? Wat moeten wij leren van hun ervaring?
4. Hoe zullen de wolk- en vuurkolom opnieuw Gods volk dienen in de komende strijd?
5. Wat probeerden de Egyptenaren terug te winnen, toen zij besloten de Israëlieten te achtervolgen?