“Waarom toch zoudt gij uw harten verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?”
1 Samuel 6:6
“God vernietigt geen mens. Wie vernietigd wordt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Iedereen, die de stem van het geweten het zwijgen oplegt, zaait het zaad van ongeloof, en dit zal absoluut een oogst voortbrengen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 48.
Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 230-238.
A. Wat was de eerste plaag en waarom werd deze gezonden?
Exodus 7:14-21.
“Tijdens de plagen in Egypte was Farao nauwgezet in zijn bijgelovige toewijding aan de rivier en bezocht deze elke ochtend, en terwijl hij op zijn oever stond, bood hij lof en dank aan het water, vertelde het grote goede, dat het had gerealiseerd, en vertelde het water van zijn grote kracht; dat zij zonder dit niet konden bestaan; want hun landerijen werden erdoor bewaterd en het leverde vlees voor hun tafels.” –Spiritual Gifts 4a, blz. 54-55.
B. Wat was de tweede plaag en hoe koos God ervoor de gevolgen van deze plaag weg te nemen?
Exodus 8:2-14.
“De kikvors werd door de Egyptenaren beschouwd als heilig en ze wilden ze niet vernietigen; maar de glibberige dieren waren nu onverdraaglijk geworden…
De Here had kunnen maken, dat ze in een ogenblik waren veranderd in stof, maar Hij deed het niet, zodat de koning en zijn volk niet zouden kunnen spreken van toverij of bezweringen, zoals de tovenaars dat deden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 231-232.
A. Hoe maakte de Heer een onderscheid bij hen, die door de vierde plaag werden getroffen?
Exodus 8:20-24.
“Vliegen vulden de huizen en zwermden over de grond, zodat het land erdoor geteisterd werd. Deze vliegen waren groot en giftig, en hun steek was buitengewoon pijnlijk voor mens en dier. Zoals voorzegd was, werd het land Gosen niet door deze plaag getroffen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 232.
B. Welk verder onderscheid werd door God gemaakt bij de vijfde en negende plagen?
Exodus 9:1-6;
Exodus 10:22-23.
“Een nog zwaardere slag volgde, veepest trof al het Egyptische vee, dat op het land was. Zowel de heilige dieren als de lastdieren, koeien, ossen en schapen, paarden, kamelen en ezels werden gedood. Er was duidelijk verklaard, dat de Hebreeën niet getroffen zouden worden; en toen Farao boden zond naar het land der Israëlieten, bleek de waarheid van Mozes’ woorden. ‘Van het vee der Israëlieten was zelfs niet een stuk gestorven’. Toch bleef de koning hardnekkig.” –Patriarchen en Profeten, blz. 232-233.
“Plotseling daalde over het land een duisternis, zo dicht en zwart, dat het leek of men het duister kon voelen. Niet alleen waren de mensen van licht verstoken, maar ook was de atmosfeer zo drukkend, dat de ademhaling bemoeilijkt werd. ‘Niemand kon een ander zien, noch van zijn plaats opstaan; maar alle Israëlieten hadden licht, waar ze woonden’. De zon en de maan waren voorwerpen van aanbidding voor de Egyptenaren; in deze geheimzinnige duisternis werden mensen en goden getroffen door de macht, die zich had ingezet voor de zaak van hun slaven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 237.
C. Welke zorg beloofde de Heer, dat Zijn volk zou hebben?
Deuteronomium 32:43;
Psalm 103:8.
Hoe werd deze zorg later uitgebreid tot de Egyptenaren tijdens de negende plaag?
“Vreeswekkend echter als dit alles was, toch is dit oordeel een bewijs van Gods medelijden en Zijn tegenzin om te verderven. Hij zou het volk tijd geven om na te denken en zich te bekeren alvorens Hij de laatste en verschrikkelijkste van alle plagen over hen zou uitstorten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 237.
A. Wat was de reactie van de tovenaars op de derde plaag?
Exodus 8:18-19.
“Op bevel van God strekte Aäron zijn hand uit, en het stof der aarde werd muggen in heel het land Egypte. Farao riep de tovenaars om hetzelfde te doen, maar ze konden het niet. Nu bleek, dat Gods werk boven dat van Satan stond. De tovenaars zelf moesten erkennen: ’Dit is Gods vinger’. Maar de koning stoorde zich er niet aan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 232.
B. Hoe gaf God Mozes de opdracht om de plaag van zweren te introduceren?
Exodus 9:8-10.
Wat was veel betekenend aan de as, die uit de oven kwam?
“Mozes kreeg nu de opdracht as uit een oven te nemen en dit in de lucht te strooien voor de ogen van Farao. Deze daad had een diepe betekenis. Vierhonderd jaar geleden had God aan Abraham de toekomstige verdrukking getoond van Zijn volk onder het beeld van een rokende oven en een brandende fakkel. Hij had verklaard, dat Hij hun verdrukkers met Zijn oordelen zou bezoeken, en de gevangenen met grote have zou terugbrengen. In Egypte had Israël lang gezucht in de oven der beproeving. Deze daad van Mozes was voor hen de verzekering, dat God gedacht aan Zijn verbond, en dat de tijd voor hun bevrijding was gekomen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 233.
C. Welk effect hadden de zweren op de tovenaars?
Exodus 9:11.
“Toen de as in de lucht werd geworpen, verspreidden de fijne deeltjes zich over het hele land van Egypte, en waar het neerkwam, veroorzaakte het zweren, die als puisten uitbraken bij mens en dier. Tot nu toe hadden de priesters en de tovenaars Farao aangemoedigd in zijn hardnekkigheid, maar nu kwam een oordeel, dat ook hen trof. Getroffen door een afschuwelijke en pijnlijke ziekte konden ze, waar hun voorgewende macht hen slechts bespottelijk maakte, niet langer strijden tegen de God van Israël. Heel het volk moest de dwaasheid zien van het vertrouwen in de tovenaars, die niet eens hun eigen persoon konden beschermen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 233.
A. Hoe waarschuwde God de Egyptenaren in genade betreffende de zevende plaag, en wat waren de gevolgen?
Exodus 9:18-21.
“Regen of hagel was iets ongewoons in Egypte, en een storm zoals voorzegd was, had men nog niet eerder meegemaakt. Het bericht verspreidde zich snel, en allen, die het woord des Heren geloofden, brachten hun vee naar binnen, terwijl zij, die de waarschuwing verachtten, hun vee op het veld lieten. Zo werd te midden van Gods oordelen Zijn genade gezien, werd het volk op de proef gesteld, en het bleek hoevelen ertoe gekomen waren God te vrezen door de blijken van Zijn macht…
Verwoesting en schade tekenden het pad van de engel des verderfs. Alleen het land Gosen bleef gespaard. Aan de Egyptenaren werd getoond, dat de aarde onder de heerschappij van de levende God staat, dat de elementen luisteren naar Zijn stem, en dat de enige veiligheid ligt in gehoorzaamheid aan Hem.” –Patriarchen en Profeten, blz. 235.
B. Nadat God de Egyptenaren had gewaarschuwd voor de achtste sprinkhanenplaag, wat toonde toen, dat de dienaren van Farao bang waren voor God?
Exodus 10:7.
“De raadslieden van de koning stonden verbijsterd. Het volk had grote verliezen geleden door de dood van hun vee. Velen van het volk waren door de hagel gedood. De bossen waren platgeslagen en de oogst was vernietigd. Achter elkaar verloren ze alles, wat ze door de arbeid van de Hebreeën hadden gewonnen. Heel het land werd met hongersnood bedreigd. Vorsten en hovelingen verdrongen zich rond de koning en eisten woedend: Hoe lang zal deze ons tot een valstrik zijn? Laat die mannen gaan om de Here, hun God, te dienen. Beseft gij nog niet, dat Egypte te gronde gaat?” –Patriarchen en Profeten, blz. 236.
C. Hoe liet Farao zien, na alles wat er tot nu toe was gebeurd, dat hij nog steeds niet bereid was om heel Israël te laten gaan?
Exodus 10:8-11.
“Farao had getracht de Israëlieten door zware arbeid uit te roeien, maar nu gaf hij voor diepe belangstelling te koesteren voor hun welzijn en tedere zorg voor hun kleinen. Zijn werkelijke bedoeling was de vrouwen en kinderen achter te houden als borg voor de terugkeer der mannen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 237.
A. Wat was het effect op Farao van elk opeenvolgend oordeel van God?
Exodus 9:7,
Exodus 9:35;
Exodus 10:3.
“God spreekt tot de mens door Zijn dienstknechten, waarschuwt, vermaant en bestraft de zonde. Hij geeft een ieder de gelegenheid om zijn dwalingen te verbeteren, voor ze vastgeroest raken in het karakter; maar als men weigert zich te laten gezeggen, komt geen goddelijke macht tussenbeide om in te gaan tegen de handelingen van de mens. Hij vindt het steeds gemakkelijker om dezelfde weg te volgen. Hij verhardt zijn hart tegen de invloed van de Heilige Geest. Een verder verwerpen van het licht brengt hem daar, waar een krachtiger invloed niet langer in staat zal zijn een blijvende indruk achter te laten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 234.
B. Met wat is deze zonde te vergelijken, toen Farao ervoor koos opstandig te zijn tegen God, en wat is altijd het gevolg van zo’n keuze?
1 Samuël 15:23 (eerste deel);
Spreuken 28:14.
“Wie een verstoktheid als van een ongelovige openbaart, en onverschillig is voor Gods waarheid, oogst slechts datgene, wat hij zelf gezaaid heeft. Op deze wijze komen velen ertoe met kille onverschilligheid te luisteren naar de waarheden, die eenmaal de ziel hebben ontroerd. Ze hebben onachtzaamheid en weerstand tegen de waarheid gezaaid en de oogst, die ze binnenhalen, is overeenkomstig.” –Patriarchen en Profeten, blz. 234.
1. Hoe werd getoond, dat de goden van Egypte ondergeschikt waren aan de God van de hemel tijdens de eerste en tweede plaag?
2. Hoe toonde God tijdens de plagen Zijn zorg voor zowel Zijn volk als de Egyptenaren?
3. Hoe gaven de luizen en de zweren een nederlaag voor de tovenaars?
4. Hoe lieten de Egyptenaren zien, dat zij Gods Woord geloofden aangaande de komende hagelplaag? Hoe laten wij geloof in Gods Woord zien?
5. Welke twee houdingen leiden tot ongeloof?