Zwerftochten door de Woestijn, deel 1 — Sabbat, 8 februari 2020

Les 6: Egypte verlaten

Tekst om te onthouden

“En het geschiedde aan het einde van de vierhonderd dertig jaren, zo is het juist op dezelfde dag geschied, dat al de legers des Heeren uit Egypteland gegaan zijn”

Exodus 12:41

“Maar evenals de sterren in de vaste baan van hun aangewezen weg kennen ook Gods plannen geen haast en geen uitstel.” –De Wens der Eeuwen, blz. 20.

Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 245-247.

Zondag — 2 februari

1. Voorbereiding om te vertrekken

A. Wat vroegen de Israëlieten voor hun zware arbeid en lijden in Egypte, en waarom voldeden de Egyptenaren aan hun verzoek?

Exodus 12:33,

Exodus 12:33: En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!

Exodus 12:35-36.

Exodus 12:35: De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geeist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen. Exodus 12:36: Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.

B. Beschrijf het gezelschap, dat Egypte verliet.

Exodus 12:37-39.

Exodus 12:37: Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. Exodus 12:38: En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee. Exodus 12:39: En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.

“Een groot aantal Egyptenaren werden ertoe gebracht om door de manifestaties van de tekenen en wonderen in Egypte te erkennen, dat de God van de Hebreeën de enige ware God was… En ze beloofden van die tijd af de God van Israël te kiezen als hun God. Ze besloten Egypte te verlaten en met de Israëlieten mee te gaan om hun God te aanbidden.” –Bijbelkommentaar, blz. 35-36.

“En ze gingen uit, ‘ongeveer zeshonderdduizend man te voet, ongerekend de kinderen. Ook trok de menigte van allerlei slag met hen mee’. In deze menigte waren niet alleen mensen, die gedreven werden door geloof in de God van Israël, maar een grote meerderheid, die alleen wenste te ontkomen aan de plagen, of die de wegtrekkende stoet volgde uit nieuwsgierigheid en sensatie. Dezen vormden steeds een hinder en een valstrik voor Israël.” –Patriarchen Profeten, blz. 245.

Maandag — 3 februari

2. Denkend aan het tijdelijke verblijf

A. Hoe lang woonden Abraham en zijn nakomelingen onder vreemden, en in welke generatie eindigde hun verblijf in Egypte?

Exodus 12:40-41;

Exodus 12:40: De tijd nu der woning, die de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. Exodus 12:41: En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.

Genesis 15:13-16.

Genesis 15:13: Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Genesis 15:14: Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. Genesis 15:15: En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. Genesis 15:16: En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.

B. Hoe zijn wij ook bijwoners op deze aarde?

Hebreeën 11:13-16.

Hebreeën 11:13: Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebreeën 11:14: Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:15: En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren; Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.

“Door hun werken getuigden zij (de discipelen) voortdurend, dat deze wereld niet hun thuis was; hun burgerschap was boven; zij zochten een beter land, ja een hemels. Hun gesprekken en genegenheden hadden betrekking op hemelse dingen. Zij waren in de wereld, maar niet van de wereld; in geest en praktijk waren zij gescheiden van haar normen en gewoonten. Hun dagelijkse voorbeeld getuigde, dat zij leefden voor de eer van God. Hun grote belang, zoals dat van hun Meester, was de redding van zielen.” –Lift Him Up, blz. 325.

C. Welke eis heeft God bij de herdenking van het Pascha gesteld aan de eerstgeborene van mens en dier?

Exodus 13:2,

Exodus 13:2: Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen Israels, van mensen en van beesten, dat is Mijn.

Exodus 13:11-15;

Exodus 13:11: Het zal ook geschieden, wanneer u de HEERE in het land der Kanaanieten zal gebracht hebben, gelijk Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben; Exodus 13:12: Zo zult gij tot den HEERE doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult; de mannetjes zullen des HEEREN zijn. Exodus 13:13: Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent, zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet lost, zo zult gij het den nek breken; maar alle eerstgeborenen des mensen onder uw zonen zult gij lossen. Exodus 13:14: Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. Exodus 13:15: Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.

Numeri 3:13.

Numeri 3:13: Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israel, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!

Welke les leerde deze wet?

“Verder zouden de eerstgeborenen van mens en dier de Here toebehoren, en slechts door een losprijs vrijgekocht worden, als blijk van erkenning dat, toen de eerstgeborenen in Egypte omkwamen, die van Israël zeer terecht aan hetzelfde lot hadden blootgestaan, als ze niet door een genadig zoenoffer gespaard waren gebleven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 240.

“Nadat de tempeldienst was ingesteld, koos de Here de stam van Levi, in plaats van de eerstgeborenen van geheel Israël, om dienst te doen in het heiligdom. Maar de eerstgeborenen moesten nog als het eigendom des Heren worden beschouwd, en zij moesten door een losprijs worden teruggekocht.

Zo kreeg de wet voor de voorstelling van de eerstgeborenen een bijzondere betekenis. Terwijl het een herinnering was aan de wonderbaarlijke verlossing van de kinderen Israëls uit Egypte door de Here, duidde het ook op een grotere verlossing, die door de eniggeboren Zoon van God tot stand zou worden gebracht. Zoals het bloed, dat op de deurposten was gesprenkeld, de eerstgeborenen van Israël had gered, zo heeft ook het bloed van Christus macht om de wereld te redden.” –De Wens der Eeuwen, blz. 32.

Dinsdag — 4 februari

3. Gods leiding volgen

A. Welk verlangen van Jozef vervulden de Israëlieten, toen zij uit Egypte vertrokken?

Genesis 50:25;

Genesis 50:25: En Jozef deed de zonen van Israel zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!

Exodus 13:19.

Exodus 13:19: En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israels bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!

“Toen ze Egypte verlieten, namen de Israëlieten een kostbare erfenis mee, in het gebeente van Jozef, dat zo lang gewacht had op de vervulling van Gods belofte, en dat tijdens de duistere jaren van slavernij een gedenkteken aan Israëls bevrijding was geweest.” –Patriarchen en Profeten, blz. 246.

B. Waarom volgden zij een lange omweg in plaats van rechtstreeks naar het beloofde land te worden geleid?

Exodus 13:17-18.

Exodus 13:17: En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte. Exodus 13:18: Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland.

“In plaats van de kortste weg te nemen naar Kanaän, die voerde door het land der Filistijnen, leidde de Here hen naar het zuiden, naar de oevers van de Rode Zee… Als ze getracht hadden door het land der Filistijnen te trekken, was hun voortgang wellicht gestuit, want de Filistijnen, die hen beschouwden als slaven, die aan hun meesters ontvlucht waren, zouden niet geaarzeld hebben hen te bestrijden. De Israëlieten waren jammerlijk toegerust voor een ontmoeting met dat machtige en krijgszuchtige volk. Ze wisten weinig van God en hadden slechts een klein geloof, en zouden verschrikt en ontmoedigd geworden zijn. Ze waren ongewapend en niet gewend aan de strijd, hun geest was neerslachtig door de lange slavernij, en ze werden gehinderd door vrouwen en kinderen, runderen en kleinvee. Door hen in de richting van de Rode Zee te leiden openbaarde de Here Zich zowel een God van medelijden als van een gezond oordeel.” –Patriarchen en Profeten, blz. 246.

C. Als God ons soms lijkt te leiden op een manier, die wij niet begrijpen, zoals Hij deed met de kinderen van Israël, wat moeten wij dan bedenken?

Johannes 13:7.

Johannes 13:7: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.

“Vaak lijken onze beproevingen bijna ondraaglijk, en zonder hulp van God zijn deze inderdaad ondraaglijk. Tenzij wij op Hem vertrouwen, zullen wij bezwijken onder de last van verantwoordelijkheden, die alleen droefheid en leed brengen. Maar als wij ons vertrouwen op Christus stellen, zullen wij niet onder beproeving bezwijken. Als alles donker en onverklaarbaar lijkt, moeten wij op Zijn liefde vertrouwen; wij moeten de woorden herhalen, die Christus gesproken heeft tot onze zielen: ‘Wat Ik doe, weet u nu niet; maar gij zult het later weten’.” –My Life Today, blz. 184.

Woensdag — 5 februari

4. Zichtbare tekenen van Gods leiding

A. Van welke plaats begonnen de kinderen van Israël hun reis? Waar maakten zij hun eerste en tweede stop?

Exodus 12:37;

Exodus 12:37: Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.

Exodus 13:20.

Exodus 13:20: Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

B. Wat stuurde God om Zijn volk te begeleiden op hun reis overdag en ‘s nachts?

Exodus 13:21-22;

Exodus 13:21: En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Exodus 13:22: Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.

Psalm 105:39.

Psalmen 105:39: Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

“De standaard van hun onzichtbare Leider ging steeds voor hen uit. Overdag wees de wolk hun de weg en breidde zich als een scherm uit boven het leger. Ze diende als bescherming tegen de brandende hitte, en verschafte door haar koelte en vochtigheid dankbare verfrissing in de verdroogde, dorstige woestijn. In de nacht werd ze een vuurzuil, die hun kamp verlichtte en hen bij voortduring verzekerde van Gods tegenwoordigheid.” –Patriarchen en Profeten, blz. 246.

C. Hoe laat Jesaja Gods zorg zien voor Zijn volk in de laatste strijd, als zij hun hemelse tehuis naderen?

Jesaja 4:5-6.

Jesaja 4:5: En de HEERE zal over alle woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. Jesaja 4:6: En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.

“In een van de mooiste en meest vertroostende gedeelten van de profetieën van Jesaja wordt verwezen naar de wolk- en vuurkolom om Gods zorg voor Zijn volk voor te stellen in de laatste strijd met de machten van het kwaad: ‘Dan zal de Here over het gehele gebied van de berg Sion en over de samenkomsten die daar gehouden worden, des daags een wolk scheppen en des nachts een schijnsel van vlammend vuur, want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn. En er zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een schuilplaats en een toevlucht tegen stortbui en regen’ (Jesaja 4:5-6).” –Patriarchen en Profeten, blz. 246-247.

“In de tijd der beproeving, die ons te wachten staat, zal Gods belofte ten aanzien der veiligheid geplaatst worden op hen, die het woord Zijner lijdzaamheid hebben bewaard… De leeuw van Juda, zo verschrikkelijk voor hen, die Zijn genade verwerpen, zal voor de gehoorzamen en getrouwen het Lam Gods zijn. De wolkkolom, die tot gramschap en schrik zal zijn voor de overtreders van Gods wet, betekent licht en genade en verlossing voor hen, die Zijn geboden hebben bewaard. De arm, die de opstandige zal neervellen, zal sterk zijn om de getrouwe te verlossen. Een ieder, die trouw gebleven is, zal zeker worden gered. ‘Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan’ (Matthéüs 24:31).” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 7.

Donderdag — 6 februari

5. Farao achtervolgt Israël

A. Welke instructie en waarschuwing stuurde de Heer aan de Israëlieten met het oog op hun dreigend gevaar?

Exodus 14:1-4.

Exodus 14:1: Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Exodus 14:2: Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-Zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee. Exodus 14:3: Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten. Exodus 14:4: En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo.

B. Met welke grote kracht achtervolgde Farao de voortvluchtigen, en waar overviel hij hen?

Exodus 14:5-9.

Exodus 14:5: Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israel hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden? Exodus 14:6: En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich. Exodus 14:7: En hij nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen. Exodus 14:8: Want de HEERE verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door een hoge hand uitgegaan. Exodus 14:9: En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.

“De koning was vastbesloten de Israëlieten te intimideren door een vertoon van zijn macht. De Egyptenaren vreesden, dat hun gedwongen onderwerping aan de God van Israël hen tot een voorwerp van spot voor andere volken zou maken; maar als ze nu met een groot vertoon van macht zouden uittrekken en de vluchtelingen zouden terugbrengen, zouden ze zowel hun eer als de diensten van hun slaven herwonnen hebben.” –Patriarchen en Profeten, blz. 247.

C. Welke belofte moet ons in onze persoonlijke strijd voor bevrijding van de heerschappij van Satan inspireren met een zekerheid van bevrijding?

Jesaja 49:24-25.

Jesaja 49:24: Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen? Jesaja 49:25: Doch alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.

“De geesten der duisternis zullen vechten voor de ziel, die eenmaal in hun macht is, maar de engelen van God zullen voor die ziel strijden met een overwinnende kracht. De Here zegt: ‘Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem, die in zijn recht is, ontkomen? Zo zegt de Here: Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit van een geweldige. Ikzelf zal strijden tegen uw bestrijders en Ikzelf zal uw zonen redden’ (Jesaja 49:24-25).” –De Wens der Eeuwen, blz. 211-212.

Vrijdag — 7 februari

Terugblik

1. Hoe kunnen wij gelijk zijn aan de gemengde menigte in onze motieven om God te dienen?

2. Hoe kunnen wij laten zien, dat wij alleen bijwoners op deze aarde zijn?

3. Waarom moesten de Israëlieten aan het begin van hun reis de langere weg nemen? Wat moeten wij leren van hun ervaring?

4. Hoe zullen de wolk- en vuurkolom opnieuw Gods volk dienen in de komende strijd?

5. Wat probeerden de Egyptenaren terug te winnen, toen zij besloten de Israëlieten te achtervolgen?