Zwerftochten door de Woestijn, deel 1 — Sabbat, 18 januari 2020

Les 3: Eigenwijsheid, een vrucht van trots

Tekst om te onthouden

“Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien”

Galaten 6:7

“Farao zaaide koppigheid en hij oogstte koppigheid. Zelf zaaide hij dit zaad. God behoefde evenmin een nieuwe macht te gebruiken om in de groei ervan tussenbeide te komen, als het voor Hem nodig is om tussenbeide te komen bij de groei van een graankorrel.” –Bijbelkommentaar, blz. 33.

Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 225-231.

Zondag — 12 januari

1. Farao weerstaat God

A. Toen Mozes en Aäron voor de koning van Egypte kwamen, welk verzoek deden zij hem en hoe reageerde hij?

Exodus 5:1-3.

Exodus 5:1: En daarna gingen Mozes en Aaron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn! Exodus 5:2: Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken. Exodus 5:3: Zij dan zeiden: De God der Hebreen is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.

B. Welke waarschuwing moeten wij nemen van de trots en opstandigheid van Farao?

Galaten 6:7;

Galaten 6:7: Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.

Spreuken 11:2.

Spreuken 11:2: Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

“Zij, die hun eigen ideeën plaatsen boven de duidelijke aangegeven wil van God, zeggen net als Farao: ‘’Wie is de Here, dat ik naar Zijn stem zou luisteren?’ Elke verwerping van licht verhardt het hart en verduistert het begrip, en zo vinden de mensen het steeds moeilijker om onderscheid te maken tussen goed en kwaad, en ze worden steeds onbeschaamder in het weerstand bieden aan Gods wil.” –Bijbelkommentaar, blz. 33.

“Laat allen worden gewaarschuwd door de boodschappen, die vanuit de hemel worden gezonden, dat, wanneer iemand zijn eigen wegen en zijn eigen oordeel als allerhoogste zal verhogen, hij onder Satans beheer zal komen en door hem misleid worden, totdat zijn geest en zijn methoden zullen gelijk zijn aan de aartsbedrieger, beetje bij beetje, totdat zijn hele geest onder de invloed van de betovering is. De slang houdt zijn oog gericht op een mens om hem te bezweren, totdat hij geen kracht meer heeft om uit de strik weg te gaan.” –The Publishing Ministry, blz. 175.

Maandag — 13 januari

2. Farao voegt grotere lasten toe

A. Welke beschuldiging bracht de koning tegen Mozes en Aäron?

Exodus 5:4-5.

Exodus 5:4: Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Aaron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten. Exodus 5:5: Verder zeide Farao: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?

Naar welke ‘rust’ verwees hij?

“Tijdens hun slavernij had Israël tot op zekere hoogte de kennis van Gods wet uit het oog verloren, en waren ze afgeweken van zijn geboden. De Sabbat werd niet langer gevierd, en de eisen van hun opzichters maakten het vieren ervan schijnbaar onmogelijk. Maar Mozes had zijn volk laten zien, dat gehoorzaamheid aan God de eerste voorwaarde was om bevrijd te worden; en het streven om het vieren van de Sabbat te herstellen was de verdrukkers opgevallen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 225-226.

B. Wat was het doel van God om Israël uit Egypte te halen?

Psalm 105:43-45.

Psalmen 105:43: Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich. Psalmen 105:44: En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken; Psalmen 105:45: Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

Welke betrokkenheid heeft dit voor ons?

“Zoals de Sabbat het teken was, dat Israël onderscheidde, toen zij uit Egypte kwamen om het aardse Kanaän binnen te gaan, zo is hij het teken, dat nu Gods volk onderscheidt, wanneer zij uit de wereld komen om de hemelse rust in te gaan. De Sabbat is een teken van de verhouding, die bestaat tussen God en Zijn volk, een teken dat zij Zijn wet eren. Hij maakt een onderscheid tussen Zijn trouwe onderdanen en overtreders…

De Sabbat, aan de wereld gegeven als het teken van God als de Schepper, is ook het teken van Hem als de Heiligmaker. De macht, die alle dingen schiep, is de macht, die de ziel naar Zijn beeld herschept.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 13.

“Wanneer de wet van God aldus in het leven wordt geopenbaard, zal zelfs de wereld de superioriteit erkennen van hen, die God liefhebben en vrezen en dienen boven elk ander volk op aarde.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 387.

C. Wat was het gevolg van het gesprek met Farao?

Exodus 5:6-14.

Exodus 5:6: Daarom beval Farao, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende: Exodus 5:7: Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen. Exodus 5:8: En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren! Exodus 5:9: Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden. Exodus 5:10: Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal ulieden geen stro geven. Exodus 5:11: Gaat gij zelve heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden. Exodus 5:12: Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro. Exodus 5:13: En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was. Exodus 5:14: En de ambtlieden der kinderen Israels, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?

“De koning, die opgeschrikt was, dacht dat de Israëlieten een opstand tegen hem in de zin hadden. Ontevredenheid was het gevolg van nietsdoen; hij zou zorgen, dat er geen tijd overbleef voor het maken van gevaarlijke plannen. Terstond nam hij maatregelen on hun juk te verzwaren en hun geest van onafhankelijkheid te doven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 226.

Dinsdag — 14 januari

3. God test het geloof van Israël

A. Met welk verwijt kwamen de ambtslieden van de kinderen van Israël naar Mozes en Aäron?

Exodus 5:19-21.

Exodus 5:19: Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israels, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag. Exodus 5:20: En zij ontmoetten Mozes en Aaron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen. Exodus 5:21: En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.

B. Waarom bevrijdde de Heer Israël niet onmiddellijk?

Handelingen 14:22.

Handelingen 14:22: Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

“De Hebreeën hadden verwacht, dat ze hun vrijheid zouden verkrijgen zonder een speciale beproeving van hun geloof of zonder werkelijk lijden en tegenspoed. Maar ze waren nog niet gereed om bevrijd te worden. Ze hadden weinig geloof in God, en waren onwillig om lijdzaam te blijven onder hun beproevingen, tot Hij het ogenblik gekomen achtte om voor hen te werken.

Velen waren tevreden om in slavernij te blijven, liever dan de moeilijkheden het hoofd te bieden, die gepaard zouden gaan met het vertrek naar een vreemd land; en de gewoonten van sommigen waren zozeer gelijk geworden aan die van de Egyptenaren, dat ze verkozen in Egypte te blijven wonen. Daarom verloste de Here hen niet door de eerste openbaring van Zijn macht voor de Farao. Hij leidde de gebeurtenissen om de tirannieke geest van de Egyptische koning te doen ontplooien en tevens om Zich te openbaren aan Zijn volk. Door het zien van Zijn recht, Zijn macht en Zijn liefde zouden ze verkiezen Egypte te verlaten en zich over te geven aan Zijn dienst. De opdracht van Mozes zou lang zo moeilijk niet geweest zijn, als niet vele Israëlieten zo verdorven waren geworden, dat ze weigerden om Egypte te verlaten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 228.

“De kinderen van Israël waren verslaafd aan losbandigheid, afgoderij, vraatzucht en grove ondeugden. Dit is altijd het gevolg van slavernij. Maar de Heere zag op Zijn volk en na hun bevrijding onderwees Hij hen. Zij bleven niet onverzorgd.” –The Southern Work, blz. 43.

C. Toen Mozes bij de Heer klaagde, toen er nieuwe beproevingen over Israël kwamen, wat beloofde de Heer te doen voor Zijn volk?

Exodus 5:22-23; 6:1-8.

Exodus 5:22: Toen keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden? Exodus 5:23: Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost. [ (Exodus 5:24) Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven. ] Exodus 6:1: Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE, Exodus 6:2: En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest. Exodus 6:3: En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaan, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn. Exodus 6:4: En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israels, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. Exodus 6:5: Derhalve zeg tot de kinderen Israels: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten; Exodus 6:6: En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal ulieden tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren. Exodus 6:7: En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE! Exodus 6:8: En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.

“Uit genade jegens ons plaatst Hij (God) ons niet altijd in de gemakkelijkste positie. Want als Hij dat deed, dan zouden we in onze zelfgenoegzaamheid vergeten, dat de Heer onze helper in nood is. Maar Hij verlangt ernaar Zichzelf in onze nood aan ons te tonen en te laten zien welke overvloedige middelen ons ter beschikking staan, onafhankelijk van onze omstandigheden. Teleurstelling en beproeving worden tot ons toegelaten, zodat wij onze eigen hulpeloosheid beseffen, en leren ons tot de Heer te wenden om hulp, zoals een kind, dat honger of dorst heeft, een beroep doet op zijn aardse vader.” –Christus Weerspiegelen, blz. 352.

Woensdag — 15 januari

4. Het volk is terneergeslagen

A. Hoe ontvingen zij de boodschap van de Heer, toen Mozes de tweede keer tot de kinderen van Israël sprak?

Exodus 6:9.

Exodus 6:9: Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Welke beloften moeten een bron van hoop geweest zijn voor alle Israëlieten?

Genesis 15:13-14;

Genesis 15:13: Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Genesis 15:14: Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.

Genesis 50:24.

Genesis 50:24: En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.

“De oudsten van Israël trachtten het verdwijnende geloof van hun broederen te ondersteunen door het herhalen van de beloften, die aan hun vaderen waren gedaan en aan het profetisch woord van Jozef eer hij stierf, waarin hun bevrijding uit Egypte was voorzegd. Sommigen luisterden en geloofden. Anderen zagen naar de gebeurtenissen om hen heen en weigerden te hopen. De Egyptenaren, die hoorden wat er plaatsvond onder hun slaven, spotten met hun verwachtingen en loochenden de macht van hun God. Ze wezen op hun positie als slavenvolk en zeiden spottend: ‘Als uw God rechtvaardig en barmhartig is, en machtiger dan de goden der Egyptenaren, waarom bevrijd Hij u dan niet?’ Ze wezen op hun eigen toestand. Ze aanbaden goden, die door de Israëlieten afgoden werden genoemd, en toch waren ze een rijk en machtig volk. Ze zeiden, dat hun goden hen gezegend hadden met voorspoed, en hun de Israëlieten als slaven gegeven hadden, en ze beroemden zich op hun macht de aanbidders van Jehova te kunnen verdrukken en verdelgen. Farao zelf beroemde zich op het feit, dat de God der Hebreeën hen niet uit zijn hand kon verlossen. Dergelijke woorden vernietigden de hoop van velen in Israël. Hun lot kwam velen voor, zoals de Egyptenaren hun dat voor ogen hielden. Het was een feit, dat ze slaven waren en moesten verdragen, wat hun wrede meesters hen verkozen op te leggen. Hun kinderen waren opgejaagd en gedood, en hun eigen leven hun een last geworden. Toch aanbaden ze de God des hemels. Als Jehova werkelijk boven alle andere goden stond, zou Hij hen niet in de macht van de afgodendienaars laten. Maar zij, die trouw waren aan God, begrepen dat dit alles kwam, omdat Israël van God was afgeweken, omdat ze toegegeven hadden aan de omgang met heidense volken en zo tot afgoderij verleid waren. Dat de Here had toegelaten, dat ze slaven waren geworden; en vol vertrouwen gaven ze hun broederen de verzekering, dat Hij spoedig het juk van de verdrukker zou verbreken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 227-228.

B. Met welk argument probeerde Mozes zich te verontschuldigen, toen de Heer hem zei opnieuw met Farao te spreken?

Exodus 6:10-12.

Exodus 6:10: Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late. Exodus 6:11: Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen. Exodus 6:12: Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israels, en aan Farao, den koning van Egypte, om de kinderen Israels uit Egypteland te leiden.

Donderdag — 16 januari

5. God stuurt tekenen en wonderen

A. Toen de Heer Mozes bemoedigde om naar Farao terug te keren, wat zei Hij toen, dat Hij zou vermenigvuldigen in Egypte, en wat zou de reactie van de Egyptenaren zijn?

Exodus 7:1-5.

Exodus 7:1: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Farao; en Aaron, uw broeder, zal uw profeet zijn. Exodus 7:2: Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aaron, uw broeder, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken laat. Exodus 7:3: Doch Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen. Exodus 7:4: Farao nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypteland, door grote gerichten. Exodus 7:5: Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israels uit het midden van hen uitleide.

“Voor de komst van elke plaag moest Mozes de aard en de gevolgen ervan beschrijven, opdat de koning zichzelf daarvoor zou kunnen bewaren, als hij dat wenste. Elke verworpen bestraffing zou gevolgd worden door een zwaardere, tot zijn trotse hart vernederd zou zijn en hij zou erkennen, dat de Schepper van hemel en aarde de ware en levende God is.

God zou Zijn eigen naam verheerlijken, zodat andere volken zouden horen van Zijn macht en zouden beven voor Zijn machtige daden, en Zijn volk zich zou afwenden van hun afgoderij om Hem een zuivere eredienst te bewijzen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 229.

B. Hoe werden de krachten van God en Satan vóór Farao tegenover elkaar gesteld?

Exodus 7:8-12.

Exodus 7:8: En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: Exodus 7:9: Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aaron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden. Exodus 7:10: Toen ging Mozes en Aaron tot Farao henen in, en deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en Aaron wierp zijn staf neder voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht zijner knechten; en hij werd tot een draak. Exodus 7:11: Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen. Exodus 7:12: Want een ieder wierp zijn staf neder, en zij werden tot draken; maar Aarons staf verslond hun staven.

Wat was het doel van Satan om het werk van God te vervalsen?

“Door het werk van God, dat Mozes deed, na te bootsen, hoopte hij niet slecht de bevrijding van Israël te voorkomen, maar tevens een invloed uit te oefenen in de toekomst door het vernietigen van het geloof in Christus’ wonderen. Satan tracht voortdurend het werk van Christus na te bootsen, om zijn eigen macht en aanspraken te doen gelden. Hij brengt mensen ertoe een verklaring te zoeken voor de wonderen van Christus, door deze te doen voorkomen als het gevolg van menselijk kunnen en vernuft. Bij velen vernietigt hij aldus geloof in Christus als de Zoon van God, en brengt hen ertoe de genadige uitnodiging door het verlossingsplan te verwerpen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 230-231.

Vrijdag — 17 januari

Terugblik

1. Hoe tonen wij soms dezelfde trots als Farao?

2. Op welke manier is de Sabbat een onderscheidingsteken voor Gods volk nu?

3. Waarom waren zo veel Israëlieten onwillig Egypte te verlaten? Waarom zijn zo velen van ons nu onwillig om wereldse gebruiken en ideeën los te laten?

4. Waarom had God de Israëlieten toegestaan slaven te worden?

5. Waarom probeerde Satan de wonderen van God te vervalsen?