Zwerftochten door de Woestijn, deel 1 — Sabbat, 11 januari 2020

Les 2: Een boodschap van bevrijding

Tekst om te onthouden

“Neem dan deze staf in uw hand, waarmee gij die tekenen doen zult”

Exodus 4:17

“De tijd voor de verlossing van Israël was gekomen. Maar Gods doel zou tot stand gebracht worden op een wijze, die spotte met menselijke trots. De verlosser zou komen als een eenvoudige herder, met slechts een staf in zijn hand; maar God zou die staf tot een symbool maken van Zijn macht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 219-220.

Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 220-224.

Zondag — 5 januari

1. Mededeling van God

A. Wat gebeurde er in Egypte, terwijl Mozes zorgde voor de kudden van Jethro?

Exodus 2:23-25.

Exodus 2:23: En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God. Exodus 2:24: En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. Exodus 2:25: En God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen.

B. Welke ervaring had Mozes bij de brandende struik?

Exodus 3:1-5.

Exodus 3:1: En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb. Exodus 3:2: En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. Exodus 3:3: En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt. Exodus 3:4: Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik! Exodus 3:5: En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.

C. Welke belangrijke les kunnen wij leren van deze ervaring?

Psalm 89:8.

Psalmen 89:8: God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.

“Nederigheid en eerbied moeten het gedrag kenmerken van allen, die in de tegenwoordigheid van God komen. In Jezus’ naam mogen we vol vertrouwen tot Hem naderen, maar we mogen Hem niet naderen met de aanmatigende vrijmoedigheid, alsof Hij onze gelijke was. Er zijn mensen, die de grote almachtige God, die een ontoegankelijk licht bewoont, naderen alsof ze een gelijke aanspreken, of zelfs een mindere. Er zijn mensen, die zich in zijn huis gedragen, zoals ze dat niet zouden doen in de audiëntiezaal van een aards vorst. Zij moeten eraan denken, dat ze in tegenwoordigheid zijn van Hem, die door serafim wordt aanbeden, voor wie engelen hun gelaat bedekken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 220.

Maandag — 6 januari

2. God roept Mozes

A. Wat ging de Heer doen voor Zijn volk?

Exodus 3:7-9.

Exodus 3:7: En de HEERE zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten. Exodus 3:9: En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyptenaars hen verdrukken.

B. Hoe paste Mozes in Gods plan om dit te volbrengen?

Exodus 3:10;

Exodus 3:10: Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israels) uit Egypte voert.

Handelingen 7:34-35.

Handelingen 7:34: Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. Handelingen 7:35: Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.

C. Hoe reageerde Mozes op Gods oproep en wat wilde de Heer, dat hij zich realiseerde?

Exodus 3:11-15.

Exodus 3:11: Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen Israels uit Egypte zou voeren? Exodus 3:12: Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op dezen berg. Exodus 3:13: Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? Exodus 3:14: En God zeide tot Mozes: Ik ZAL ZIJN,, Die Ik ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! Exodus 3:15: Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.

“Verbaast en ontzet over deze opdracht trad Mozes terug, met de woorden: ‘Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden’. Het antwoord luidde: ‘Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg’.

Mozes dacht aan de moeilijkheden, die hem te wachten stonden, aan de blindheid, de onwetendheid en het ongeloof van zijn volk, van wie velen bijna niets meer wisten van de ware God. ‘Maar’, zei hij, ‘wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam, wat moet ik hun dan antwoorden?’

Het antwoord luidde: ‘IK BEN, DIE IK BEN’. Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij tot u gezonden’.” –Patriarchen en Profeten, blz. 220-221.

“Mozes verwachtte niet, dat dit de manier was, waarop de Heer hem zou gebruiken om Israël uit Egypte te bevrijden. Hij dacht, dat het door strijd zou zijn. En toen de Heer hem bekend maakte, dat hij voor Farao moest staan, en in Zijn naam hem vragen Israël te laten gaan, huiverde hij voor de opdracht.

De Farao, voor wie hij moest verschijnen, was niet degene, die had besloten, dat hij ter dood moest worden gebracht. Die koning was dood en een ander had de teugels van de regering overgenomen. Bijna alle Egyptische koningen werden Farao genoemd. Mozes had er de voorkeur aan gegeven om aan het hoofd van de kinderen van Israël te staan als hun generaal en oorlog te voeren met de Egyptenaren. Maar dit was niet Gods plan. Hij zou voor zijn volk worden groot gemaakt, en niet alleen hen maar ook de Egyptenaren leren, dat er een levende God is, die macht heeft om te redden en te vernietigen.” –Spiritual Gifts 3, blz. 1 89-190.

Dinsdag — 7 januari

3. God verzekert Mozes

A. Welke boodschap moest Mozes de oudsten van Israël geven?

Exodus 3:16-20.

Exodus 3:16: Ga heen, en verzamel de oudsten van Israel, en zeg tot hen: De HEERE, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan; Exodus 3:17: Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honig. Exodus 3:18: En zij zullen uw stem horen; en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israel, tot den koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De HEERE, de God der Hebreen, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan den weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij den HEERE, onzen God, offeren! Exodus 3:19: Doch Ik weet, dat de koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. Exodus 3:20: Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ik in het midden van hetzelve doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.

B. Hoe zou God Zijn belofte vervullen, dat Zijn volk Egypte niet met lege handen zou verlaten?

Exodus 3:21-22.

Exodus 3:21: En Ik zal dit volk genade geven in de ogen der Egyptenaren; en het zal geschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zo zult gij niet ledig uitgaan. Exodus 3:22: Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen; die zult gijlieden op uw zonen, en op uw dochteren leggen, en gij zult Egypte beroven.

“De Egyptenaren waren verrijkt door de arbeid, die ze onrechtmatig van de Israëlieten hadden geëist, en nu de laatsten zich op weg zouden begeven naar hun nieuw tehuis, konden ze terecht het loon voor hun jaren arbeid opeisen. Ze moesten artikelen van waarde vragen, die gemakkelijk meegenomen konden worden, en God zou hun gunst schenken in het oog der Egyptenaren. De machtige wonderen, die voor hun bevrijding bewerkstelligd zouden worden, zouden schrik brengen bij de verdrukkers, zodat aan het verzoek van de slaven voldaan zou worden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 221.

C. Welk verder bewijs gaf de Heer Mozes van Zijn voorzienigheid, omdat hij onwillig was om Gods roeping aan te nemen?

Exodus 4:1-9.

Exodus 4:1: Toen antwoordde Mozes, en zeide: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: De HEERE is u niet verschenen! Exodus 4:2: En de HEERE zeide tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zeide: Een staf. Exodus 4:3: En Hij zeide: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vlood van haar. Exodus 4:4: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand. Exodus 4:5: Opdat zij geloven, dat u verschenen is de HEERE, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. Exodus 4:6: En de HEERE zeide verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw. Exodus 4:7: En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weder als zijn ander vlees. Exodus 4:8: En het zal geschieden, zo zij u niet geloven, noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven. Exodus 4:9: En het zal geschieden, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren der rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, diezelve zullen tot bloed worden op het droge.

Hoe moeten wij nu antwoorden op Gods roeping?

“Mozes zag onoverkomelijke moeilijkheden voor zich. Welk bewijs kon hij geven, dat God hem werkelijk gezonden had? ‘Maar als zij mij niet geloven en niet naar mij luisteren, doch zeggen: de Here is niet verschenen?’ Nu kreeg hij bewijzen, die zijn zintuigen aanspraken. Hij moest zijn staf op de grond werpen. Toen hij dit deed, werd deze een slang, en Mozes vluchtte weg. Hij kreeg bevel de slang te pakken, en in zijn hand werd ze een staf. Nu moest hij zijn hand in zijn boezem steken. Hij gehoorzaamde, en, toen hij ze eruit trok, zie, zijn hand was melaats, sneeuwwit. Nadat hem was gezegd de hand opnieuw in zijn boezem te steken, bemerkte hij bij het terugtrekken, dat ze weer was geworden als zijn andere hand. Door deze wonderen verzekerde de Here aan Mozes, dat zijn eigen volk, zowel als Farao, overtuigd zouden zijn, dat Iemand, machtiger dan de koning van Egypte, onder hen aanwezig was.” –Patriarchen en Profeten, blz. 221-222.

“Wie staat klaar om bij Gods oproep lang gekoesterde plannen en familiebetrekkingen op te geven? Wie zal nieuwe plichten op zich nemen, en nieuwe gebieden betreden om Gods werk te doen met een gewillig en vastberaden hart, terwijl ze voor Christus’ werk hun verlies als winst beschouwen?” –Patriarchen en Profeten, blz. 99.

Woensdag — 8 januari

4. God blijft Mozes bemoedigen

A. Wat toont, dat Mozes nog steeds onwillig was Gods oproep te gehoorzamen?

Exodus 4:10-13.

Exodus 4:10: Toen zeide Mozes tot de HEERE: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen Gij tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Exodus 4:11: En de HEERE zeide tot hem: Wie heeft den mens den mond gemaakt, of wie heeft den stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE? Exodus 4:12: En nu ga henen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult. Exodus 4:13: Doch hij zeide: Och, Heere! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden.

“Maar de dienstknecht van God was nog steeds overweldigd door de gedachte aan het vreemde en wonderlijke werk, dat hem wachtte. In zijn verwarring en vrees zocht hij nu een verontschuldiging door zijn moeilijke spraak… Hij was zo lang uit Egypte weggeweest, dat hij de taal niet meer zo goed beheerste als toen hij onder hen vertoefde…

In het eerst waren deze verontschuldigingen het gevolg van nederigheid en ootmoed; maar nadat God beloofd had om alle moeilijkheden uit de weg te ruimen en hem succes te verlenen, toonde elk verder terugschrikken en klagen over ongeschiktheid een gebrek aan vertrouwen in God. Er lag de vrees in opgesloten, dat God niet in staat was om hem geschikt te maken voor het grote werk, waartoe Hij hem geroepen had, of dat Hij Zich vergist had in het kiezen van de juiste persoon.” –Patriarchen en Profeten, blz. 222.

B. Welke hulp bood God aan Mozes, toen Hij geduldig Zijn dienstknecht probeerde te bemoedigen?

Exodus 4:14-17.

Exodus 4:14: Toen ontstak de toorn des HEEREN over Mozes, en Hij zeide: is niet Aaron, de Leviet, uw broeder? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn. Exodus 4:15: Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal ulieden leren, wat gij doen zult. Exodus 4:16: En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden, dat hij u tot een mond zal zijn, en gij zult hem tot een god zijn. Exodus 4:17: Neem dan dezen staf in uw hand, waarmede gij die tekenen doen zult.

Hoe bemoedigt God Zijn volk nu?

“Laten zij (de leden van Gods gemeente) beseffen, dat het werk, waarmee zij zich bezighouden, er een is, waarop de Heer Zijn zegel heeft geplaatst…

Hij vraagt ons door te gaan met de woorden te spreken, die Hij ons geeft, terwijl Zijn heilige aanraking op onze lippen gevoeld wordt.” –God’s Amazing Grace, blz. 275.

C. Welke verdere zekerheid gaf God Mozes?

Exodus 4:18-23.

Exodus 4:18: Toen ging Mozes heen, en keerde weder tot Jethro, zijn schoonvader, en zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broederen, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede! Exodus 4:19: Ook zeide de HEERE tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weder in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. Exodus 4:20: Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weder in Egypteland; en Mozes nam den staf Gods in zijn hand. Exodus 4:21: En de HEERE zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. Exodus 4:22: Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israel. Exodus 4:23: En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!

“Iemand zal macht en bekwaamheid verkrijgen, als hij de verantwoordelijkheden aanvaardt, die God op hem legt, en met heel zijn hart ernaar streeft zich te ontwikkelen om ze op de juiste wijze te volbrengen. Als Mozes op eigen kracht en wijsheid, en begerig de grote opdracht had aanvaard, zou hij te kennen hebben gegeven, dat hij volkomen ongeschikt was voor zulk een werk. Het feit, dat iemand zijn zwakheid beseft, is op zijn minst een bewijs, dat hij de grootte van het aangewezen werk beseft, en dat hij God tot zijn Raadgever en kracht wil maken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 223.

Donderdag — 9 januari

5. Mozes’ terugkeer naar Egypte

A. Toen Mozes Gods roeping aanvaardde en naar Egypte ging, wat gebeurde er onderweg?

Exodus 4:24-26.

Exodus 4:24: En het geschiedde op den weg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam, en zocht hem te doden. Exodus 4:25: Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijn voeten, en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom! Exodus 4:26: En Hij liet van hem af. Toen zeide zij: Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenis.

Welke plechtige parallel kan worden getrokken uit deze gebeurtenis?

“Mozes herinnerde zich, dat hij een van Gods geboden had veronachtzaamd; door te zwichten voor de overredingskracht van zijn vrouw, had hij nagelaten zijn jongste zoon te besnijden. Hij had nagelaten te voldoen aan de voorwaarde, waarop zijn kinderen aanspraak konden maken op de zegeningen van Gods verbond met Israël; en zulk een veronachtzaming door de leider die door God was verkoren, kon slechts de kracht van Gods geboden bij het volk verzwakken…

Tijdens zijn zending naar Farao bevond Mozes zich in groot gevaar; zijn leven kon slechts gespaard worden door de bescherming van heilige engelen. Maar als hij tijdens zijn leven aan hem bekende verplichting naliet, was hij niet veilig; want dan konden Gods engelen hem niet bewaren.

In de tijd van benauwdheid, kort voor de wederkomst van Jezus, zullen de rechtvaardigen bewaard worden door de dienst van hemelse engelen; maar er zal geen beschutting zijn voor de overtreder van Gods wet. Engelen kunnen geen bescherming bieden aan hen, die een van Gods geboden veronachtzamen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 223-224.

B. Hoe reageerde het volk op de boodschap van bevrijding, toen Mozes en Aäron in Egypte aankwamen en de oudsten verzamelden?

Exodus 4:29-31.

Exodus 4:29: Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden al de oudsten der kinderen Israels. Exodus 4:30: En Aaron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks. Exodus 4:31: En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israels bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.

Vrijdag — 10 januari

Terugblik

1. Wat leert het verslag van Mozes bij de brandende struik ons over de manier, waarop wij God in gebed en in het heiligdom moeten benaderen?

2. Hoe verwachtte Mozes, dat God Israël uit Egypte zou bevrijden? Waarom bevrijdde God Israël niet op deze manier?

3. Waarom zijn wij soms onwillig om Gods roeping aan te nemen om voor Hem te werken?

4. Wat is een teken van ware grootheid in hen, die God dienen?

5. Wat doen zij, die slechts één van de goddelijke voorschriften negeert in de tijd der benauwdheid vóór ons?